De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen,
Gelet op artikel 12.3.48, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
Besluit:
Artikel
1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a.
besluit:
het Besluit vormingswerk voor jeugdigen 1994 zoals luidend op 31 december 1995;
b.
vormingsinstituut:
een vormingsinstituut als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het besluit; vormingsinstituut buiten scholengemeenschap: een vormingsinstituut, niet zijnde een vormingsinstituut in scholengemeenschap;
c.
vormingsinstituut in scholengemeenschap:
een vormingsinstituut dat op 31 juli 1993 deel uitmaakte van een scholengemeenschap met een school voor mbo of een school voor bbo als bedoeld in artikel 75 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen 1994, zoals dat luidde op 31 december 1995.
Artikel
2
Het opslagpercentage, bedoeld in artikel 32, onderdeel c, van het Besluit, bedraagt per 1 januari 1996 voor de vormingsinstituten voor maatregelen:
a.
als gevolg van arbeidsduurverkorting 4,2 procent;
b.
als gevolg van onvrijwillige taakvermindering 1,2 procent;
c.
als gevolg van vervanging van personeel 1,7 procent;
d.
in verband met de veronderstelde aanwezigheid van vacatures - 0,4 procent.
Artikel
3
1
Het normvergoedingsbedrag per deelnemer, bedoeld in artikel 35, eerste lid onderdeel a, van het besluit, bedraagt met ingang 1 januari 1997 voor de vormingsinstituten f 575,–.
2
Het normvergoedingsbedrag per deelnemer, bedoeld in artikel 35, eerste lid onderdeel a, van het besluit, bedraagt voor de periode 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 voor de vormingsinstituten buiten scholengemeenschap f 719 en voor de vormingsinstituten in scholengemeenschap f 433.
3
Het normvergoedingsbedrag per gebouwenkenmerk, bedoeld in artikel 35, eerste lid onder b van het besluit, bedraagt voor de vormingsinstituten f 16,75 per vierkante meter.
4
Indien sprake is van een scholengemeenschap wordt het bedrag bedoeld in het derde lid slechts eenmaal verstrekt.
Artikel
4
Voorzover de in artikel 2 en 3 genoemde bedragen zijn bestemd voor instituten die zijn opgegaan in een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1. van de WEB, worden deze bedragen met ingang van de eerstvolgende maand na de in artikel 12.3.1. bedoelde samenvoeging toegekend aan die instelling.
Artikel
5
Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
Artikel
6
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.
Artikel
7
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling grondslagen bekostiging vormingsinstituten kalenderjaar 1996.
De ministervan onderwijs en wetenschappen,dr. ir. J.M.M. Ritzen