Artikel
1
In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
Om in het krachtens artikel 3 van de wet ingestelde register van artsen te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een door een universiteit als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek uitgereikt getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot arts die voldoet aan artikel 3 van dit besluit.
De opleiding tot arts is erop gericht dat de betrokkene de kennis, het inzicht en de vaardigheden verwerft op het niveau van de algemene eindtermen, bedoeld in bijlage 1 bij dit besluit, in samenhang met de lijst van problemen, bedoeld in bijlage 2 bij dit besluit.
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleidingseisen arts.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De mens op somatisch, psychisch en sociaal gebied:
kennis van de somatische, psychische en sociale structuur en functies van mannen en vrouwen;
kennis van de normale levensfasen en de mogelijk verstorende factoren daarin;
inzicht in menselijk gedrag in verschillende omstandigheden met name in probleemsituaties en bij hulpvragen.
Probleemherkenning en -omschrijving:
het kijken en luisteren naar de patiënt, naar de zin die de patiënt zelf aan de klacht geeft, waardoor een indruk van wensen en verwachtingen van de patiënt gekregen wordt;
het inventariseren van het probleem en hulpvraag van de patiënt;
het interpreteren van de hulpvraag naar urgentie (en zo nodig direct kunnen handelen).
De anamnese:
het opnemen van een anamnese (huidige klacht, voorgeschiedenis, psychische en sociale omstandigheden) waarbij gelet wordt op zowel de medisch-inhoudelijke kant als op communicatieve aspecten;
het verzamelen van zowel systematische als hypothesegerichte amnestische gegevens;
het opnemen van een hetero-anamnese.
Het lichamelijk onderzoek:
het uitvoeren van algemeen lichamelijk onderzoek:
techniek;
systematisch en gericht verzamelen van gegevens;
het herkennen van afwijkingen en symptomen;
het juist benoemen/beschrijven van bevindingen.
De beheersing van het proces van het medisch probleemoplossen gedurende alle hierbovengenoemde stappen (probleemanalyse I):
het interpreteren en evalueren van gegevens uit probleemomschrijving, anamnese, lichamelijk onderzoek en andere bevindingen;
het inschatten van urgentie van benodigd handelen;
het verkennen van de klachten en/of symptomen op somatisch en psychisch vlak;
het beschouwen van de klachten tegen de achtergrond van de patiënt: rekening houdend met de patiënt als uniek individu (eigen manier van klachten waarnemen, interpreteren en uiten, sekseverschil in ziekte, culturele achtergrond, sociale context, voorgeschiedenis), met gegevens van epidemiologische aard en met de wederzijdse beïnvloeding van arbeid, gezondheid en ziekte;
het opstellen van een probleemlijst, differentiële diagnose, waarschijnlijkheidsdiagnose dan wel werkhypothese;
het besluiten, aan de hand van inzicht in eigen mogelijkheden en beperkingen, het patiëntenprobleem verder aan te pakken óf weten via welke andere weg het probleem benaderd kan worden.
Het aanvullende onderzoek:
het stellen van de indicatie voor eventueel aanvullend onderzoek, waarbij in de afweging tussen wel/geen aanvullend onderzoek rekening wordt gehouden met de te verwachten opbrengst (inclusief fout-positieve/fout-negatieve uitkomsten), het al dan niet hebben van consequenties voor het verdere besluitvormingsproces, de wensen van de patiënt, de belasting voor de patiënt, de eventuele complicaties en de kosten;
het, zo nodig en zo mogelijk, protocollair te werk kunnen gaan;
het hebben van kennis van de aan te vragen diagnostische mogelijkheden, en de principes van de uitvoering daarvan;
het interpreteren en evalueren van de uitslag van onderzoek;
het niet alleen oog hebben voor gezochte gegevens maar ook voor «toevalsbevindingen».
