Besluit van 23 januari 1996, houdende een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de artikelen 40b en 41 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen

Besluit ex artikelen 40b en 41 Wet op de telecommunicatievoorzieningen inzake de houder van een concessie

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 mei 1995, nr. HDTP/95/10597, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;
Gelet op richtlijn nr. 92/44/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 juni 1992 betreffende de toepassing van Open Network Provision (ONP) op huurlijnen (PbEG L 165) en op de artikelen 40b en 41 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen;
De Raad van State gehoord (advies van 12 september 1995, no. W09.95.0254);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 januari 1996, nr. HDTP/95/28052/MD, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    houder van de concessie: rechtspersoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen;

  • b.

    richtlijn 92/44/EEG: richtlijn nr. 92/44/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 juni 1992 betreffende de toepassing van Open Network Provision (ONP) op huurlijnen (PbEG L 165), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld;

  • c.

    college: het college genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

De aanvraag om een oordeel vermeldt tevens

  • a.

    over welke beslissing van de houder van de concessie dan wel een houder van een infrastructuurvergunning een oordeel wordt gevraagd, dan wel

  • b.

    over welk handelen dan wel nalaten van de houder van de concessie dan wel een houder van een infrastructuurvergunning ten gevolge waarvan de verzoeker schade heeft geleden dan wel schade kan lijden een oordeel wordt gevraagd.

Artikel

5

Artikel

6

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Verkeer en Waterstaat, A. Jorritsma-Lebbink
De Minister van Justitie, W. Sorgdrager