Typekeuringsregeling verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden

Hoofdstuk

1

Begripsbepalingen

Hoofdstuk

2

Keuringsinstantie, tarief en symbool van typegoedkeuring

Artikel

3

Artikel

4

Hoofdstuk

3

Typekeuring

§

1

Keuringsopstelling

Artikel

5

Artikel

6

Gesloten verwarmingstoestellen worden bij de keuring voorzien van een luchttoevoerpijp en een verbrandings-gasafvoerpijp die beide een lengte hebben die overeenkomt met de kortste lengte, vermeld in het desbetreffende installatievoorschrift. Daarbij monden de luchttoevoerpijp en de verbrandingsgasafvoerpijp in hetzelfde vlak uit.

Artikel

7

Voorzetbranders worden ter keuring geïnstalleerd op een daarvoor bestemde stookbuis van de instantie waar de keuring plaats heeft.

§

2

Keuringsomstandigheden

Artikel

8

De keuring wordt uitgevoerd bij een nominale spanning van 230 V.

Artikel

9

Indien het verwarmingstoestel is ontworpen voor aardgas, wordt het verwarmingstoestel tijdens de keuring aangesloten op Gas 25, onder een druk van 25 mbar of onder een druk als vermeld in het desbetreffende installatievoorschrift.

Artikel

10

Artikel

11

Indien het verwarmingstoestel is voorzien van een warmtapwaterbereider, wordt de keuring uitgevoerd voor de situatie waarin het verwarmingstoestel slechts warmte levert voor ruimteverwarming.

Artikel

12

De keuring van voorzetbranders die zijn uitgerust met externe verbrandingsluchtrecirculatie wordt uitgevoerd met het in het installatievoorschrift opgegeven percentage gerecirculeerd verbrandingsgas, uitgedrukt als een percentage CO2 of O2 in het mengsel verbrandingsgas/verbrandingslucht en met de in het installatievoorschrift opgegeven ten hoogste toegelaten temperatuur van de gerecirculeerde verbrandingsgassen.

Artikel

13

Artikel

14

§

3

Meetapparatuur en monstername

Artikel

15

Bij open en gesloten verwarmingstoestellen, die zijn uitgevoerd met een parallelaansluiting bestemd om aan te sluiten op een luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, wordt het gehalte aan NOx en de temperatuur van het verbrandingsgas gemeten met behulp van een afzuiginrichting die voldoet aan de omschrijving van figuur 1, opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

Artikel

16

Bij gesloten verwarmingstoestellen met een concentrisch luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem wordt het gehalte aan NOx en de temperatuur van het verbrandingsgas gemeten met behulp van een afzuiginrichting die voldoet aan de omschrijving van de figuren 2 en 3, opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

Artikel

17

Ingeval een verwarmingstoestel is voorzien van een ronde uitlaat wordt de meetsonde over een afstand die gelijk is aan de middellijn van de uitlaat, in de uitlaat ingebracht en wel zodanig dat de meetsonde verticaal naar boven wijst.

Artikel

18

Artikel

19

De aanzuigbuis van het meetapparaat wordt horizontaal in het hart van de verbrandingsgasafvoerpijp van het verwarmingstoestel geplaatst.

Artikel

20

Condensaatvorming in de monstertransportleiding wordt voorkomen, zo nodig door de leiding te verwarmen.

Artikel

21

In de aanzuigbuis en de monstertransportleiding wordt geen rubber of siliconen toegepast, zodanig dat het verbrandingsgas daarmee in aanraking kan komen.

Artikel

22

Bij de keuring worden de onderstaande componenten gemeten met apparatuur waarvan de meetonnauwkeurigheid niet meer mag zijn dan de bij de desbetreffende component aangegeven waarde.

Component

Onnauwkeurigheid

N0 (stikstofoxide)

< 8% Rdg

N02 (stikstofdioxide)

< 8% Rdg

C02 (kooldioxide)

< 6% Rdg

O2 (zuurstof)

< 6% Rdg

Gasdrukken

< 2% Rdg

Relatieve vochtigheid

< 5% Rdg

Omgevingstemperatuur

< 1K

Temperatuur van het in- en uitgaand ketelwater

< 2K

Hoofdstuk

4

Berekening van de uitworp van NOx

§

1

Algemeen

Artikel

23

§

2

Berekening van de uitworp bij nominale, minimale en relatieve belasting

Artikel

24

Artikel

25

Artikel

26

§

3

Berekening van de gemiddelde waarde

Artikel

27

De gemiddelde waarde voor verwarmingstoestellen met een nominale belasting tot en met 31,5 kW is het rekenkundig gemiddelde van Enom en Emin.

Artikel

28

De gemiddelde waarde voor aan/uit geregelde verwarmingstoestellen met een nominale belasting groter dan 31,5 kW wordt gelijkgesteld aan Enom.

Artikel

29

De gemiddelde waarde voor hoog/laag geregelde verwarmingstoestellen met een nominale belasting groter dan 31,5 kW wordt berekend volgens de volgende formule:

belastingstand ’laag’ (Bl)

berekening gemiddelde waarde

Bl > 60 %

(Enom + 4*Emin)/5

60 % > Bl > 50 %

(Enom + 3*Emin)/4

50 % > Bl > 40 %

(Enom + 2*Emin)/3

40 % > Bl > 30 %

(Enom + Emin)/2

Artikel

30

De gemiddelde waarde voor modulerende verwarmingstoestellen met een nominale belasting groter dan 31,5 kW wordt berekend volgens de volgende formule:

minimale relatieve belasting van het modulatiegebied (Bm)

berekening gemiddelde waarde

Bm > 60 %

(Enom + 4*Emin)/5

Bm < 60 %

(Enom + 2*E6o + 2*Emin)/5

Hoofdstuk

5

Slotbepalingen

Artikel

32

Deze regeling wordt aangehaald als: Typekeuringsregeling verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,Margaretha deBoer
De Minister van Economische Zaken,G.J.Wijers

Bijlage

behorend bij de artikelen 15 en 16 van Typekeuringsregeling verwarmingstoestellen luchtverontreiniging

Figuur

1

Figuur

2

– Meetsonde

Figuur

3

– Plaats van de meetsonde