Regeling radarinstallaties en bochtaanwijzers 1995

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    hoofd van de Scheepvaartinspectie: het hoofd van de Scheepvaartinspectie als bedoeld in artikel 10 van de Schepenwet;

  • b.

    radarinstallatie: een radio-elektrische zendinrichting als bedoeld in de Wet op de telecommunicatievoorzieningen voor gebruik als hulpmiddel bij de navigatie;

  • c.

    bochtaanwijzer: een aanwijzer van de snelheid van draaiing van een schip.

Artikel

2

Goedkeuring

Artikel

3

Bijzondere bepalingen voor aangewezen vaarwegen

Artikel

4

Veerponten

Artikel

5

Overgangstermijn

Artikel

6

Eenmansstuurstelling

De stuurstelling van een schip die zodanig is ingericht dat het voeren van het schip op radar door één persoon kan geschieden, moet voldoen aan de voorschriften die zijn vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage.

Artikel

7

Wederzijdse erkenning

Artikel

8

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling radarinstallaties en bochtaanwijzers 1995.

Artikel

9

Vervallen

Deze regeling met de daarbij behorende bijlage zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink

Bijlage

De stuurstelling van een schip, die zodanig is ingericht, dat het voeren van het schip op radar door één persoon kan geschieden, moet voldoen aan de volgende voorschriften:

I

Algemene bepalingen

II

Installaties voor het besturen van het schip

III

Bediening en controle van navigatielichten, lichtseinen en geluidsseinen

IV

Radarinstallatie en bochtaanwijzer

Het radarscherm mag niet buiten de blikrichting van de roerganger vallen. Het radarbeeld moet zonder kap of scherm, ongeacht de buiten de stuurhut heersende verlichtingsomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn. De bochtaanwijzer moet direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn geïntegreerd.

V

Marifooninstallatie

VI

Interne spreekverbinding aan boord

Aan boord van schepen moet een interne spreekverbinding aanwezig zijn.

Vanaf de stuurstelling moeten de volgende spreekverbindingen tot stand kunnen worden gebracht:

  • a.

    met het voorschip van het schip of het samenstel;

  • b.

    met het achterschip van het schip of het achterste gedeelte van het samenstel, indien geen directe communicatie daarmee vanaf de stuurstelling mogelijk is;

  • c.

    met het verblijf of de verblijven van de bemanning;

  • d.

    met de hut van de schipper.

Op alle punten van deze spreekverbinding dient het luisteren door luidsprekers en het spreken door vast opgestelde microfoons te kunnen geschieden. Met het voorschip en het achterschip van het schip of van het samenstel is een marifoonverbinding toegestaan.

VII

Alarminstallatie

De roerganger moet een schakelaar ’AAN/UIT’ voor de bediening van het alarmsein binnen zijn bereik hebben. Voor dit sein mag geen schakelaar worden gebruikt die, wanneer men hem loslaat, automatisch in de stand ’UIT’ kan terugspringen.

VIII

Installatie voor het bedienen van hekankers

Op schepen en samenstellen, waarvan de lengte meer dan 86 m of de breedte meer dan 22,90 m bedraagt, moet de roerganger de hekankers vanaf zijn plaats kunnen presenteren.