Artikel
1
1
In de periode van 1 juli 1996 tot en met 31 december 1999 kunnen de gemeenten Almelo, Arnhem, Breda, Deventer, Eindhoven, Enschede, Groningen, Helmond, Hengelo, ’s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Maastricht, Nijmegen, Tilburg en Zwolle, op basis van het convenant dat het kabinet en de besturen van deze gemeenten met elkaar hebben afgesloten in het kader van het grote-stedenbeleid, ten behoeve van de financiering van hun actieplannen ’Jeugd en Veiligheid’ een bijdrage ontvangen.
2
Het bedrag dat de in het eerste lid genoemde gemeenten per jaar ten hoogste kunnen ontvangen, staat vermeld in de bijlage bij deze regeling.
3
Het gemeentebestuur van de genoemde gemeenten besteedt de aan hem uitgekeerde bijdrage als aanvullende financiering van zijn jaarlijkse actieplan ’Jeugd en Veiligheid’. Deze actieplannen vormen een operationalisatie van de output-afspraken die in het convenant terzake Jeugd en Veiligheid zijn gemaakt. Over de actieplannen is in ieder geval overleg gevoerd met het Openbaar Ministerie en de Raad voor de Kinderbescherming.
4
Het gemeentebestuur biedt jaarlijks voor 15 oktober een uitgewerkt, samenhangend actieplan voor het komende jaar aan aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
5
Het gemeentebestuur zal met ingang van 1997 jaarlijks voor 15 oktober aan de minister van Binnenlandse Zaken rapporteren over de stand van zaken betreffende de uitvoering van zijn actieplan in relatie tot het realiseren van de output-afspraken. Op het moment dat de audit, zoals overeengekomen in het convenant ’Steden staan voor Stedelijkheid’ d.d. 30 oktober 1995, toegepast wordt, gelden de uitkomsten van de audit, vanaf het voor die audit afgesproken tijdstip, als de hiervoor bedoelde rapportage.