IJkregeling vloeistofhoogtemeters

De Minister van Economische Zaken,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Inleidende bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

wet:

de IJkwet;

meetwaarde-opnemers:

inrichtingen, die, al dan niet contact makend met de vloeistof, de te meten hoogte van de vloeistof opnemen;

aanwijsinrichtingen:

inrichtingen, die de gemeten hoogte van de vloeistof aanwijzen;

vloeistofhoogtemeters:

de meetwerktuigen, bedoeld in artikel 1, onder D, onder f, van het IJkreglement, voor zover deze zijn bestemd voor het meten van de hoogte van de vloeistofspiegel in meetreservoirs en die bestaan uit een meetwaarde-opnemer en ten minste één aanwijsinrichting;

meetreservoirs:

de meetreservoirs, bedoeld in artikel 1 van de IJkregeling meetreservoirs voor zover daarop een vloeistofhoogtemeter is bevestigd;

onderzoek tot toelating van een model:

het onderzoek, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet;

keuring:

de keuring, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet;

herkeuring:

de herhaalde keuring, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de wet;

toezicht:
verklaring van toelating:

de verklaring, bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de wet;

ijkmerk:

het ijkmerk, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet;

zegelmerk:

het eerste deel van het ijkmerk;

verre-aanwijsinrichtingen:

aanwijsinrichtingen, die gescheiden van het meetreservoir zijn opgesteld.

Artikel

2

In deze regeling wordt mede verstaan onder:

aanwijzen:

afdrukken;

aanwijsinrichting:

afdrukinrichting;

aanwijzing:

afdruk;

afleeseenheid:

afdrukeenheid.

Artikel

3

De bepalingen van deze regeling moeten wat betreft vloeistofhoogtemeters in acht worden genomen bij:

Artikel

3a

Met de vloeistofhoogtemeters die de in artikel 10, eerste lid, van de wet, bedoelde keuring hebben ondergaan, worden gelijkgesteld vloeistofhoogtemeters die in een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte rechtmatig zijn geproduceerd of in de handel zijn gebracht en die door een gelijkwaardige, door die andere staat erkende instantie zijn gekeurd, mits bij de keuringen aan gelijkwaardige eisen is voldaan.

Hoofdstuk

2

Algemene bepalingen

Titel

1

Technische Voorschriften

§

1

Algemene voorschriften

Artikel

4

Artikel

5

Een vloeistofhoogtemeter moet zodanig zijn samengesteld, dat bij een verandering van:

  • a.

    de volumieke massa van de vloeistof, waarvan de hoogte van de vloeistofspiegel wordt gemeten, wordt voldaan aan artikel 35;

  • b.

    de temperatuur van de vloeistofhoogtemeter en de voedingsspanning, indien de vloeistofhoogtemeter elektrisch wordt gevoed, wordt voldaan aan artikel 29.

Artikel

6

De bevestiging van een vloeistofhoogtemeter op een meetreservoir, waaraan die meter is toegevoegd, moet zodanig geschieden, dat de onveranderlijkheid van de meting is gewaarborgd.

Artikel

7

Artikel

8

Het meetreservoir moet voorzien zijn van een referentiepunt, dat een vaste positie ten opzichte van de vloeistofhoogtemeter heeft en met behulp waarvan te allen tijde voldoende nauwkeurige controlemetingen van de vloeistofhoogte kunnen worden uitgevoerd.

Artikel

9

Bevestiging van een vloeistofhoogtemeter aan een tot het meetreservoir behorende geleidepijp voor de meetdraad, meetband of elektromagnetische golven is slechts toegestaan, indien die geleidepijp vast met de wand van het meetreservoir is verbonden en geen ondersteuning heeft die vast met het dak of met de bodem van het meetreservoir is verbonden.

Artikel

10

Het mechanisme van een vloeistofhoogtemeter moet kunnen worden gecontroleerd door de bewegende delen van de vloeistofhoogtemeter te activeren, waardoor de meetwaarde-opnemer in beweging wordt gezet.

Artikel

11

Signaalinrichtingen, mechanismen ter berekening van hoeveelheid of prijs, ter herhaling van eerdere aanwijzingen en dergelijke, die het gebruik van de vloeistofhoogtemeter vergemakkelijken, zijn toegelaten, voor zover zij de juiste werking van de meter niet schaden.

