Regeling examen klein vaarbewijs

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    vaarbewijs I: vaarbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren;

  • b.

    vaarbewijs II: vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren;

  • c.

    kandidaat: degene die zich voor een examen heeft aangemeld;

  • d.

    examenprogramma: examenprogramma, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.

Artikel

2

Het examen voor het getuigschrift ter verkrijging van het klein vaarbewijs I omvat de onderdelen A, B, C en D van het examenprogramma.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Vervallen

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

De examinator zorgt dat de opgaven in overeenstemming met de vereiste geheimhouding bewaard worden tot de aanvang van het examen en dat de opgaven tijdig voor de aanvang van het examen te bestemder plaatse zijn.

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Vervallen

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Zo spoedig mogelijk na het examen worden de kandidaten op de hoogte gesteld van het resultaat van hun examen. Zij die daarvoor in aanmerking komen krijgen tevens het getuigschrift uitgereikt of toegezonden.

Artikel

21

De Minister van Verkeer en Waterstaat kan aanwijzingen geven ter uitvoering van de in deze regeling geregelde onderwerpen.

Artikel

22

Het Examenbesluit klein vaarbewijs, de Regeling beperkt examen klein vaarbewijs en de regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 maart 1994, nr. DGSM/J 30.278/94, houdende vaststelling tarieven examenkosten klein vaarbewijs (Stcrt. 59), worden ingetrokken.

Artikel

23

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 1994.

Artikel

24

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examen klein vaarbewijs.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage
De Minister van Verkeer en Waterstaat, J. R. H.Maij-Weggen

Bijlage

Examenprogramma, behorende bij de Regeling examen klein vaarbewijs

I

Het examen voor het getuigschrift ter verkrijging van het klein vaarbewijs voor de vaart op de rivieren, kanalen en meren (klein vaarbewijs I) omvat de volgende onderdelen:

A

De wettelijke bepalingen voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op die wateren

  • 1.

    Het Binnenvaartpolitiereglement Toepassingsgebied. Betekenis van enige uitdrukkingen. Verplichtingen van de schipper, de bemanning en andere personen die zich aan boord bevinden. Lichten, dagtekens, geluidsseinen en vaarregels.

  • 2.

    Het Rijnvaartpolitiereglement 1995 Toepassingsgebied. Betekenis van enige uitdrukkingen. Verplichtingen van de schipper, de bemanning en andere personen die zich aan boord bevinden. Lichten, dagtekens, geluidsseinen en vaarregels, in het bijzonder voor zover afwijkend van het Binnenvaartpolitiereglement.

  • 3.

    Scheepvaartreglement voor het kanaal van Gent naar Terneuzen Toepassingsgebied. Betekenis van enige uitdrukkingen. Verplichtingen van de schipper, de bemanning en andere personen die zich aan boord bevinden. Lichten, dagtekens, geluidsseinen en vaarregels.

  • 4.

    De Binnenschepenwet Doel van de wet en wijze waarop het doel wordt nagestreefd. Toepassingsgebied van de wet. Categorieën schepen waarvoor het klein vaarbewijs wordt vereist. Wijze van verkrijgen en ongeldigverklaring van het certificaat van onderzoek en het vaarbewijs. Met het onderzoek en toezicht belaste diensten. Beroep. Strafbepalingen.

  • 5.

    Het Wetboek van Koophandel en Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Verplichting tot hulpverlening in gevaarsituaties en bij aanvaring en tot verstrekken van gegevens bij aanvaring.

  • 6.

    De Scheepvaartverkeerswet Doel en positie andere wetten ten opzichte van deze wet en belangrijkste overtredingen.

B

De behandeling van de voortstuwingswerktuigen; de veiligheidsmaatregelen

  • 1.

    De behandeling van de voortstuwingswerktuigen Zorg te besteden aan de voortstuwingswerktuigen vóór, tijdens en ná het varen.

  • 2.

    De veiligheidsmaatregelen Bekend zijn met de blusmethoden en te gebruiken blusstof bij brand in vaste stoffen, brandbare vloeistoffen, flessengas en in onder elektrische spanning staande apparaten. Plaatsing en gebruik van brandblusmiddelen. Maatregelen in acht te nemen ter voorkoming van brand of explosie. Plaatsing en gebruik van reddingsmiddelen. Plaatsing van radarreflectoren.