De beheersing van het proces van het medisch probleemoplossen gedurende alle hierbovengenoemde stappen (probleemanalyse II):
het opnieuw leggen van verbanden tussen gegevens uit probleemomschrijving, anamnese, lichamelijk onderzoek en eventueel verricht (aanvullend) onderzoek;
het inschattten van urgentie van benodigd handelen;
het gemotiveerd komen tot een (waarschijnlijkheids)diagnose die als uitgangspunt kan dienen voor de advisering of er therapie nodig is;
het opnieuw analyseren van het probleem als er in dit stadium nog geen (waarschijnlijkheids)diagnose gesteld kan worden;
het nagaan of de probleemanalyse aansluit bij hulpvraag patiënt.
Het opstellen van een beleidsplan:
– het in overleg met de patiënt kiezen uit (en weet hebben van) de verschillende beleidsmogelijkheden, op basis van hulpvraag van de patiënt en de bevindingen van het diagnostisch proces. Bij deze keus wordt rekening gehouden met het verwachte effect vergeleken met het natuurlijk beloop, patiëntgebonden factoren (zoals leeftijd, voorkeur en wensen van de patiënt, persoonlijke en gezinsomstandigheden, therapie-trouw), mogelijke neveneffecten, complicaties, de continuïteit van de zorg, eventuele co-morbiditeit en kosten.
Het op «maat» vorm geven van het beleidsplan:
bij alle vormen van therapie:
rekening houden met invloeden die het instellen van therapie positief en negatief kunnen beïnvloeden (onder andere inschatten van mate van therapietrouw, persoonlijke omstandigheden enz.);
bepalen van het therapeutisch doel;
afwegen van wel of geen therapie en de keus tussen de verschillende therapeutische mogelijkheden, waarin ook het kostenaspect betrokken wordt;
bepalen welke instructies aangaande de therapie aan de patiënt verstrekt moeten worden evenals bepalen welke informatie omtrent werking en bijwerkingen aan de patiënt gegeven moeten worden;
zo nodig en zo mogelijk, protocollair te werk kunnen gaan
indien gekozen wordt voor therapie, deze kunnen uitvoeren naar de standaard van het vak.
tijdens het therapeutisch gesprek:
geruststellen;
uitleg geven wat er aan de hand is en waarom (nog geen) verdere actie wordt ondernomen;
een psychosociale genese bespreekbaar maken.
adviseren en voorlichten bij gezondheid en ziekte ten aanzien van:
leefwijze;
werk;
gedrag;
voeding;
en andere relevante omstandigheden.
farmacotherapie:
kennis van de grondbeginselen van de farmacologie en farmacotherapie;
kennis van de praktische aspecten van het voorschrijven van geneesmiddelen (met inbegrip van wettelijke bepalingen);
het kiezen van het geneesmiddel (onder andere rekening houdend met leeftijd, geslacht en omgevingsfactoren van de patiënt, evt. zwangerschap, acceptatie van patiënt, contra-indicaties, interacties, bijwerkingen en gevaar voor medicalisering);
het kiezen van de toedieningsvorm, de dosering, dosis-intervallen en de therapieduur;
het schrijven van een recept;
het gebruiksklaar maken en (parenteraal) toedienen van het geneesmiddel;
het herkennen van intoxicaties en bijwerkingen.
acute hulpverlening:
– het kunnen handelen op minstens eerste hulp niveau (zoals thans omschreven in het Oranje Kruisboek).
verwijzen/consultatie:
het naar de juiste persoon/instantie kunnen verwijzen zowel in eerste als in tweede lijn en de mate van urgentie hierbij bepalen;
het schrijven van een verwijsbrief (met een gerichte vraagstelling en duidelijke informatie);
het schrijven van een brief met verzoek om informatie aan andere hulpverleners;
het via intercollegiale contacten consultatie vragen.
kennis hebben van:
paramedische interventie;
(enige kennis van) alternatieve geneeswijzen.
Het evalueren van het behandelingsresultaat:
het bepalen hoe en wanneer een therapie geëvalueerd moet worden;
het tijdens de evaluatie beoordelen van:
beantwoording hulpvraag patiënt;
bereiken van beoogde effect;
eventuele neveneffecten;
complicaties;
therapietrouw;
het trekken van conclusies naar aanleiding van de evaluatie (zonodig heroverwegen) of de diagnose wel de juiste is, zonodig opnieuw analyse van het probleem, zonodig bijstellen van het beleidsplan;
het opstellen van een plan voor follow-up.
