-
a.
de Stichting legt de regels ten aanzien van de wijze waarop de samenstelling van het percentage, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, van de wet, moet worden kenbaar gemaakt, vooraf aan Onze Minister voor;
-
b.
de Stichting legt schriftelijke afspraken met buitenlandse bevoegde autoriteiten, ten behoeve van de in artikel 10, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde informatie-uitwisseling aan Onze Minister ter instemming voor. Deze instemming kan slechts worden onthouden indien naar het oordeel van Onze Minister de belangen die worden gediend door verdragen tot informatie-uitwisseling die het Koninkrijk met andere staten heeft gesloten, dan wel het algemeen belang zich tegen die afspraken verzetten;
-
c.
de Stichting bepaalt in schriftelijke afspraken als bedoeld in onderdeel b, die worden gemaakt met bevoegde autoriteiten uit een staat waarmee het Koninkrijk geen verdrag tot informatie-uitwisseling op het door de wet bestreken terrein heeft gesloten, dat die afspraken bij de totstandkoming nadien van een dergelijk verdrag met die staat wederom aan Onze Minister ter instemming zullen worden voorgelegd, teneinde die afspraken aan bedoeld verdrag te toetsen;
-
d.
instemming als bedoeld in de onderdelen b en c wordt geacht te zijn verleend indien Onze Minister de schriftelijke afspraken niet heeft afgewezen binnen 30 dagen na ontvangst van het voorstel daartoe of, indien Onze Minister om nadere inlichtingen heeft verzocht, binnen 30 dagen na ontvangst daarvan;
-
e.
van de schriftelijke afspraken, bedoeld in de onderdelen b en c, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant;
-
f.
de Stichting verstrekt aan Onze Minister desgevraagd inlichtingen, voor zover zij daarover uit hoofde van de wet beschikt of kan beschikken, die van belang kunnen zijn voor de regels bedoeld in artikel 12 van de wet.