-
a.
het Noordzeekanaal en de zijkanalen daarvan met inbegrip van de Voorzaan noordwaarts tot aan de Zaansluizen en het IJ, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
-
b.
de Maasmond, de Nieuwe Waterweg, de Nieuwe Maas, het Beerkanaal, het Calandkanaal en het Hartelkanaal, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
-
c.
de Noord, de Oude Maas, de Dordtsche Kil, de daarop aansluitende vaarweg naar het Industrie- en Havenschap Moerdijk, alsmede de havens aan deze vaarwegen en de haven van dat Industrie- en Havenschap;
-
d.
de vaarweg tussen de zee en de haven van Den Helder, alsmede deze haven;
-
e.
de vaarwegen tussen de zee en de havens aan de Waddenzee, alsmede deze havens, niet zijnde voorhavens van sluizen;
-
f.
de havens van Termunten, van Delfzijl, van Hefshuizen (Eemshaven) en van Scheveningen;
-
g.
de havens en de voorhavens die met de Westerschelde in open verbinding staan;
-
h.
het IJsselmeer, met inbegrip van het Markermeer en het IJmeer en met uitzondering van de Gouwzee, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
mag een schip, dat rechtstreeks van zee komt of rechtstreeks naar zee gaat, de lichten, zoals weergegeven in Bijlage I (Plaatsing en technische bijzonderheden van lichten en dagmerken) van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (Trb. 1974, 51; zoals gewijzigd), blijven voeren.