De begeleiding van de patiënt:
de patiënt zoveel mogelijk op zijn gemak stellen;
het geven van uitleg (op een wijze dat er steeds gecontroleerd wordt of de patiënt begrijpt wat er gezegd wordt en rekening houdend met eventuele voorkennis of angst) over:
leefwijze en invloed van sociale situatie en werkomgeving;
bevindingen van anamnese en lichamelijk onderzoek;
redenen, uitvoering, risico's van voorgenomen diagnostische onderzoeken en de kans dat het diagnostisch proces iets behandelbaars of andere voor de patiënt nuttige informatie oplevert;
bevindingen van aanvullend onderzoek;
aard van de ziekte en de consequenties van de ziekte voor de patiënt;
therapeutische opties, met hun voor- en nadelen, uitvoering, risico's en eventuele bij-effecten;
behandelingsresultaten, verdere ziektebeloop;
het bij de besluitvorming betrekken van:
de eigen visie van de patiënt, persoonlijke omstandigheden en wensen van de patiënt (of bij wilsonbekwame patiënten die van familieleden/verzorgers/gemachtigden);
de betekenis van de diagnostische en therapeutische opties voor de patiënt en zijn omgeving;
de mogelijkheden die er zijn betreffende zelfzorg, mantelzorg en thuiszorg;
de medewerking en de «eigen verantwoordelijkheid» van de patiënt stimuleren;
kennis gemaakt hebben met:
het voeren van een slecht-nieuws gesprek;
het begeleiden van patiënt en/of partner, vriend(inn)en en familie, ondermeer na het brengen van slecht nieuws;
het begeleiden van chronisch en ongeneeslijk zieken;
stervensbegeleiding.
Verslaglegging en registratie:
het toetsbaar, eenduidig interpreteerbaar en leesbaar vastleggen van:
de hulpvraag van de patiënt;
de risicofactoren;
de bevindingen bij het diagnostisch proces (anamnese, lichamelijk onderzoek, probleemlijst, differentiële diagnose, eventueel aanvullend onderzoek);
de ingestelde therapie;
alle argumenten en overwegingen zowel in het diagnostisch als het therapeutisch proces;
de bevindingen bij het evalueren van het behandelings-resultaat;
van de aan patiënt/partners/vriend(inn)en gedane mededelingen;
het oordeel van de patiënt;
het mondeling en schriftelijk overdragen van de relevante gegevens;
het onderhouden van een medisch dossier, rekening houdend met inzagerecht en privacy van de patiënt;
kennis van verschillende vormen van verslaglegging.
Preventie:
kennis van de gezondheidsrisico's op zowel individueel als collectief niveau en van de effecten van preventieve maatregelen;
kennis van veel voorkomende relaties tussen omgevingsfactoren en ziekten;
bekend zijn met enkele methodes van opsporing van gezondheidsproblemen en -bedreigingen alsmede met enkele methodes van opsporing van risico-patiënten zoals screening, periodiek geneeskundig onderzoek, case-finding, screening binnen de eigen patiëntenpopulatie, monitoring, collectieve preventieprogramma's waaronder bevolkingsonderzoek;
kennis van enkele vormen van primaire (vaccinatie), secundaire (screening) en tertiaire preventie (medische zorg, sociaal-medische ondersteuning en begeleiding);
het meewerken aan het bewaken van de gezondheid op zowel individueel als collectief niveau.
De grondbeginselen van wetenschappelijk onderzoek:
bekend zijn met:
algemene principes, methoden (waaronder die met betrekking tot gegevensverzameling), concepten van wetenschappelijk onderzoek;
beginselen van statistiek;
verslaglegging, interpreteren en evalueren van onderzoek;
door actieve deelname kennis gemaakt hebben met de denkwijze van wetenschappelijk onderzoek.