§

2

Bijzondere voorschriften voor aanwijsinrichtingen

Artikel

12

Een aanwijsinrichting mag gescheiden van de meetwaarde-opnemer zijn opgesteld, mits bijzondere voorzieningen waarborgen, dat steeds ondubbelzinnig vaststaat op welk meetreservoir de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

Artikel

13

Artikel

14

De waarde van de afleeseenheid mag niet groter dan 1 mm zijn.

Artikel

15

Artikel

16

Indien de meetwaarde-opnemer boven de vloeistofspiegel in een ruststand gebracht kan worden, moet de aanwijzing van de hoogte van de meetwaarde-opnemer op een zodanige wijze plaatsvinden, dat ondubbelzinnig vaststaat dat niet de werkelijke hoogte van de vloeistofspiegel wordt aangewezen.

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Indien een vloeistofhoogtemeter is voorzien van een afdrukinrichting, moeten in afwijking van artikel 20 op het afdrukpapier zijn vermeld:

  • a.

    een verklaring van de verschillende symbolen of een mededeling waaruit blijkt hoe men aan een verklaring kan komen;

  • b.

    alle handmatig ingevoerde parameters welke nodig zijn om tot een presentatie van de berekende waarde te komen.

Artikel

22

De artikelen 19, 20 en 21 zijn niet van toepassing, indien parameters, die niet afkomstig zijn van inrichtingen voor het opnemen, omvormen en aanbieden van meetcondities, welke niet op de aanwijsinrichting zijn aangesloten, en die bepalend zijn voor het resultaat van de door de aanwijsinrichting gepresenteerde grootheden, vast zijn ingesteld dan wel tegen veranderingen zijn beschermd met behulp van een verzegelingsinrichting.

Artikel

23

Indien de gepresenteerde waarde berust op een historische meting, moet dit door middel van een symbool kenbaar worden gemaakt.

Artikel

24

Indien de elementen van een aanwijsinrichting zijn bestemd voor het aanwijzen van de hoogte en voor het aanwijzen van andere grootheden of gegevens, mogen deze grootheden slechts na uitvoering van een bedieningshandeling aangewezen kunnen worden en moeten ze na ten hoogste 10 seconden weer worden vervangen door de aanwijzing van de hoogte.

Artikel

25

Indien een aanwijsinrichting gemeenschappelijk functioneert voor meerdere vloeistofhoogtemeters en indien één of meer van die vloeistofhoogtemeters bestemd zijn voor metingen die niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt worden, moeten de meetresultaten van die metingen op zodanige wijze gekenmerkt zijn, dat duidelijk is dat deze resultaten niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt mogen worden.

§

3

Bijzondere voorschriften voor meetwaarde-opnemers

Artikel

26

Artikel

27

Een meetwaarde-opnemer moet zodanig zijn gesitueerd, dat er geen wederzijdse beïnvloeding kan plaatsvinden met andere meettechnische handelingen.

Artikel

28

Een meetwaarde-opnemer moet op een zodanige wijze worden beschermd, dat de invloed van draaikolken, stromingen of wervelingen op de aanwijzing van de hoogte van de vloeistofspiegel is te verwaarlozen, waarbij voor een meetwaarde-opnemer die direct contact maakt met de vloeistof een correcte verticale geleiding van de meetwaarde-opnemer gewaarborgd moet blijven.

Titel

2

Metrologische voorschriften

§

1

Maximaal toelaatbare fouten

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

De maximaal toelaatbare fout van het verschil tussen twee gemeten hoogten, waarbij een meetwaarde-opnemer het hoogteverschil in één richting heeft overbrugd, is gelijk aan de maximaal toelaatbare fout overeenkomstig artikel 29.

Artikel

32

Bij een vloeistofhoogtemeter met twee of meer aanwijsinrichtingen mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel door twee van die inrichtingen, willekeurig gekozen, niet meer van elkaar verschillen dan één afleeseenheid van de aanwijsinrichting, die van de beide welke worden vergeleken de grootste afleeseenheid heeft.

Artikel

33

Indien de bewegingsrichting van een meetwaarde-opnemer welke direct contact maakt met de vloeistof verandert, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm.

§

2

Verandering van omstandigheden

Artikel

34

Indien de voortplantingsrichting van de elektromagnetische golven naar het vloeistofoppervlak wordt onderbroken, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel voor en na de onderbreking niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm.

