Artikel
1
1
Voor de toepassing van artikel 3c van de Ziekenfondswet wordt het inkomen in aanmerking genomen dat betrokkene en zijn eventuele echtgenote hebben genoten in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin hij een aanvraag voor een verklaring als bedoeld in artikel 3c, eerste lid, van de Ziekenfondswet heeft ingediend.
2
In afwijking van het eerste lid wordt het inkomen in aanmerking genomen dat betrokkene en zijn eventuele echtgenoot geacht kunnen worden te genieten in het kalenderjaar volgend op het jaar waarin een aanvraag voor een verklaring als bedoeld in artikel 3c, eerste lid, van de Ziekenfondswet wordt ingediend indien:
-
a.
hij 65 jaar is,
-
b.
hij in het tijdvak tussen de aanvraag en het refertejaar duurzaam gescheiden is gaan leven of is gehuwd;
-
c.
zijn echtgenoot in het tijdvak tussen de aanvraag en het refertejaar is overleden;
-
d.
hij zich in het tijdvak tussen de aanvraag en het refertejaar binnen het Rijk vestigt;
-
e.
zijn inkomen en dat van zijn eventuele echtgenoot in het lopende kalenderjaar redelijkerwijs geacht kan worden tenminste 20% minder te bedragen dan het inkomen dat hij heeft genoten of redelijkerwijs geacht kan worden te hebben genoten in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin hij een aanvraag voor een verklaring als bedoeld in artikel 3c, eerste lid, van de Ziekenfondswet heeft ingediend.
3
In afwijking van het eerste lid en onverminderd het bepaalde in het tweede lid wordt voor degene die 66 jaar is het inkomen in aanmerking genomen dat betrokkene en zijn eventuele echtgenoot geacht kunnen worden te genieten in het kalenderjaar waarin een aanvraag voor een verklaring als bedoeld in artikel 3c, eerste lid, van de Ziekenfondswet wordt ingediend.