De betekenis van het wetenschappelijk denken voor het handelen van de arts:
Kennis van de wetenschappelijke achtergronden van:
ziekteleer, symptomatologie en diagnostiek, therapie en prognose;
epidemiologie;
preventieve gezondheidszorg;
het systematisch kunnen benaderen van een gezondheidsprobleem door:
besliskundetheorieën;
modellen;
theorieën over hypothesevorming en probleemoplossen;
het in staat zijn tot het kritisch benaderen van wetenschappelijke gegevens, door:
een kritische houding ten opzichte van de medische professie: bewustzijn van de grenzen van de professie en op welke wetenschap deze professie is gebaseerd;
het toepassen van bepaalde bewijsregels en wetten van de logica op klinische- en onderzoeksgegevens om zo hun validiteit en bruikbaarheid te kunnen inschatten.
Het bevorderen en onderhouden van de vakbekwaamheid:
het uit de literatuur of andere bronnen kunnen opsporen, beoordelen en overdragen van informatie, die beroepshalve van belang is.
Daartoe behoort:
relevante literatuur actief opsporen (bijvoorbeeld bibliotheek, computersearch);
een selectie maken uit relevante vakliteratuur en deze literatuur bijhouden;
in staat zijn medische literatuur kritisch te lezen en op zijn waarde te schatten;
vakliteratuur kunnen refereren;
het dragen van verantwoordelijkheid voor de eigen nascholing:
zich ervan bewust zijn dat na de artsopleiding direct verdere scholing nodig is;
eigen blinde vlekken en/of lacunes in de beroepsuitoefening kunnen opsporen en trachten deze (via nascholing of anderszins) op te heffen;
nieuw verworven inzichten kunnen toepassen.
De arts–patiënt relatie:
het kunnen blijk geven van een onbevooroordeelde, begrijpende en betrouwbare houding ten aanzien van patiënten, ongeacht hun sekse, ras, levensfase, sociale en economische status, opleiding, cultuur, sexuele geaardheid en levensovertuiging;
het streven naar een zo gelijkwaardig mogelijke arts–patiënt relatie;
het kunnen omgaan met eigen gevoelens, remmingen, normen en waarden in relatie tot bepaalde gevoelens, opgeroepen door contact met een patiënt (of iemand in de directe omgeving) zoals gevoelens van erotiek, irritatie, afkeer, schaamte etc.;
het kunnen omgaan met gevoelens van de patiënt jegens hem;
het luisteren naar wensen en klachten van de patiënt, open staan voor de behoeften en verwachtingen van de patiënt en diens normen en waarden en daarmee rekening houden bij het onderzoek, het advies en de behandeling;
aandacht hebben voor de wijze waarop de patiënt met zijn klacht(en) omgaat;
informatie met tact en empathie kunnen overbrengen in voor de patiënt begrijpelijke taal;
begrip hebben voor de situatie van de patiënt en diens sociale achtergrond. Daarbij persoonlijke belangstelling voor de patiënt en zijn omgeving tonen en bewust zijn van mogelijke gevolgen van ziekte voor de gezinsleden en verdere omgeving (ook werkomgeving) van de patiënt. Voorts wordt er rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de patiënt bij het onderzoek, het advies, de behandeling en de begeleiding;
een functionele relatie met de patiënt kunnen bewaren, ook wanneer de patiënt geïndiceerde diagnostiek of therapie zou afwijzen;
het kunnen signaleren van gevoelens van onvrede aanwezig bij de patiënt en/of zichzelf met betrekking tot de arts–patiënt relatie en deze bespreekbaar maken. De betrokkene kan adequaat reageren als de relatie verstoord is (of dreigt te raken) of te intiem dreigt te worden. Indien adequaat reageren niet meer mogelijk is zoekt hij zelf hulp.
Zich bewust zijn dat voor het functioneren als arts vereist is:
Met betrekking tot persoonlijke eigenschappen:
kunnen omgaan met onzekerheid;
kunnen omgaan met acute situaties;
kunnen omgaan met stress;
kunnen dragen van verantwoordelijkheid;
kunnen onderkennen van eigen beperkingen;
kunnen omgaan met onmachtsgevoelens;
durven nemen van beslissingen;
flexibel kunnen zijn en kunnen omgaan met snel veranderende situaties;
bewaren van zijn financiële onafhankelijkheid ten opzichte van derden.