Artikel

35

Indien de volumieke massa van de vloeistof ligt tussen 600 kg/m3 en 1000 kg/m3, mag de verandering van de volumieke massa van 1000 kg/m3 naar 600 kg/m3 geen grotere invloed hebben op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm.

Artikel

36

Indien de volumieke massa van de vloeistof buiten de grenzen, bedoeld in artikel 35, valt, worden bij de toelating van het model de grenzen, waarbinnen het gebruik van de vloeistofhoogtemeter is toegestaan, zodanig vastgesteld, dat de verandering van de volumieke massa van de bovengrens naar de ondergrens geen grotere invloed heeft op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm.

Artikel

37

Bij een verandering van de temperatuur van een vloeistofhoogtemeter en van de wand van het meetreservoir waarop de vloeistofhoogtemeter is geplaatst van 10 °C mag de verandering van de aanwijzing niet meer bedragen dan de maximaal toelaatbare fout, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a.

Artikel

38

Titel

3

Opschriften

Artikel

39

Op iedere vloeistofhoogtemeter moeten, hetzij direct, hetzij op een plaat, die vast met de vloeistofhoogtemeter is verbonden, zijn vermeld:

  • a.

    de naam en de woonplaats van degene die de vloeistofhoogtemeter heeft vervaardigd of diens fabrieksmerk;

  • b.

    het jaar waarin de vloeistofhoogtemeter is vervaardigd en het fabrieksnummer;

  • c.

    het nummer van de betrokken verklaring van toelating;

  • d.

    de identificatie van het meetreservoir, waarop de vloeistofhoogtemeter is bevestigd;

  • e.

    het opschrift ’het nulpunt van de vloeistofhoogtemeter ligt ... mm beneden het referentiepunt’;

  • f.

    elke andere aanduiding, welke in verband met de samenstelling of de werking van de vloeistofhoogtemeter door de ijkinstelling noodzakelijk wordt geacht, als aangegeven in de verklaring van toelating.

Artikel

40

Indien één of meer verre-aanwijsinrichtingen behoren bij een vloeistofhoogtemeter, moet op of in de onmiddellijke nabijheid van elk van die inrichtingen een plaat zijn aangebracht, waarop zijn vermeld:

  • a.

    het identificatienummer van de inrichting;

  • b.

    een identificatie van het meetreservoir waarop de aanwijzing betrekking heeft.

Artikel

41

Artikel

42

Artikel

43

Inrichtingen als bedoeld in artikel 11, die op verzoek van de aanvrager niet in de keuring worden betrokken, alsmede niet gekeurde aanwijsinrichtingen moeten zijn voorzien van het opschrift ’niet geijkte hulpinrichting’.

Artikel

44

Indien de meeteigenschappen van een vloeistofhoogtemeter het gebruik buiten bepaalde meetgrenzen niet veroorloven of indien andere beperkingen in het gebruik zijn vereist, moeten de vloeistofhoogtemeter en elke verre-aanwijsinrichting die op de vloeistofhoogtemeter kan worden aangesloten een opschrift dragen waaruit die beperkte bestemming blijkt.

Titel

4

IJkmerken

Artikel

45

Artikel

46

Artikel

47

Indien een meetwaarde-opnemer in een afzonderlijke behuizing is ondergebracht, moeten de ijkmerken worden aangebracht als aangegeven in artikel 45.

Hoofdstuk

3

Bijzondere bepalingen voor vloeistofhoogtemeters met elektronische componenten

Artikel

48

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

elektronische inrichting:

een vloeistofhoogtemeter, die is voorzien van elektronische componenten en afzonderlijk kan worden getoetst aan de bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel een zodanig deel van een vloeistofhoogtemeter;

correct functioneren:

een zodanig functioneren, dat de maximaal toelaatbare fouten die gelden bij de keuring niet worden overschreden.

Artikel

49

Artikel

50

Artikel

51

De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen, die zijn opgesteld in een afgesloten ruimte, al of niet voorzien van een regeling van temperatuur en vochtigheid, bestaat uit:

  • a.

    een stabiele omgevingstemperatuur van 40 °C en een relatieve vochtigheid van 38% gedurende 2 uur;

  • b.

    een stabiele omgevingstemperatuur van 5 °C gedurende 2 uur.

