Regeling houdende toelatingseisen voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers

Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Toelatingseisen verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§

1

Begripsomschrijvingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
CIE:

Commission Internationale de L’Eclairage;

b.
draaiingshoek:

de verplaatsingshoek van de retroreflector om de referentie-as vanuit een bepaalde stand;

c.
invalshoek:

de hoek tussen de referentie-as en de rechte die het referentiepunt verbindt met het middelpunt van de lichtbron;

d.
lichtsterkte-coëfficiënt:

het quotiënt van de in de betrokken richting weerkaatste lichtsterkte, gedeeld door de verlichtingssterkte van de retroreflector voor bepaalde lichtinvals-, waarnemings- en draaiingshoeken;

e.
referentie-as:

as, aan te geven door de fabrikant van de retroreflector, om te dienen als richtingreferentie (H = 0°, V = 0°) bij het verrichten van fotometrische metingen en voor het plaatsen van de retroreflector op het voertuig;

f.
referentiepunt:

het snijpunt van de referentie-as met het uitvalsvlak van het door de retroreflector uitgestraalde licht zoals aan te geven door de fabrikant van de retroreflector;

g.
retroreflectie:

reflectie waarbij de straling wordt teruggekaatst in richtingen die ongeveer tegengesteld zijn aan die van de invallende straling; deze eigenschap blijft bij ruime variatie in de richting van de invallende straling behouden;

h.
retroreflector:

inrichting, bestemd om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten bevindt;

i.
verlichtingssterkte van de retroreflector:

verlichtingssterkte gemeten in een vlak dat loodrecht staat op de invallende stralen en loopt door het referentiepunt;

j.
waarnemingshoek:

de hoek tussen de rechten die het referentiepunt verbinden met het middelpunt van de ontvanger en met het middelpunt van de lichtbron.

§

2

Eisen aanhangwagens achter fietsen

Artikel

3

Artikel

4

Figuur 1 Typen gloeilampen en lampvoeten
Figuur 2
Figuur 3
Figuur 4

Artikel

5

Achterlichten moeten worden onderworpen aan beproevingen overeenkomstig de Internationale Standaard ISO 6742-1-1987, voor wat betreft de weerstand tegen:

  • a.

    trillingen,

  • b.

    warmte,

  • c.

    water,

  • d.

    corrosie, en

  • e.

    brandbare vloeistoffen.

Artikel

6

Ten aanzien van de elektrische karakteristieken van achterlichten met niet-verwisselbare lichtbron moet aan de volgende eisen worden voldaan:

  • a.

    de nominale spanning, zijnde 6 volt, moet duurzaam en goed leesbaar op het achterlicht zijn aangebracht;

  • b.

    het afgenomen vermogen van het achterlicht mag bij 6 volt effectief niet meer dan 0,6 Watt met een tolerantie van 10% bedragen.

Artikel

7

Tabel 5

Binnen een

verticale

hoek van

Binnen een

horizontale hoek van

±5°

±10°

±45°

±110°

±5°

0,75 *Bovendien moet de lichsterkte in JJn richting binnen het bereik van de verticale hoek van plusminus 5° en de horizontale hoek van plusminus 5° minstens de waarde van 2 candela bedragen.

0,25

0,075

0,025

±10°

0,25

0,25

0,075

0,025

Artikel

8

Tabel 6

X:

0,645

0,665

0,735

0,721

Y:

0,335

0,335

0,265

0,259

Artikel

9

Op het achterlicht moet:

  • a.

    het fabrieks- of handelsmerk en de typeaanduiding duurzaam, onuitwisbaar en goed leesbaar zijn aangebracht;

  • b.

    een ruimte aanwezig zijn waarin het goedkeuringsmerk en het typegoedkeuringsnummer kunnen worden aangebracht.

§

3

Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens

§

3.1

Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens

Artikel

10

Artikel

11

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van bijlage 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 7 gestelde eisen.

Tabel 7

Waarnemingshoek

Invalshoek

Lichtsterktecoëfficiënt

exclusief ongekleurde

spiegeleffecten

horizontaal

verticaal

(in mcd/lux)

0°20'

1000

0°20'

700

0°20'

+/- 20°

400

Artikel

12

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van bijlage 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van bijlage 1, ten minste nog aan de in de tabel 8 gestelde eis voldoen.

Tabel 7

Waarnemingshoek

Invalshoek

Lichtsterktecoëfficiënt

exclusief ongekleurde

spiegeleffecten

horizontaal

verticaal

(in mcd/lux)

0°20'

600

Artikel

13

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van bijlage 1 heeft ondergaan, mag:

  • a.

    de retroreflector geen zichtbare verandering vertonen;

  • b.

    in de retroreflector geen water waarneembaar zijn.