Met betrekking tot het medisch handelen:
kunnen beoordelen van grenzen en mogelijkheden van de gegeven situatie, van de eigen beroepsuitoefening en van de medische professie in het algemeen;
kunnen omgaan met fouten van zichzelf of anderen, bij eigen fouten deze durven onderkennen tegenover patiënten en collega's en er lering uit kunnen trekken;
kunnen omgaan met complicaties ten gevolge van het klinisch handelen;
vinden van een evenwicht tussen te veel dan wel te weinig medische bemoeienis en zich bewust zijn van de risico's van medicalisering en onderbehandeling;
zich in willen zetten en zich mede-verantwoordelijk voelen voor het lichamelijke, geestelijke en sociale welzijn van mensen en voor alle vormen van gezondheidszorg;
zich verantwoordelijk voelen om zich voortdurend bij te scholen en hierin eigen initiatieven te ontplooien;
onderkennen van eigen gevoelens, normen en waarden in relatie tot existentiële vragen over leven, dood, ziekte en gezondheid en kunnen omgaan met medisch-ethische vragen;
verplicht zijn te handelen naar het medisch beroepsgeheim.
Met betrekking tot het werken in teamverband:
in groepsverband kunnen functioneren;
bereid zijn het eigen medische werk door anderen te laten beoordelen/toetsen en het kunnen geven van een oordeel over het medische werk van anderen;
kunnen omgaan met positieve en negatieve kritiek;
bereid zijn op tijd de mening van anderen te vragen;
hanteren van vaardigheden met betrekking tot overbrengen van informatie, onderhandelen, leiding geven en intercollegiale toetsing;
een collegiale relatie kunnen opbouwen waarbij de betrokkene:
open staat voor samenwerking;
deskundigheid van anderen accepteert;
eigen inbreng en die van anderen kan combineren bij het handelen.
Zich bewust zijn van de wederzijdse beïnvloeding van werk en privéleven en trachten tot een goede afstemming te komen.
Kennis van en inzicht in de structuur en het functioneren van gezondheidszorg:
kenmerken van de intra- en extramurale gezondheidszorg en maatschappelijke zorg;
interacties tussen de intra- en extramurale gezondheidszorg en maatschappelijke zorg;
de invloed en wisselwerking van de structuur van de gezondheidszorg op het functioneren van de arts en de patiënt;
de invloed van de gezondheidszorg op de volksgezondheid;
effecten en evaluatie van groeps- en omgevingsgerichte interventies;
relatie gezondheid, ziekte en arbeid;
de werkwijze, de taken, de deskundigheden en de bevoegdheden van andere beroepsbeoefenaars en hulpverlenende instanties in de gezondheidszorg, zodat de betrokkene:
inzicht heeft in de (gezondheidszorg)voorzieningen ten bate van de patiënt;
in staat is samen te werken en overleg te voeren met anderen in het (gezondheidszorg)systeem;
de beroepsorganisaties en intercollegiale verhoudingen en regels;
maatschappelijke invloeden op gezondheidszorg;
de verschillende patiëntenorganisaties en zelfhulpgroepen en hun plaats in de maatschappij (bijvoorbeeld hulpverlening aan allochtonen, vrouwenhulpverlening).
Kennis van medische ethiek:
het identificeren van ethische aspecten van het klinisch handelen (diagnostiek/therapie/preventie/leefstijlbeïnvloeding);
het verantwoorden en verduidelijken van eigen ethische standpunten;
het bewustzijn van de ethische dimensies van een aantal veel voorkomende klinische problemen, zoals: informeren en besluitvorming, zinvolheid/zinloosheid van medische behandeling, voortplantingstechnologie, levensbekortend medisch handelen, orgaandonatie en schaarsteproblematiek, invloed van levensbeschouwing op behandelbeslissingen;
ethische aspecten van mensgebonden wetenschappelijk onderzoek;
de wijze waarop op institutioneel niveau (ziekenhuis/beroepsorganisatie/overheid) medisch-ethische standpunten worden vormgegeven.
kennis van wettelijke voorschriften:
beroepsgeheim;
informatie en besluitvorming;
informatiesystemen, dossiervorming, inzagerecht;
regelgeving inzake receptuur;
mensgebonden wetenschappelijk onderzoek;
medische keuringen;
aangifteplicht besmettelijke ziekten;
de eigen medische bevoegdheden en de verhouding daarvan met de bevoegdheden van andere hulpverleners (verpleegkundigen, paramedici);
medische aansprakelijkheid;
klacht- en tuchtrecht;
medische beslissingen rond het levenseinde/levensstart;
Wet op de lijkbezorging, met name het verschil tussen natuurlijke en niet-natuurlijke dood.
Globale kennis van de financiële aspecten van de gezondheidszorg:
ziektekosten- en sociaalverzekeringsstelsel;
honoreringssystemen;
financieringssystemen;
kosten van diagnostiek en therapie en de invloed van het verwijsbeleid op deze kosten;
kosten en financiering van preventieve zorg;
het opzetten en onderhouden van een praktijk.
pijn algemeen, niet gespecificeerd
bloedverlies
overgewicht/te dik voelen (adipositas)
gewichtsafname, vermagering
gebrek aan eetlust (anorexie)
eetstoornissen
malnutritie
moeheid
algemene malaise
koorts
koude rillingen
abnormaal transpireren
ondertemperatuur
dorst
overmatig drinken (polydipsie)
opvliegers (flushing)
acute dood
vergrote lymfeklieren, algemeen en lokaal (lymfadenopathie)
veranderde kleur huid/slijmvliezen
bleek zien
blauw zien (cyanose)
geel zien (icterus)
roodheid lokaal
roodheid gegeneraliseerd
ontsteking huid
efflorescenties van de huid
wratten
huidatrofie
vette huid
huid kan slecht zonlicht verdragen
jeuk (pruritus)
verhoogde bloedingsneiging (hemorragische diathese)
insektebeet
brandwonden en bevriezing
wonden
zweer (ulcus)
moedervlek (naevus)
te veel/te weinig haargroei (hirsutisme/alopecia)
nagelafwijkingen
hoofdpijn/aangezichtspijn
tand- of kiespijn
drukkend/vol gevoel in hoofd
kaakklem (trismus)
scheef gezicht/verminderde gelaatsmotoriek
nekpijn
nekstijfheid
afwijkingen aan lip/tong/mond
speekselvloed
droge mond/keel
smaakstoornissen
foetor ex ore
gebitsprothese problematiek
oorpijn
uitvloed uit oor
doofheid/slechthorendheid
oorsuizen
afwijking aan oorschelp
jeuk aan/in oor
neusbloeding (epistaxis)
afgenomen/geen reukvermogen
afwijkingen aan uitwendige neus
neusverstopping
uitvloed uit de neus
niezen
snurken
slechter zien/anders zien
scheelzien (strabismus)
amaurosis fugax
gezichtsvelduitval (scotomen)
nachtblindheid
mouches volantes
lichtflitsen (photopsie)
dubbelzien (diplopie)
oogpijn (branderig, zandgevoel, corpus alienum)
lichtschuwheid (fotofobie)
jeukend oog
blepharospasme
rode oog
tranende oog
oog, dichtgeplakt door pus of slijm
verandering van vorm of uiterlijk van het oog, oogleden of omgeving
nystagmus
vaatingroei in de cornea
anisocorie
pupilverwijding (mydriasis)
pupilvernauwing (miosis)
exophthalmus
enophthalmus
traumatische beschadiging van het oog
zwelling in de hals
zwelling in de oksel
mammae: gevoel van zwaarte/pijn/spanning
mammae: verandering in grootte/contour/symmetrie
intrekkingen van huid/tepel
tepeluitvloed, waaronder galactorroe
eczeem van tepel/tepelhof
knobbel(tje) in borst
gynaecomastie
keelklachten
heesheid
stemverandering
hoesten
slijm/bloed ophoesten
piepende ademhaling
benauwdheid
kortademigheid
hyperventileren
pijn vast aan de ademhaling
hikken
verhoogde bloeddruk (hypertensie)
pijn op de borst
drukkend, zwaar gevoel op de borst
