Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs 1997-2000

De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen,
Overwegende, dat het van belang is te komen tot meer samenhang tussen de instellingen voor hoger onderwijs in het gehele gebied van de grenslanden: Bremen, Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen en Nederland, uiteindelijk uitmondend in een open onderwijsruimte op Europees niveau;

Besluit:

Artikel

1

Begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • de minister:

    de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen;

  • instelling:

    een universiteit of hogeschool als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met uitzondering van de Open Universiteit;

  • grenslanden:

    Bremen, Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen en Nederland.

Artikel

2

Doelomschrijving

De subsidie wordt verstrekt voor meerjarige samenwerkingsprogramma's van substantiële omvang voor onderwijs in de initiële fase en, voor zover onderdeel uitmakend van samenwerkingsprogramma's substantiële omvang en bij voorkeur openstaand voor studenten uit de laatste jaren van de initiële fase, wordt ook subsidie verstrekt aan het onderwijs in de post-initiële fase voor onderwijs aan aio's, oio's en andere (beurs-) promovendi, die ten doel hebben:

  • a.

    Het tot stand brengen en versterken van structurele, bestuurlijke samenwerking tussen op geringe geografische afstand van elkaar liggende instellingen aan weerszijden van de grens, opdat het bestaande onderwijspotentieel zo goed mogelijk benut wordt, onder meer door het opzetten van gemeenschappelijke curricula en het laten ontstaan van transnationale verbanden van onderwijs.

  • b.

    Het door bestuurlijke samenwerking tot stand brengen van een extra kwaliteit - een meerwaarde - in het onderwijs, die tot uitdrukking komt in beter opgeleide studenten, die meer dan tot nu toegerust zijn voor de arbeidsmarkt in dit gebied, omdat zij met verschillende culturen hebben leren omgaan en meerdere talen spreken.

Artikel

3

Doelgroep

De subsidie wordt verstrekt aan instellingen.

Artikel

4

Te ondersteunen activiteiten

Tot de te ondersteunen activiteiten van een samenwerkingsprogramma worden in ieder geval gerekend:

  • a.

    activiteiten die leiden tot het realiseren van een structurele, bestuurlijke samenwerking tussen instellingsbesturen van samenwerkende instellingen, eventueel uitgebreid met andere relevante maatschappelijke instituties;

  • b.

    activiteiten die leiden tot grensoverschrijdende onderwijskundige samenwerking zoals:

    • activiteiten inzake de ontwikkeling van studieprogramma's,

    • het creëren van een organisatorisch kader waarbinnen mobiliteit kan plaatsvinden,

    • gemeenschappelijke ontwikkeling van ge‹ntegreerde taalcursussen,

    • bijscholing van docenten,

    • roulatie van gastdocenten,

    • gezamenlijke onderwijsmodules, en

    • gezamenlijke opleidingen.

Artikel

5

Subsidiebedrag

Artikel

6

Begrotingsvoorbehoud

De verlening van de subsidie geschiedt onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de wetgever.

Artikel

7

Aanvraag

Artikel

8

Procedure beslissing

Artikel

9

Toetsingsgronden

Voor toewijzing van subsidie voor het samenwerkingsprogramma gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:

  • 1.

    Het programmavoorstel dient vergezeld te gaan van duidelijk bepaalde doelstellingen, die consistent zijn met de doelstellingen van het samenwerkingsprogramma en de verwachte resultaten op middellange termijn, en herbergt in zich een goede kans om deze doelstellingen binnen een redelijke termijn te bereiken.

  • 2.

    Er dient bestuurlijke en onderwijskundige samenwerking te worden nagestreefd op terreinen die in grote mate complementair zijn aan bestaande (EU-)programma's voor internationalisering. Er wordt bij voorkeur voortgebouwd op reeds bestaande contacten tussen instellingen. Er worden nieuwe samenwerkingsrelaties aangegaan met de bedoeling een duurzame relatie op te bouwen. De comparatieve voordelen van grenslandensamenwerking worden optimaal benut, waarbij de geografische afstand tussen de samenwerkende instellingen voor de Nederlandse overheid een belangrijk criterium is. Het programma is van substantiële omvang, onder meer blijkend uit de meerjarige programmaduur en leidt tot structurele bestuurlijke en onderwijskundige samenwerking. Aanvragen voor ondersteuning van onderwijs aan aio's, oio's en andere (beurs)promovendi worden uitsluitend in behandeling genomen indien zij onderdeel uitmaken van genoemd programma van substantiële omvang, en bij voorkeur ook open staan voor studenten uit de laatste jaren van de initiële fase.

