ARTIKEL
I
WIJZIGING VAN DE WET OP HET BASISONDERWIJS
Wijzigt de Wet op het basisonderwijs.
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Wijzigt de Wet op het basisonderwijs.
Wijzigt de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.
Voor zover toepassing is gegeven aan artikel 96, vijfde lid, van de Wet op het basisonderwijs onderscheidenlijk artikel 93, vijfde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, zoals deze artikelen luidden op de dag voor inwerkingtreding van deze wet:
vindt de vergoeding waarop tot die dag aanspraak bestaat, plaats overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 100, derde lid, van de Wet op het basisonderwijs onderscheidenlijk artikel 97, derde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, zoals deze luidden op die dag, en
dient het bevoegd gezag dat de vergoeding krachtens het onder a bepaalde ontvangt, de met die vergoeding samenhangende verplichtingen te voldoen.
Indien in het geval, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, de vergoeding voor de kosten van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het basisonderwijs onderscheidenlijk artikel 90, eerste lid, onderdeel a, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, betrekking hebben, door het Rijk is verstrekt aan het bevoegd gezag dat geen eigenaar is van een schoolgebouw, draagt dat bevoegd gezag die vergoeding, onder aftrek van de reeds bestede gelden en voor zover die vergoeding niet op grond van een overeenkomst als bedoeld in artikel 96, vierde lid, van de Wet op het basisonderwijs onderscheidenlijk artikel 93, vierde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs bij dat bevoegd gezag dient te blijven, binnen 3 maanden na de inwerkingtreding van deze wet over aan de eigenaar van het schoolgebouw.
In afwijking van het bepaalde in artikel 135, derde lid onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 129, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra, en artikel 244, derde lid, onderdeel b, van de Wet op het voortgezet onderwijs wijst Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het verzoek tot 1 januari van het derde jaar volgend op de inwerkingtreding van deze wet, af indien de bijzondere omstandigheden niet het gevolg zijn van een aanmerkelijke afwijking van de omvang van de componenten van de voorziening ten aanzien waarvan de bijzondere omstandigheden zouden bestaan.
Indien de rijksvergoeding voor de kosten van de materiële instandhouding ten behoeve van de scholen van een bevoegd gezag waarop voor het jaar waarin deze wet in werking treedt, aanspraak zou bestaan, 3% of meer lager, onderscheidenlijk 3% of meer hoger is dan de rijksvergoeding waarop voor dat jaar aanspraak zou bestaan op grond van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs alsmede de op die wetten gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, zoals deze wetten en besluiten luidden voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, wordt de rijksvergoeding
voor het jaar waarin deze wet in werking treedt, vermeerderd met 100% van het verschil, onderscheidenlijk verminderd met 100% van het verschil,
voor het eerste jaar volgend op het jaar waarin deze wet in werking treedt, vermeerderd met 66,6% van het verschil, onderscheidenlijk verminderd met 66,6% van het verschil, en
voor het tweede jaar volgend op het jaar waarin deze wet in werking treedt, vermeerderd met 33,3% van het verschil, onderscheidenlijk verminderd met 33,3% van het verschil.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van:
de gegevens omtrent de huisvesting naar de toestand op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin deze wet in werking treedt,
de gegevens omtrent de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op grond van de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in artikel 51 van de Wet op het basisonderwijs en artikel 59 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen op de peildatum 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin deze wet in werking treedt,
het aantal leerlingen op de peildatum 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin deze wet in werking treedt, en
de programma's van eisen, vastgesteld ten behoeve van het jaar waarin deze wet in werking treedt.
Voor een school als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, geldt met betrekking tot het derde lid, onderdeel c, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs in plaats van «het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin deze wet in werking treedt»: het gemiddelde van de hoogste dagtellingen volgens het register, bedoeld in artikel 93c, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs in elk van de maanden september van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt, tot en met april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop deze wet in werking treedt.
De onderdelen b en c van het eerste lid vinden geen toepassing indien zonder die onderdelen geen rijksvergoeding voor de in die onderdelen bedoelde jaren aan het bevoegd gezag zou worden toegekend.
Bij de toepassing van het eerste lid worden buiten beschouwing gelaten:
de vergoedingen voor de kosten van de materiële instandhouding van de ruimten voor het onderwijs in lichamelijke oefening, en
de vergoedingen voor componenten in de programma's van eisen voor het jaar waarin deze wet in werking treedt die niet zouden voorkomen in de programma's van eisen zoals deze zouden worden vastgesteld op basis van de wetgeving zoals luidend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet en de wet van 4 juli 1996, Stb. 402, en omgekeerd.
Voor de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 juli 1997 wordt de vergoeding die overeenkomstig de artikelen 95a en 102 van de Wet op het basisonderwijs, onderscheidenlijk 92b en 99 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs wordt verleend, vastgesteld op de vergoeding voor de materiële instandhouding van een ruimte voor onderwijs in lichamelijke oefening waarop voor die periode aanspraak zou hebben bestaan op grond van de regelgeving zoals die luidde ten behoeve van de vergoeding voor de periode van 1 augustus 1996 tot en met 31 december 1996, met dien verstande dat de vergoeding wordt aangepast overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het jaar 1996 en het jaar 1997.
Met betrekking tot de vergoeding op grond van artikel XII van de wet van 31 mei 1995, houdende wijziging van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en van enkele andere wetten inzake samenvoeging van de schoolsoorten onderwijs aan blinde kinderen en onderwijs aan slechtziende kinderen tot de schoolsoort onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen (Stb. 1995, 319) wordt nagegaan op welk bedrag een instelling in het jaar 1997 recht zou hebben indien in dat jaar op de instelling de artikelen 89 tot en met 92, 93, 97 en 98 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, zoals luidend met ingang van 1 januari 1997, van toepassing zouden zijn. Indien dit bedrag hoger is dan het bedrag waarop de instelling op grond van voornoemd artikel XII recht zou hebben bij ongewijzigde toepassing van artikel XII, wordt voor het jaar 1997 het hogere bedrag vergoed en wordt dit hogere bedrag als basis genomen voor de aanpassing van de vergoeding als bedoeld in het tweede lid van voornoemd artikel XII ten behoeve van de jaren 1998 en 1999.
Wijzigt de Tijdelijke wet bekostiging nieuwe basisscholen.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen stelt de programma's van eisen, bedoeld in de Wet op het basisonderwijs en in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals deze wetten luiden na de inwerkingtreding van deze wet, vast voor 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het in artikel XI, aanhef, bedoelde jaar.
Wijzigt de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.
Wijzigt deze wet.
Wijzigt deze wet.
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar, met dien verstande dat
artikel I, voor zover het betreft artikel 101, vijfde lid, en artikel II, voor zover het betreft artikel 98, vijfde lid, in werking treden met ingang van de tweede dag na inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, van die artikelen, en
artikel VII in werking treedt met ingang van 1 september van het jaar voorafgaande aan het in de aanhef bedoelde jaar.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.