hartkloppingen
hartritmestoornissen
slecht uithoudingsvermogen
verhoogde neiging tot trombose
globusgevoel
slikproblemen
voedselpassagestoornis
inslikken vreemd voorwerp
opgeven/oprispen onverteerd voedsel (regurgitatie, rumineren)
zuurbranden (pyrosis)
pijn gerelateerd aan maaltijd
maagpijn
boeren (ructus)
hartwater
voedselintolerantie
misselijkheid (nausea)
braken (vomitus)
opgezette buik, opgeblazen gevoel
buikpijn
zwelling in de buik
winderigheid (flatulentie)
diarree
obstipatie
veranderde kleur ontlasting
bloed, slijm of etter bij ontlasting
veranderde consistentie van ontlasting
verandering van defaecatiepatroon
loze aandrang tot ontlasting
pijnlijke stoelgang
incontinentie voor faeces, encopresis
jeuk aan anus
pijn aan rectum/anus
aambeien (hemorroiden)
rectaal bloedverlies
pijnlijke urinelozing
bemoeilijkte urinelozing
nadruppelen
vaak moeten plassen (pollakisurie)
toegenomen nachtelijke urinelozing (nycturie)
geen/weinige urinelozing (anurie/oligurie)
veel plassen (polyurie)
urine incontinentie, enuresis
rode/donkerrode/bruine urine
steentjes uitgeplast
pijn in nierloges
koliekpijnen
stoornis in ontwikkeling secundaire geslachtskenmerk(en)
uitblijven menarche
(te) vroege menarche
zwelling in de lies
pijn in scrotum
abnormale zwelling in scrotum
niet-palpabele testis
urethra uitvloed
afwijking mannelijke genitalia externa
bloederig sperma
sexuele problemen: voorkeur, verlangen, gedrag, beleving
pijnlijke gemeenschap (dyspareunie)
impotentie, potentiestoornis
premenstruele klachten
menstruatie- en cyclusstoornissen
middenpijn
intermenstrueel bloedverlies
bloedverlies na menopauze
contactbloedingen
klachten van vagina
verzakkingsgevoel in vagina
vaginale flatus
genitiale afscheiding
afwijkingen vrouwelijke genitalia externa
vroege menopauze
klachten gerelateerd aan het climacterium
anticonceptie
sterilisatiewens
ongewilde kinderloosheid
infertiliteit
kinderwens na sterilisatie (man en vrouw)
baarmoederhalsuitstrijkje
screening voor borstkanker
screening voor gevolgen van DES
wens tot zwangerschap bij vrouw met risicofactor/(pre)existente ziekte
verzoek om erfelijkheidsonderzoek
zwangere met belaste obstetrische anamnese
ongewenste zwangerschap
klachten als gevolg van zwangerschap
te veel/te weinig gewichtstoename in zwangerschap
koorts in zwangerschap
hypertensie in zwangerschap
buikpijn in zwangerschap
vaginaal bloedverlies in zwangerschap
vochtvasthouden in zwangerschap
weinig/geen leven (meer) voelen
verlies van vruchtwater
vroegtijdige weeën
(afwijking in) zwangerschapsduur
kind met afwijkend geboortegewicht
problemen met borstvoeding
gevoel geen contact te hebben met baby
vermoeden op erfelijke/aangeboren afwijking baby
afwijkend uiterlijk baby
onduidelijk geslacht baby
prikkelbare/veel huilende zuigeling
buikkrampen bij zuigeling
luierpijn
kreunen van zuigeling
wiegedood
kind met afwijkende schedelgroei
kind gedijt niet
niet willen eten/drinken baby/kind
achterblijven van motorische/verstandelijke ontwikkeling kind
knik in de ontwikkeling
gestoorde lengtegroei
afwijkingen in puberteitsontwikkeling, te vroeg/te laat
vergroting acra
bot-, gewrichtspijn(en) al of niet met uitstraling
botbreuken
multipele gewrichtsklachten
zwelling gewricht(en)
weke delen kneuzing
stijfheid gewricht(en)
afwijkende vorm gewrichten
pijnlijke gewrichten bij beweging
ochtendstijfheid
