Artikel
1
Als aas, bedoeld in artikel 10, zevende lid, onderdeel a, van de Visserijwet 1963 worden aangewezen:
-
a.
brood, aardappel, deeg, kaas, al dan niet gekiemde granen, zaden, worm en steurkrab;
-
b.
insecten en insectenlarven, alsmede nabootsingen daarvan, voor zover van deze nabootsingen de grootste afmeting niet meer bedraagt dan 2,5 cm.