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Op de retroreflector moet:

  • a.

    het fabrieks- of handelsmerk duurzaam, onuitwisbaar en goed leesbaar zijn aangebracht;

  • b.

    een ruimte aanwezig zijn waarin het goedkeuringsmerk en het typegoedkeuringsnummer kunnen worden aangebracht.

§

3.2

Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen

Artikel

18

Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van re-troreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in ECE-reglement nr. 88.

Artikel

19

Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 27 gestelde eisen.

Artikel

20

De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    de breedte van de retroreflecterende cirkel mag niet meer dan 15 mm bedragen;

  • b.

    het verschil tussen de grootste en de kleinste breedte van de retroreflec-terende cirkel mag niet meer bedragen dan 20% van de gemiddelde breedte;

  • c.

    de retroreflecterende cirkel mag op niet meer dan 4 plaatsen onderbroken zijn: deze onderbrekingen mogen niet groter zijn dan 15 mm; indien dit in verband met de constructie noodzakelijk is, mag een van de onderbrekingen worden vergroot tot 50 mm;

  • d.

    de binnendiameter van de retroreflecterende cirkel mag niet kleiner zijn dan de nominale velgdiameter verminderd met 150 mm.

Artikel

21

Tabel 9

Waarnemingshoek à

Invalshoek

Lichtsterktecoëfficiënt

met standaard l

ß1

ß2

ichtbron A (in mcd/lux)

0°20'

+/- 5°

>= 16 D

0°20'

+/- 20°

>= 14 D

0°20'

+/- 40°

>= 4,7 D

0°20'

+/- 50°

>= 14 D

1°30'

+/- 5°

>= 1,1 D

1°30'

+/- 20°

>= 1,0 D

1°30'

+/- 40°

>= 0,65 D

1°30'

+/- 50°

>= 0,2 D

D = binnendiameter retroreflecterend gedeelte in cm.

Indien binnendiameter kleiner is dan 42 cm, wordt aangehouden: D = 42.

Artikel

22

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van bijlage 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek à van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 21.

Artikel

23

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van bijlage 2 heeft ondergaan, mag:

  • a.

    de retroreflector geen zichtbare verandering vertonen;

  • b.

    in de retroreflector geen water waarneembaar zijn.

Artikel

24

Tabel 10

X:

0,285

0,380

0,380

0,509

0,618

0,440

0,285

Y:

0,332

0,393

0,408

0,490

0,382

0,382

0,264

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

Op de retroreflector moet:

  • a.

    het fabrieks- of handelsmerk duurzaam, onuitwisbaar en goed leesbaar zijn aangebracht;

  • b.

    een ruimte aanwezig zijn waarin het goedkeuringsmerk en het typegoedkeuringsnummer kunnen worden aangebracht.

§

3.3

Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen

Artikel

28

Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in Richtlijn 76/757/EEG omtrent de retroreflector van Klasse I.

Artikel

29

Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 30 tot en met 32 gestelde eisen.

Artikel

30

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van bijlage 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 11 gestelde eisen voldoen.

Tabel 11

Waarnemingshoek

Invalshoek

Lichtsterktecoëfficiënt

exclusief ongekleurde

spiegeleffecten

horizontaal

verticaal

(in mcd/lux)

0°20’

15

0°20’

+/-25°

2

Artikel

31

Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van bijlage 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van bijlage 3, ten minste nog aan de in tabel 12 gestelde eis voldoen.

Tabel 12

Waarnemingshoek

Invalshoek

Lichtsterktecoëfficiënt

exclusief ongekleurde

spiegeleffecten

horizontaal

verticaal

(in mcd/lux)

0°20’

10

Artikel

32

Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van bijlage 3 heeft ondergaan, mag:

  • a.

    de retroreflector geen zichtbare verandering vertonen;

  • b.

    in de retroreflector geen water waarneembaar zijn.

§

4

Eisen rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek voor motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers, de daardoor voortbewogen aanhangwagens, alsmede wagens

Artikel

33

De afgeknotte driehoek moet voldoen aan het bepaalde in ECE-reglement nr. 69.

Hoofdstuk

2

Mechanische koppelinrichtingen

Artikel

34

Op mechanische koppelinrichtingen voor het koppelen van een aanhangwagen aan een driewielig motorrijtuig zijn de eisen van richtlijn 94/20/EG van overeenkomstige toepassing

Hoofdstuk

3

Slotbepalingen

Artikel

35

Met de in dit besluit vastgestelde technische normen of technische eisen dan wel geëiste onderzoeken worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische normen of technische eisen, respectievelijk daaraan gelijkwaardige onderzoeken, vastgesteld, respectievelijk geëist door of vanwege een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel

36

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 november 1994, nr. R 186408, houdende toelatingseisen voor voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers (Stcrt. 229), wordt ingetrokken.

