De aanvrager van het praktijk-examen dient blijk te geven in staat te zijn na te gaan of er met het examenvoertuig veilig gereden kan worden. De hierna genoemde punten komen aan de orde:
a.
het verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b.
het afstellen van de spiegels en, indien aanwezig, de hoofdsteun en de veiligheidsgordel;
c.
nagaan of de portieren gesloten zijn.
Artikel
2
Naast de punten van artikel 1 moet de aanvrager in staat zijn een selectie van de hierna genoemde handelingen uit te voeren:
a.
controle van de banden en bandenspanning;
b.
controle van de verlichting, reflectoren en richtingaanwijzers;
c.
controle van de stuurinrichting;
d.
controle van de positie en functie van de diverse bedieningsorganen, schakelaars, controlelampjes en meters;
e.
controle van de remmen;
f.
controle van het oliepeil;
g.
controle van de claxon;
h.
controle van de koelvloeistof, remvloeistof en ruitensproeiervloeistof.
Artikel
3
Tijdens het praktijk-examen dient de aanvrager blijk te geven in staat te zijn om in verkeerssituaties op veilige wijze:
a.
de kant van de weg of de parkeerruimte te verlaten;
b.
op het juiste weggedeelte en met aanpassing van de snelheid aan de weg- en verkeersomstandigheden aan het verkeer deel te nemen;
c.
te rijden op rechte weggedeelten;
d.
bochten te rijden;
e.
afstand te houden ten opzichte van andere voertuigen;
f.
van rijstrook te veranderen en andere zijdelingse verplaatsingen uit te voeren;
g.
andere weggebruikers in te halen, alsook obstakels voorbij te rijden;
h.
juist te handelen ten opzichte van tegenliggers, ook bij wegversmallingen;
i.
door overige weggebruikers tegemoet gekomen en ingehaald worden;
j.
in diverse omstandigheden in te halen;
k.
een overweg te naderen en op te rijden;
l.
te rijden nabij en op bijzondere weggedeelten, zoals woonerven, voetgangersoversteekplaatsen, tram- en bushaltes;
m.
een kruispunt te naderen en op te rijden;
n.
rechts of links af te slaan bij kruispunten of om de weg te verlaten;
o.
de invoegstrook van de doorgaande rijbaan op te rijden (invoegen) en van de doorgaande rijbaan de uitvoegstrook (uitvoegen);
p.
een rotonde te berijden;
q.
een aantal bijzondere verrichtingen (vaardigheden) uit te voeren met het voertuig.
Artikel
4
De aanvrager dient tijdens het praktijk-examen blijk te geven inzicht te hebben ten aanzien van de in artikel 3 genoemde handelingen en manoeuvres door middel van:
a.
het letten op tekens en overige aanduidingen op de weg;
b.
het tijdig en op juiste wijze geven van signalen aan de overige weggebruikers en tijdig en op juiste wijze te reageren op signalen van de overige weggebruikers;
c.
het adequaat reageren in gevaarlijke situaties;
d.
het tijdig en op juiste wijze reageren op tekens en aanwijzingen van verkeersagenten e.d.;
e.
het naar behoren rekening te houden met andere weggebruikers, met name kwetsbare weggebruikers als voetgangers, fietsers e.d., en op te letten in situaties waarin ander verkeer kan worden verwacht (kijkgedrag);
f.
rekening te houden met weg- en weersomstandigheden;
g.
het op de juiste wijze verlenen van voorrang aan bestuurders en het voor laten gaan van weggebruikers die daar recht op hebben;
h.
het innemen van de juiste plaats op de weg voor het uitvoeren van voorgenomen handelingen zoals inhalen, afslaan en stoppen, en het daarvoor geschikte dan wel bestemde weggedeelte te kiezen;
i.
het houden van voldoende volgafstand ten opzichte van de overige bestuurders en weggebruikers;
j.
te rijden met een veilige, aan de verkeersomstandigheden aangepaste snelheid en daarbij de geldende maximumsnelheid niet te overschrijden.
Artikel
5
De aanvrager dient bij het uitvoeren van de in de artikelen 3 en 4 genoemde examenonderdelen blijk te geven:
a.
het ontkoppelings- en schakelmechanisme van het voertuig op juiste en economische wijze te bedienen;
b.
op juiste wijze zowel versnellend als vertragend over te schakelen;
c.
zowel de gastoevoer als de remorganen van het voertuig op juiste en economische wijze te bedienen;
d.
de verlichtings-, waarschuwings- en andere hulpapparatuur tijdig en op de juiste wijze te bedienen;
e.
het voertuig behoorlijk te beheersen door het tonen van voldoende stuurvastheid;
f.
onder alle omstandigheden rekening houden met de aard en omvang van het voertuig en de beperkingen van het gezichtsveld;
g.
tijdig en op doelmatige wijze de snelheid van het voertuig te vertragen, te remmen en te stoppen.
Artikel
6
De in artikel 3, onder q, bedoelde bijzondere verrichtingen bestaan voor de categorie B uit:
a.
het op juiste en veilige wijze in- of uitstappen;
b.
het in een rechte lijn achteruit rijden;
c.
het achteruitrijden van aangegeven bochten (bocht achteruit);
d.
het achteruit inparkeren van het voertuig;
e.
het op juiste wijze parkeren van het voertuig op een evenwijdig ten opzichte aan de weg gelegen parkeerruimte (file parkeren);
f.
het op juiste wijze keren van het voertuig door middel van steken op een niet te brede weg (straatje keren);
g.
het met het voertuig maken van een halve draai in een vloeiende beweging binnen een beperkte ruimte (keren);
h.
het voertuig zonder fouten op een helling tot stilstand brengen en weer optrekken (hellingproef);
i.
het op juiste wijze beproeven van de werking van de remmen;
j.
het na afloop van de rit uitvoeren van de noodzakelijke controlehandelingen zowel aan als in het voertuig.
Artikel
7
De in artikel 3, onder q, bedoelde bijzondere verrichtingen bestaan voor de categorie E bij B uit:
Het CBR verstrekt na afloop van het praktijk-examen aan de aanvrager een uitslagformulier waarop het resultaat van het examen is vermeld. Bij een onvoldoende examen zal tevens worden aangegeven aan welke eisen niet werd voldaan.
Artikel
9
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 1996.
Artikel
10
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen praktijk-examens B en E bij B.
Deze regeling zal worden geplaatst in de Staatscourant.
’s-Gravenhage
De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink