Artikel
1
Instelling commissie
Er is een Commissie Advisering Thema-aanbieding Centraal Examen v.w.o. voor de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele werkvormen, hierna te noemen: de commissie.
Besluit:
Er is een Commissie Advisering Thema-aanbieding Centraal Examen v.w.o. voor de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele werkvormen, hierna te noemen: de commissie.
De commissie heeft tot taak:
de minister van onderwijs en wetenschappen, verder te noemen: de minister, jaarlijks te adviseren ter zake van het thema voor het centraal examen v.w.o. voor de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele werkvormen;
te zorgen voor een nauwkeurige omschrijving van dat thema in een vorm die voor publikatie gereed is.
Het advies, bedoeld in artikel 2, wordt opgesteld volgens de Richtlijnen voor de thema-aanbieding, kenmerk 83/538/BV.
De commissie wordt als volgt samengesteld:
drie leden, zijnde leraren met voldoende ervaring op het onderwijsterrein waarvoor het thema bedoeld is, te weten:
één, voorgedragen door de Nederlandse Vereniging voor Tekenonderwijs (tekenen),
één, voorgedragen door de Vereniging Leraren Beeldende Vakken (handenarbeid), en
één, voorgedragen door de Vereniging Leraren Beeldende Vakken (textiele werkvormen);
één lid, voor te dragen door één van de vakverenigingen, bedoeld onder a, zijnde een leraar met voldoende ervaring op het onderwijsterrein waarvoor het thema bedoeld is en die afkomstig is uit dezelfde vakdiscipline als de voorzitter van de commissie; dit lid wordt door de betreffende vakvereniging voorgedragen nadat de commisie een voorzitter heeft gekozen;
één lid als vertegenwoordiger van de wetenschappelijke instituten, zijnde een kunsthistoricus met didactische scholing;
één lid als vertegenwoordiger van de eerstegraads opleidingen tekenen, handvaardigheid en textiele werkvormen, zijnde vakdidacticus of docent kunstgeschiedenis;
één lid, tevens secretaris, zijnde een medewerker van het Landelijk Ondersteuningsinstituut Kunstzinnige Vorming te Utrecht;
één waarnemer, zijnde de voorzitter van de Adviescommissie Docenten van de Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven (CEVO)-vaksectie, dan wel een ander lid van de Adviescommissie Docenten.
De minister benoemt op voordracht als bedoeld in artikel 4 de leden van de commissie.
De leden van de commissie worden benoemd voor een door de minister te bepalen periode.
Het bevoegd gezag van de instelling waaraan de leden, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, b en d werkzaam zijn, ontvangen in verband met de door deze leden te verrichten werkzaamheden voor de commissie een bestemmingsbedrag gelijk aan de verzilveringswaarde van 18 formatierekeneenheden.
Het lid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, ontvangt voor de te verrichten werkzaamheden voor de commissie een geldelijke beloning, die niet hoger zal zijn dan de verzilveringswaarde van 20 formatierekeneenheden.
Het bevoegd gezag van de instelling, waaraan de voorzitter van de commissie werkzaam is, ontvangt naast het bestemmingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, tevens voor de als voorzitter van de commissie te verrichten werkzaamheden een bestemmingsbedrag, gelijk aan de verzilveringswaarde van 19 formatierekeneenheden.
De secretaris van de commissie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder e, ontvangt voor de te verrichten werkzaamheden van de commissie, een vergoeding gelijk aan de verzilveringswaarde van 40 formatierekeneenheden. Met het Landelijk Ondersteuningsinstituut Kunstzinnige Vorming wordt hiervoor een regeling getroffen.
De verzilveringswaarde per formatierekeneenheid als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid is gelijk aan de geldswaarde die de scholen, anders dan voor uitbesteding van werkzaamheden aan extern personeel, voor niet gebruikte formatierekeneenheden ontvangen.
Het Landelijk Ondersteuningsinstituut Kunstzinnige Vorming ontvangt op basis van een in te dienen begroting een nader door de minister vast te stellen bedrag voor vergoeding bureaukosten en dergelijke voor zover er sprake is van administratieve ondersteuning van de commissie.
De leden van de commissie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a tot en met d, hebben aanspraak op vergoeding van reis- en verblijfkosten volgens het Reisbesluit 1971 en vanaf 1 april 1993 volgens het Reisbesluit binnenland
De beschikking van 11 april 1985, VO/AV/J-827306, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van 24 juni 1991, VO/AVV/VO-II-9104413, wordt ingetrokken.
De benoeming van de leden van de commissie ingevolge de in artikel 9 genoemde beschikking blijft van kracht.
Bij herbenoeming van deze leden is het bepaalde in de artikelen 6 en 7, tweede lid, van toepassing.
Deze beschikking wordt bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Deze beschikking treedt in werking met ingang van de derde dag na de dagtekening van het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, waarin deze beschikking is bekendgemaakt.
Afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Algemene Rekenkamer.