Artikel
1
1
De verplichting als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid van de Arbeidsomstandighedenwet tot het vaststellen van de hoofdlijnen van het algemene beleid gericht op het bevorderen van een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het welzijn van het personeel in verband met de arbeid alsmede het doen bijstellen ervan, wordt opgedragen aan:
-
a.
Het hoofd van de Directie Algemene Zaken met betrekking tot het personeel werkzaam bij het Ministerie van Justitie in engere zin, met uitzondering van het personeel bedoeld onder f;
-
b.
Het hoofd van de Directie Delinkwentenzorg en Jeugdinrichtingen met betrekking tot het personeel werkzaam bij de diensteenheden waarbij een dienstcommissie is ingesteld ressorterend onder de Directie Delinkwentenzorg en Jeugdinrichtingen van het Directoraat-Generaal Jeugdbescherming en Delinkwentenzorg;
-
c.
Het hoofd van de Directie Jeugdbescherming en Reclassering met betrekking tot het personeel werkzaam bij de diensteenheden waarbij een dienstcommissie is ingesteld ressorterend onder de Directie Jeugdbescherming en Reclassering van het Directoraat-Generaal Jeugdbescherming en Delinkwentenzorg;
-
d.
Het hoofd van de Directie Politie met betrekking tot het personeel werkzaam bij de diensteenheden waarbij een dienstcommissie is ingesteld ressorterend onder de Directie Politie van het Directoraat-Generaal Politie en Criminalititeitspreventie;
-
e.
Het hoofd van de Directie Rechterlijke Organisatie met betrekking tot het personeel werkzaam bij de diensteenheden waarbij een dienstcommissie is ingesteld ressorterend onder de Directoraat-Generaal Rechtspleging, alsmede met betrekking tot de Rechterlijke Macht, voor zover dat niet in strijd is met de onafhankelijkheid van de Rechterlijk Macht;
-
f.
het hoofd van de Directie Vreemdelingenzaken met betrekking tot het personeel werkzaam bij deze directie.