Regeling houdende eisen en wijze van keuren van voertuigen die in een kleine serie worden vervaardigd

Kleine serie-regeling

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemeen

Artikel

1

Deze regeling is van toepassing op de typegoedkeuring van motorrijtuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG worden vervaardigd en op de typegoedkeuring van motorfietsen en driewielige motorrijtuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onderdeel b, van richtlijn 92/61/EEG worden vervaardigd.

Artikel

2

Hoofdstuk

2

Personenauto's

Artikel

4

Hoofdstuk

3

Motorfietsen

Artikel

4a

Hoofdstuk

4

Driewielige motorrijtuigen

Artikel

4b

Hoofdstuk

5

Bedrijfsauto’s

Artikel

4c

Hoofdstuk

6

Wijze van keuren

Artikel

5

Hoofdstuk

7

Slotbepalingen

Artikel

6

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 december 1994, nr. RV 187532, houdende eisen en wijze van keuren van voertuigen die in een kleine serie worden vervaardigd (Stcrt. 244), wordt ingetrokken.

Artikel

7

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink

Bijlage

bij artikel vier, twaalfde lid.

Eisen aan het gezichtveld van de bestuurder van personenauto’s

Artikel

1

  • 1.

    De definities van richtlijn 77/649/EEG zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de definitie van ’de Punten V’

  • 2.

    Onder ’punt V’ wordt verstaan: het punt waarvan de plaats in de passagiersruimte wordt bepaald in relatie tot de verticale langsvlakken door de middelpunten van de meest buitenwaarts ontworpen zitplaatsen van de voorstoelen en gerelateerd aan punt R en de ontwerphoek van de rugleuning.

Artikel

2

  • 1.

    Het doorzichtige gedeelte van de voorruit moet ten minste de volgende niveaupunten van de voorruit omvatten, zoals weergegeven in figuur 1:

    • a.

      een ’horizontaal niveaupunt’ dat is gelegen vóór punt V en 14° naar links bij voertuigen met links geplaatst stuur dan wel vóór punt V en 14° naar rechts bij voertuigen met rechts geplaatst stuur;

    • b.

      een ’bovenste verticaal niveaupunt’ gelegen vóór punt V en 3° boven het horizontale vlak;

    • c.

      een ’onderste verticaal niveaupunt’ gelegen vóór punt V en 5° onder het horizontale vlak.

  • 2.

    Het doorzichtige gedeelte van de voorruit moet tevens ten minste de in het eerste lid genoemde niveaupunten omvatten, die zijn gespiegeld ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig.

A = 68 mm

B = 5 mm

C = 627 mm

(1) Tracé van het middenlangsvlak

(2) Tracé van het verticale vlak door punt R

(3) Tracé van het verticale vlak door punt V

Figuur

1

Driedimensioneel referentiesysteem en bepaling van het punt V en de niveaupunten van de voorruit

Artikel

3

  • 1.

    De afschermingshoek door elke A-stijl, zoals weergegeven in figuur 2, mag, gemeten in het horizontale vlak door punt V, niet meer bedragen dan 6°.

  • 2.

    Een personenauto mag niet meer dan twee A-stijlen bevatten.

1 = Afschermingshoek door de A-stijl aan de zijde van de bestuurder

2 = Afschermingshoek door de A-stijl aan de zijde van de passagier

Figuur

2

Afschermingshoek door elke A-stijl

Artikel

4

  • 1.

    In het gezichtsveld van de bestuurder naar voren over 180°, onder een horizontaal vlak door punt V en boven drie vlakken door punt V, waarvan één vlak is gelegen loodrecht op het vlak X-Z en voorwaarts 4° hellend onder het horizontale vlak en waarvan de beide andere vlakken zijn gelegen loodrecht op het vlak Y-Z en 4° naar beneden hellend onder het horizontale vlak, zoals weergegeven in figuur 3, mag geen andere afscherming ontstaan dan die afscherming welke wordt teweeggebracht door:

    • a.

      de A-stijlen;

    • b.

      de verdeelstijlen van vaste of beweegbare ventilatie- of zijraampjes;

    • c.

      aan de buitenzijde van het voertuig geplaatste radioantennes;

    • d.

      achteruitkijkspiegels;

    • e.

      ruitewissers, alsmede

    • f.

      de in richtlijn 77/649/EEG, bijlage I, punt 5.1.3. als niet-belemmerend voor het gezichtsveld aangemerkte geleiders.

  • 2.

    In het gezichtsveld van de bestuurder mag afscherming ontstaan door de buitenrand van het stuurwiel en het instrumentenpaneel aan de binnenzijde van het stuurwiel, indien een vlak door punt V, dat is gelegen loodrecht op het vlak X-Z en dat het bovenste gedeelte van de buitenrand van het stuurwiel raakt, voorwaarts tenminste 1° onder een horizontaal vlak door punt V helt.

Figuur

3

Afscherming in het rechtstreekse gezichtsveld van de bestuurder naar voren over 180°

Artikel

5

wijze van keuren

  • 1.

    Het voertuig wordt aan de hand van het referentiesysteem en de ontwerpstand in de juiste positie geplaatst.

  • 2.

    De positie van punt H wordt bepaald volgens de procedure omschreven in richtlijn 77/649/EEG, bijlage III.

  • 3.

    De positie van punt R wordt gelijkgesteld aan de positie van punt H.

  • 4.

    De positie van punt V ten opzichte van punt R, zoals aangegeven door de coördinaten XYZ van het driedimensionale referentiesysteem, is weergegeven in de tabellen I en II.

  • 5.

    Tabel I geeft de fundamentele coördinaten voor een ontwerprugleuninghoek van 25°. De positieve richting voor de coördinaten is weergegeven in figuur 1.

  • 6.

    Tabel II geeft de waarden aan waarmee de coördinaten X en Z van punt V moeten worden gecorrigeerd indien de ontwerprugleuninghoek ongelijk is aan 25°. De positieve richting van de coördinaten is aangegeven in figuur 1.

  • 7.

    Proeven om na te gaan of aan de eisen wordt voldaan kunnen onder meer het gebruik omvatten van theodolieten, lichtbronnen of schaduwapparatuur dan wel van andere methoden waarvan de gelijkwaardigheid wordt aangetoond.

Positie van punt V

X

Y

Z

Punt V

68 mm

5 mm

627 mm

Tabel II Correctie voor ontwerprugleuninghoeken die ongelijk zijn aan 25°

Rugleuning hoek (in°)

Horinzontale coördinaten

Δ X

Verticale coördinaten

Δ Z

Rugleuning hoek (in°)

Horizontale coördinaten

Δ X

Verticale coördinaten

Δ Z

5

- 186 mm

28 mm

23

- 18 mm

5 mm

6

- 177 mm

27 mm

24

- 9 mm

3 mm

7

- 167 mm

27 mm

25

0 mm

0 mm

8

- 157 mm

27 mm

26

9 mm

- 3 mm

9

- 147 mm

26 mm

27

17 mm

- 5 mm

10

- 137 mm

25 mm

28

26 mm

- 8 mm

11

- 128 mm

24 mm

29

34 mm

- 11 mm

12

- 118 mm

23 mm

30

43 mm

- 14 mm

13

- 109 mm

22 mm

31

51 mm

- 18 mm

14

- 99 mm

21 mm

32

59 mm

- 21 mm

15

- 90 mm

20 mm

33

67 mm

- 24 mm

16

- 81 mm

18 mm

34

76 mm

- 28 mm

17

- 72 mm

17 mm

35

84 mm

- 32 mm

18

- 62 mm

15 mm

36

92 mm

- 35 mm

19

- 53 mm

13 mm

37

100 mm

- 39 mm

20

- 44 mm

11 mm

38

108 mm

- 43 mm

21

- 35 mm

9 mm

39

115 mm

- 48 mm

22

- 26 mm

7 mm

40

123 mm

- 52 mm