C

De waterwegen, de omstandigheden van het vaarwater; elementaire meteorologie

  • 1.

    De waterwegen, de omstandigheden van het vaarwater De op kanalen, rivieren en meren voorkomende bebakening, betonning en verlichting, alsmede de voornaamste tekens langs de vaarwateren. Het N.A.P. en andere vergelijkingsvlakken. Peilschalen en hoogteschalen. Brughoogten, Met inbegrip lezen en gebruiken van waterkaarten, hydrografische kaarten voor kust- en binnenwateren (1800 serie officiële zeekaart voor kust- en binnenwateren) en nautische boekwerken, zoals de Almanakken voor Watertoerisme.

  • 2.

    Elementaire meteorologie Het ontvangen van weerberichten via de diverse beschikbare communicatiekanalen en het interpreteren van de verkregen informatie; de schaal van Beaufort en de daarin gebruikte begrippen.

D

Het varen en manoeuvreren, de onder bijzondere omstandigheden te nemen maatregelen

  • 1.

    Theoretische kennis van het varen en manoeuvreren Schroef- en roerwerking; draaicirkel en ronddraaien in een beperkte ruimte; stopweg, Aankomen, afvaren, meren en ontmeren, afhankelijk van wind en/of stroom.

  • 2.

    Bijzondere omstandigheden Effect van varen in nauw en ondiep vaarwater (zuiging, oeverbeschadiging). Ankeren; schutten in sluizen; manoeuvre ‘man over boord’; slepen en gesleept worden. Maatregelen te nemen na aan de grond lopen. Beperking in de manoeuvreerbaarheid van bepaalde categorieën van schepen, zoals zeilschepen, sleep- en duweenheden.

II

Het examen voor het getuigschrift ter verkrijging van het klein vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren (klein vaarbewijs II) omvat de onder I A, B, C en D genoemde onderdelen en bovendien de volgende onderdelen.

E

De wettelijke bepalingen voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op de Westerschelde, de Eems en de Dollard

  • 1.

    Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zes, 1972 Toepassingsgebied. Verantwoordelijkheid. Algemene begripsomschrijvingen. Voorschriften inzake het houden van uitkijk, het aanhouden van een veilige vaart, alsmede het treffen van maatregelen ter vermijding van aanvaring. Van betekenis zijnde voorschriften betreffende uitwijken, lichten, dagmerken, licht- en geluidsseinen. Noodseinen.

  • 2.

    Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 Toepassingsgebied. Algemene begripsomschrijvingen. Verantwoordelijkheid. Voorschriften betreffende uitwijken, dagmerken, geluids- en lichtseinen, alsmede bijzondere bepalingen voor het redegebied Vlissingen, in het bijzonder voor zover afwijkend van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972. Bepalingen voor kleine vaartuigen.

  • 3.

    Scheepvaartreglement Eemsmonding Toepassingsgebied. Aanvullende en afwijkende bepalingen op de Internationale Bepaling ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, voor zover van toepassing op kleine vaartuigen.

F

Navigatie

  • 1.

    Nautische bescheiden Het kunnen lezen en gebruiken van hydro-grafische kaarten voor kust- en binnenwateren en de daarop betrekking hebbende publikaties uitgegeven door de afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie (Marine).

  • 2.

    Koers- en plaatsbepaling Gebruik van het kompas. Invloed van aard- en scheepsmagnetisme op de aanwijzing van het kompas en de daaruit voortvloeiende correcties. Herleiding van een koers, mede in verband met de invloed van wind en/of stroom.

    Bepalen van de positie met behulp van vaste merktekens. Horizontale en verticale getijbeweging en het benutten daarvan voor de navigatie.

  • 3.

    Meteorologie Beginselen van de meteorologie. Benutten van weerberichten ten behoeve van een veilige vaart.

  • 4.

    Enige kennis van de werking, mogelijkheden en beperkingen van het Global Positioning System (GPS).