Artikel

52

Artikel

53

De omgevingstemperaturen, bedoeld in de artikelen 51 en 52, worden als stabiel beschouwd, indien:

  • a.

    het verschil tussen de tijdens de blootstelling optredende hoogste en laagste temperatuur niet meer bedraagt dan 5 °C, en

  • b.

    de verandering van de temperatuur tijdens de blootstelling niet meer bedraagt dan 1 °C/min.

Artikel

54

De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen bestaat uit:

  • a.

    een voedingsspanning, variërend tussen -15% en +10% van de nominale voedingsspanning;

  • b.

    10 onderbrekingen en reducties van de voedingsspanning, waarbij, uitgaande van een netfrequentie van 50 Hz en een nominale spanning met een effectieve waarde van 220 V, de amplitude wordt teruggebracht tot:

    • 1°.

      0 V gedurende een halve periode,

    • 2°.

      110 V (50%) gedurende één periode, waarbij het tijdsinterval tussen twee onderbrekingen ten minste 10 seconden bedraagt;

  • c.

    pulsvormige netverontreiniging, waarbij op de voedingsspanning een burst wordt gesuperponeerd, die voldoet aan onderstaande specificaties, zowel in common mode als in differential mode:

    • piekwaarde (V): 1000

    • stijgtijd (ns): 5

    • tijdsduur halve piekwaarde (ns): 50

    • totale burstlengte (ms): 15

    • herhalingsinterval (ms): 300,

    • waarbij in iedere mode ten minste 10 positieve en 10 negatieve spanningspieken worden aangebracht;

  • d.

    ten minste 10 ontladingen via de elektronische inrichting, die tot stand komen, nadat een capaciteit van 150 pF door een gelijkspanningsbron tot 8 kV is opgeladen, door de capaciteit met een elektrostatische lading van 1,2 mC te ontladen door een aansluiting met het geaarde chassis te verbinden en de andere aansluiting via een weerstand van 150 W naar een vlak van de elektronische inrichting, waarbij het tijdsinterval tussen twee opeenvolgende ontladingen ten minste 10 seconden bedraagt, met dien verstande dat elektronische inrichtingen die niet met een geaard chassis zijn uitgevoerd, op een geaarde plaat worden gezet, welke ten minste 0,1 m uitsteekt aan alle zijden van de inrichting;

  • e.

    een veldsterkte van 10 V/m, 50% AM-gemoduleerd met een blokgolf welke een frequentie heeft van 1 kHz, die wordt aangebracht in het frequentiegebied van 0,1 MHz tot 1 GHz, waarbij ten minste 1 m van de horizontaal vanaf de elektronische inrichting weglopende externe bekabeling tijdens de proef aan het veld wordt blootgesteld.

Artikel

55

Artikel

56

Toetsing aan de voorschriften van dit hoofdstuk vindt plaats ten aanzien van een vloeistofhoogtemeter, zoals die in de gebruikssituatie zal zijn of is samengesteld, tenzij de afmetingen of de configuratie van de meter noodzaken tot het onderzoek van afzonderlijke elektronische inrichtingen.

Hoofdstuk

4

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

57

In afwijking van het bepaalde in de hoofdstukken 2 en 3 geldt dat vloeistofhoogtemeters, die

  • a.

    zijn vervaardigd overeenkomstig een toegelaten model dat is onderzocht overeenkomstig de bepalingen van de IJkbeschikking, zoals deze luidden tot 1 mei 1989, of

  • b.

    voor 1 mei 1989 zijn aangewezen krachtens artikel 11, derde lid, van de wet en zijn goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van de IJkbeschikking, zoals deze luidden tot 1 mei 1989,

    bij de keuring, de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht moeten voldoen aan de bepalingen van de IJkbeschikking, zoals deze luidden tot 1 mei 1989.

Artikel

58

Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de krachtens de IJkregeling vloeistofhoogtemeters (Stcrt. 1989, 81) vastgestelde besluiten op deze regeling.

Artikel

59

De IJkregeling vloeistofhoogtemeters (Stcrt. 1989, 81) wordt ingetrokken.

Artikel

60

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

61

Deze regeling wordt aangehaald als: IJkregeling vloeistofhoogtemeters.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage
De Minister van Economische Zaken, G.J.Wijers