  • 3.

    Het programmavoorstel geeft bij de voorgestelde activiteiten aan wat de meerwaarde hiervan is voor de eigen instelling en de regio en hoe hiervan een uitstraling kan uitgaan naar andere maatschappelijke sectoren in de grensregio.

  • 4.

    Het programmavoorstel betreft ten minste de samenwerking met een instelling aan de andere zijde van de grens, waarmee een nieuwe, bestuurlijke samenwerkingsovereenkomst wordt gesloten of is gesloten, waarbij het college van bestuur van de Nederlandse instelling aanspreekpunt is voor de minister, onder meer blijkend uit voorgelegde bewijsstukken van institutionele steun van de deelnemende instellingen. Ook dienen bewijsstukken te worden overgelegd, waaruit blijkt dat het projectvoorstel ten minste gesteund wordt vanuit de overheid van de buitenlandse partnerinstelling.

  • 5.

    De activiteiten die in het kader van de samenwerking worden voorgesteld blijven binnen de nationale wet- en regelgeving, waarbij overigens wel kan worden aangegeven welke eventuele wettelijke hindernissen er zijn, en mogelijke oplossingsrichtingen kunnen worden aangedragen.

  • 6.

    Het programmavoorstel bezit innoverend potentieel voor leerplanontwikkeling, verspreiding van informatie en productie van leermaterialen of de bijscholing van docenten, waardoor er vanuit het samenwerkingsprogramma een zodanige stimulerende werking uitgaat dat meerdere samenwerkingsprogramma's kunnen ontstaan.

  • 7.

    Het programmavoorstel dient gebaseerd te zijn op een heldere planning en te beschikken over een degelijke organisatiestructuur, waarbij van belang is dat:

    • a.

      sprake is van co-financiering vanuit de participerende Nederlandse en buitenlandse instelling(en);

    • b.

      de meerkosten van het opstarten of intensiveren, daarin begrepen de aanloopkosten van de samenwerking expliciet worden gemaakt;

    • c.

      slechts in zeer bescheiden mate infrastructurele investeringen worden ondersteund, en dan alleen die op het gebied van informatie- en communicatietechnologie;

    • d.

      alleen het creëren van een organisatorisch kader waarbinnen mobiliteit van studenten en docenten kan plaatsvinden, wordt ondersteund, tenzij het gaat om het op gang brengen van de mobiliteit, waarvoor een bescheiden ondersteuning wordt geboden;

    • e.

      sprake is van een onderbouwde planning en begroting, zowel betreffende vereiste menselijke en als financiële middelen, waarbij een uitsplitsing wordt gemaakt naar de financieringsbronnen van het gehele programma, inclusief de bijdrage van de buitenlandse partner en overheid;

    • f.

      sprake is van een centrale programma-administratie voor het hele samenwerkingsprogramma, op zodanige wijze dat nagegaan kan worden welke samenwerkingsactiviteiten er gefinancierd zijn;

    • g.

      sprake is van organisatorische samenhang tussen de uitvoerende faculteiten binnen de instelling en gelijkgerichtheid in de aanpak en de programma-administratie.

Artikel

10

De minister wijst de aanvraag in ieder geval af, indien niet voldoende wordt voldaan aan de bepalingen van deze regeling, of indien de adviezen van de externe deskundigen of van de collega grenslandenministers daartoe aanleiding geven.

Artikel

11

Doel van de besteding

De subsidie wordt uitsluitend besteed aan activiteiten als bedoeld in artikel 4.

Artikel

12

Verslag en verantwoording

Artikel

13

Sanctiebepaling

Indien blijkt dat de subsidie niet dan wel niet geheel is besteed overeenkomstig het bepaalde in artikel 11, kan de minister het desbetreffende deel van de subsidie terugvorderen.

Artikel

14

Bekendmaking

Deze regeling zal met toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel

15

Inwerkingtredings- en overgangsbepaling

Artikel

16

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs 1997-2000.

dr. ir. J.M.M. Ritzen