bewegingsbeperking, lokaal/gegeneraliseerd
krachtsverlies, -vermindering
spierpijn(en) (myalgie)
afname spieromvang (spieratrofie)
mobiliteitsstoornis
handicaps en beperkingen
houdingsafwijking
rugpijn
loopproblemen
rusteloze benen
pijn in de kuit(en) bij lopen
dikke benen/enkels
spataderen
open benen
voetafwijkingen
duizeligheid/evenwichtsstoornis (vertigo)
bewustzijnsverlies/verandering/flauwvallen
(herhaald) vallen
wegrakingen
trekkingen, toeval, stuip, insult
aura
tintelingen
verandering van gevoel huid
onwillekeurige bewegingen
trillen, tremoren
motorische onrust
stoornis in motorisch tempo en automatiek
bewegingsloosheid, stupor
stoornis in coördineren bewegingen
bizarre motoriek
spierkrampen, spiertrillingen
te veel aan spierspanning
verlamming
tics
stoornis in spraak of taal
leesproblemen
gedragsverandering/persoonlijkheidsverandering
decorumverlies
impulsief gedrag
chronisch klagen
simulatie gedrag
dwang en drangverschijnselen
initiatief- en interesseverlies
veranderingen in emoties en stemmingen
depressieve gevoelens
agressief gedrag tegen zichzelf gericht, o.a. suicidepogingen en automutilatie
agressief gedrag tegen anderen
angstig, nerveus, gespannen
gejaagdheid
acute stress/voorbijgaande situatiegebonden spanning
verwardheid
vergeetachtigheid, geheugenstoornissen
zich niet zelf kunnen verzorgen (wassen, kleden, eten)/afgenomen ADL-functies
zelfverwaarlozing
desoriëntatie in tijd en/of plaats en/of persoon
afwijking in perceptie van het zelf, het lichaam of de omgeving
kritiek en oordeelsstoornis
achteruitgaan van intellectuele functies
stoornis in het denken (formeel of inhoudelijk)
communicatieve stoornis
aandacht- en concentratiestoornis
slaap- en/of waakproblemen
nachtelijke onrust
omkering dag/nachtritme
aanwijzingen voor mishandeling
aanwijzingen voor sexueel misbruik
aanranding, verkrachting
positieve screeningsuitslag, toevalsbevinding
verzoek om informatie
ongerustheid m.b.t. bijwerking geneesmiddelen
complicatie medische behandeling
polyfarmacie
niet meewerken aan medische behandeling/non-compliance
dysfunctionele relatie in de hulpverlening, onder andere polypragmasie, medical shopping, sexueel misbruik
posttraumatische problematiek
postoperatieve problematiek
afhankelijkheid van middelen
chronisch alcoholgebruik
tabaksgebruik
medicijnmisbruik
drugsgebruik
risicogedrag
problemen met ziek zijn
toegenomen zorgbehoefte
ontoereikend zorgsysteem
verlies/dood naaste
verwerkingsproblematiek
problemen met ziekte naaste
eenzaamheidsproblemen
esthetisch probleem met uiterlijk (neus, oren, borsten, enzovoort)
functioneel probleem als gevolg van anatomische variatie (rugklachten ten gevolge van zware borsten, open beet ten gevolge van grote kaak, enzovoort)
angst bij ouders voor ernstige ziekte van kind
angst voor geslachtsziekte
angst voor kanker of voor andere ernstige ziekte
angst voor besmetting
problematiek bij de terminale levensfase
financiële problemen van patiënt
huisvestingsproblemen/buurtproblemen
sociaal-culturele problemen/migratieproblematiek
sociaal isolement
problemen op het werk of betreffende de arbeidsomstandigheden
ziekteverzuim (school/werk)
werkloosheid
gezondheidsprobleem ten gevolge van het milieu
levensfase problematiek
relatieproblemen ouders/partner/kind
problemen met de opvoeding, gedragsproblemen kind
problemen op school, leermoeilijkheden