Subsidieregeling schippperszorg binnenvaart

Subsidieregeling schipperszorg binnenvaart

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

§

1

Algemeen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
Minister:

Minister van Verkeer en Waterstaat;

b.
schipperszorg:

activiteiten, projecten en voorzieningen van sociale en sociaal-culturele aard in plaatsen waar binnenschepen zich concentreren, ten behoeve van opvarenden van Nederlandse binnenschepen, opvarenden van buitenlandse binnenschepen in Nederland of kinderen van opvarenden van Nederlandse binnenschepen die gehuisvest zijn in een internaat, een leefgroephuis of in een pleeggezin;

c.
instelling:

rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich in hoofdzaak ten doel stelt de schipperszorg te stimuleren, te coördineren en uit te voeren, zijnde:

  • de Stichting Algemene Maatschappij voor Varenden te Amsterdam;

  • de Landelijke Stichting Katholiek Sociaal Cultureel Centrum voor Rijn- en Binnenvaart te Rotterdam; en

  • de Stichting Varenscentrum Kanaalzone Zeeuws-Vlaanderen te Terneuzen.

Artikel

2

De Minister verleent de instelling die voldoet aan deze regeling subsidie ten behoeve van stimulering, coördinatie en uitvoering van schipperszorg als bedoeld in artikel 4, tweede lid.

Artikel

3

§

2

Aanvraag om subsidie

Artikel

4

§

3

Kosten die bij de beoordeling in aanmerking worden genomen

Artikel

5

De uitgaven, bedoeld in artikel 4, eerste lid, betreffen:

  • a.

    personeelskosten, zijnde:

    • de salarissen, met inbegrip van vakantieuitkeringen,

    • de vergoedingen aan personeelsleden als tegemoetkoming in de kosten van de door hen vrijwillig te sluiten ziektekostenverzekering,

    • het werkgeversaandeel in de premies ingevolge de sociale-verzekeringswetten,

    • het werkgeversaandeel in de premiekosten van de voor personeelsleden afgesloten pensioenregeling,

    • alle verplichte personeelskosten die voortvloeien uit een collectieve arbeidsovereenkomst, en

    • reis- en verblijfskosten van bestuur en personeel voor zover deze betrekking hebben op het bijwonen van bestuursvergaderingen dan wel voortvloeien uit een dienstopdracht;

  • b.

    huisvestingskosten, zijnde:

    • hetzij de huursom van gebouwen of lokaliteiten, alsmede de kosten van erfpacht of enig ander zakelijk recht, hetzij de jaarlijkse kosten van afschrijving op gebouwen, drijvende centra, verbouwing en buitengewoon onderhoud,

    • de kosten van afschrijving op vaste inrichting en inventaris,

    • de rente van geldleningen ten behoeve van de financiering van investeringen voor huisvesting,

    • de kosten van verlichting, verwarming, water, klein onderhoud en schoonmaak,

    • kleine aanschaffingen ten behoeve van de inventaris,

    • de premies van verzekeringen met betrekking tot de in onderdeel 1° bedoelde zaken, en

    • de onroerende-zaakbelastingen en het havengeld, milieuheffingen en overige heffingen en belastingen met betrekking tot onroerende zaken;

  • c.

    administratiekosten, zijnde:

    • bureaukosten als druk- en stencilkosten, porti- en vrachtkosten, telefoonkosten,

    • de accountantskosten,

    • rente-, incasso- en bankkosten,

    • de afschrijving en het onderhoud van de kantoorinventaris en de kosten van een geautomatiseerd administratiesysteem, en

    • kosten van lidmaatschappen en contributies, cursussen voor personeel, documentatie en vakliteratuur.

§

4

Beslissing op de aanvraag

Artikel

6

Artikel

7

De Minister verleent slechts subsidie voor zover naar zijn oordeel:

  • a.

    het wenselijk is de doelstelling en de werkzaamheden van de instelling financieel te ondersteunen;

  • b.

    het gelet op de financiële positie en het vermogen van de instelling voor haar noodzakelijk is om subsidie-inkomsten te verkrijgen; en

  • c.

    de instelling geen reële mogelijkheden heeft om op een andere wijze de benodigde gelden te verkrijgen.

Artikel

8

De Minister wijst een aanvraag in ieder geval af indien:

  • a.

    de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, naar het oordeel van de Minister geen verband houden met de schipperszorg;

  • b.

    uit de begroting, bedoeld in artikel 4, eerste lid, naar het oordeel van de Minister niet voldoende blijkt dat de financiële situatie en het vermogen ontoereikend zijn om de kosten verbonden aan de onder a bedoelde werkzaamheden te dragen;

  • c.

    de instelling failliet is verklaard, aan haar surséance van betaling is verleend of een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;

  • d.

    subsidie naar het oordeel van de Minister geen wezenlijke bijdrage levert aan de schipperszorg;

  • e.

    de instelling in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid; of

  • f.

    de instelling niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze regeling.

§

5

Voorschotbetaling van de subsidie

Artikel

9

De subsidie wordt per kwartaal bevoorschot in termijnen van respectievelijk 20%, 40%, 20% en 20% van de verleende subsidie. De Minister stelt het voorschot binnen twee weken na de verlening onderscheidenlijk na aanvang van ieder kwartaal op aanvraag beschikbaar.

§

6

Verplichtingen van de instelling

Artikel

10

De instelling:

  • a.

    legt na afloop van ieder subsidiejaar voor 1 juli aan de Minister over:

    • een financieel jaarverslag en een verslag van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd door de instelling, en

    • een financiële verantwoording betreffende de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, voorzien van een accountantsverklaring omtrent de getrouwheid, opgesteld conform een door de Minister vastgesteld controleprotocol;

  • b.

    verstrekt desgevraagd alle op de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, betrekking hebbende inlichtingen;

  • c.

    verleent anderszins alle gevraagde medewerking ter uitvoering van deze regeling;

  • d.

    houdt de bewijsstukken met betrekking tot de kosten van activiteiten, projecten en voorzieningen inzake de schipperszorg ter beschikking van de Minister tot vijf jaar na vaststelling van de subsidie;

  • e.

    toont op verzoek van de Minister de bewijsstukken op één adres;

  • f.

    neemt andere aanwijzingen van de Minister in acht ter zake van de administratie;

  • g.

    verleent op verzoek van de Minister medewerking aan het verrichten van onderzoek naar de besteding van de subsidie; en

  • h.

    doet onverwijld aan de Minister schriftelijk mededeling van:

    • de indiening van een verzoek tot surséance van betaling of faillissement,

    • alle overige omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de subsidie of de doelmatige aanwending daarvan.

§

7

Vaststelling van de subsidie

Artikel

11

De Minister stelt jaarlijks voor 1 september de subsidie over het voorgaande jaar vast aan de hand van de in dat jaar uitgevoerde werkzaamheden en bepaalt zo nodig de wijze van terugvordering of verrekening.

§

8

Gehele of gedeeltelijke intrekking van de subsidie

Artikel

12

§

9

Toezicht

Artikel

13

Artikel

14

§

10

Evaluatiebepaling

Artikel

15

Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze regeling stelt de Minister een verslag vast over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

§

11

Slotbepalingen

Artikel

16

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1996.

Artikel

17

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling schipperszorg binnenvaart.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage
De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink