Artikel
1
1
De militair in de rechtmatige uitoefening van de militaire bewakings- en beveiligingstaak is bevoegd tot gebruik van geweld wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.
2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de burgerambtenaar in dienst van het Ministerie van Defensie, belast met het uitvoeren van de bewakings- en beveiligingstaak.
3
De bevoegdheid tot gebruik van geweld geldt slechts bij de bewaking en beveiliging van door Onze Minister van Defensie aangewezen objecten.