de examencommissie, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
c.
examen:
het examen dat wordt afgelegd ter verkrijging van het getuigschrift 'buitengewoon opsporingsambtenaar';
d.
examenprogramma:
het door de examencommissie vastgestelde examenprogramma voor buitengewoon opsporingsambtenaren.
Artikel
2
1
Er is een examencommissie ten behoeve van het examen voor de buitengewoon opsporingsambtenaar.
2
De commissie heeft tot taak:
a.
het opstellen van het examenreglement;
b.
het uitvoeren van het door de minister goedgekeurde examenreglement;
c.
het vaststellen van het examenprogramma en het examen;
d.
het bewaken van de organisatie van het examen;
e.
het beleggen van cesuurvergaderingen;
f.
het verschaffen van informatie over het examen aan opleidings- en werkgeversinstellingen;
g.
het verzorgen van een jaarlijkse rapportage betreffende haar werkzaamheden aan de minister, en
h.
het adviseren van de minister over het examenprogramma en het examenreglement.
Artikel
3
1
De commissie bestaat uit ten hoogste 9 leden, de voorzitter daaronder begrepen, en ten hoogste drie adviserende leden. De commissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris, die geen lid is van de commissie.
2
De minister benoemt en ontslaat de leden en de adviserende leden van de commissie.
3
De leden van de commissie, met uitzondering van de voorzitter, zijn afkomstig uit de navolgende instellingen:
a.
het parket van de Procureur-Generaal;
b.
het Hoofdofficierenberaad;
c.
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
d.
het Landelijk instituut sociale verzekeringen
e.
het Platform Bijzondere Opsporingsdiensten;
f.
de regionale politiekorpsen en het Korps landelijke politiediensten;
g.
instellingen voor de opleiding van buitengewoon opsporingsambtenaren, en
h.
andere instellingen die betrokken zijn bij de uitoefening van opsporingsaktivi-teiten van buitengewoon opsporingsambtenaren.
4
De commissie draagt als adviserend lid in ieder geval een vertegenwoordiger van het Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito) voor.
5
De leden kiezen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter.
Artikel
4
1
De leden en de adviserende leden worden voor vier jaar benoemd en kunnen al dan niet op verzoek worden ontslagen.
2
De secretaris wordt uit hoofde van zijn ambtelijke functie benoemd.
3
Bij verlies van de hoedanigheid op grond waarvan de benoeming plaatsvond, wordt aan personen, genoemd in het eerste lid, ontslag verleend.
Artikel
5
1
De commissie vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of dit is gevraagd door tenminste drie leden van de commissie, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, doch tenminste 5 maal per jaar.
2
De commissie regelt haar werkzaamheden.
3
De secretaris is bij de uitoefening van zijn functie uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de commissie.
Artikel
6
1
De voorzitter en de leden hebben stemrecht.
2
De commissie besluit bij meerderheid van stemmen. Hiertoe dient tenminste de helft van het aantal leden aanwezig te zijn.
3
Bij staking van stemmen beslist de voorzitter, tenzij hij besluit de beslissing aan te houden tot een volgende vergadering.
De commissie brengt haar adviezen schriftelijk aan de minister uit. Indien een lid van de commissie zich niet met het advies kan verenigen, kan hij zijn standpunt toevoegen.
Artikel
8
De voorzitter, de leden, de adviserende leden en de secretaris zijn verplicht tot geheimhouding van de examenopgaven.
Artikel
9
Het Reglement examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaar wordt ingetrokken.
Artikel
10
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publikatie in de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Artikel
11
Dit besluit wordt aangehaald als: Reglement examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaar 1995.
Deze regeling zal worden gepubliceerd in het Algemeen Politieblad en, met de daarbij behorende toelichting, in de Staatscourant.