Artikel

37

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

38

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink

Bijlage

1

behorende bij paragraaf 3.1 (niet-driehoekige rode retroreflector

A

Meting lichtsterktecoëfficiënt

1

De lichtsterktecoëfficiënt wordt gemeten bij een waarnemingshoek van 0°20’. Wanneer bij het meten van de lichtsterkte-coëfficiënt een ongekleurd spiegeleffect optreedt mag de retroreflector over enkele graden worden verdraaid, om te voorkomen dat het meetresultaat door het spiegeleffect wordt beïnvloed.

2

De te meten retroreflector wordt bestraald door het licht van een lamp, ingesteld op een kleurtemperatuur van ongeveer 2850°K, gebundeld door een condensorlens, welke via een projectielens op de retroreflector wordt afgebeeld.

3

Een gedeelte van het geretroreflecteerde licht wordt ontvangen door een lichtgevoelige cel.

4

De retroreflector wordt opgespannen op een plaat, waarvan de positie ten opzichte van de opvallende lichtbundel door een draaiing om twee elkaar loodrecht snijdende assen nauwkeurig instelbaar is en opgesteld op een afstand van 10,00 m voor de lichtbron.

5

De lichtgevoelige cel moet in één richting ten opzichte van de aanstralende lichtbundel verplaatst kunnen worden teneinde de waarnemingshoek in te stellen.

6

Bij de meting wordt gebruik gemaakt van de meetapparatuur zoals bedoeld in ECE-Reglement nr. 3.

B

Proef waterpenetratie

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.

C

Brandstoffenproef voorzijde

1

Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het werkzame deel van de voorzijde wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een mengsel van benzine en benzol (verhouding 90:10).

2

Ten minste vijf minuten na het afwissen kan met de toetsing van de lichtsterktecoëfficiënt worden aangevangen.

D

Brandstoffenproef achterzijde

Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.

1

De lichtterugkaatsende achterzijde van de retroreflector, ontdaan van montuur en andere delen bestemd voor bescherming tegen atmosferische invloeden, wordt met een harde nylon borstel geborsteld en daarna gedurende één minuut goed nat gemaakt met een mengsel van benzine en benzol (verhouding 90:10).

2

Vervolgens wordt het mengsel verwijderd en laat men de retroreflector drogen.

3

Zodra de retroreflector geheel droog is, wordt de achterzijde met de harde nylon borstel geborsteld .

4

Vervolgens wordt het gehele oppervlak van de achterzijde bedekt met oostindische inkt.

E

Smeermiddelenproef voorzijde

1

Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.

2

Ten minste vijf minuten na het afwissen kan met de toetsing van de lichtsterktecoëfficiënt worden aangevangen.

F

Warmteproef

De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65° (waarbij een afwijking van 2° C is toegestaan).

G

Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht

1

Licht van een lamp met een kleurtemperatuur van ongeveer 2850°K passeert een aantal lenzen en verwisselbare kleurfilters en gaat vervolgens via de helft van een bepaalde lens naar het oog van een waarnemer.

2

Het door een retroreflector geretroreflecteerde licht wordt via een spiegel door de andere helft van genoemde lens naar het oog van de waarnemer gestuurd. Doordat de lenshelften zich voordoen als gelijkmatig verlichte helften van het in de apparatuur voorhanden gezichtsveld kan de kleur van het retroreflecterende licht vergeleken worden met de kleur van het licht dat via de verwisselbare kleurfilters op het oog aankomt.

3

Door een juiste keuze van de kleurfilters kan worden bepaald of de trichromatische coördinaten van het retroreflecterende licht zich binnen de toegelaten grenzen bevinden.

H

Corrosieproef

1

De retroreflector en de daarbij behorende bevestigingsmiddelen worden in totaal 50 uren blootgesteld aan de inwerking van een zoutnevel. Tussen twee beproevingsperioden, elk van 24 uur, vindt een onderbreking plaats van 2 uur waarin men de retroreflector laat drogen.

2

De zoutnevel wordt voortgebracht door bij een temperatuur van 35° ± 2°C een zoutoplossing te verstuiven, welke verkregen wordt door 5 gewichtsdelen keukenzout op te lossen in 95 gewichtsdelen gedistilleerd water dat niet meer dan 0,02% onzuiverheden mag bevatten.

I

Sterkte bevestiging

1

De sterkte van de bevestiging wordt vastgesteld volgens de methode zoals beschreven in SAE Standard (Society of Automative Engineers, gevestigd in New York, USA): ’Test for motor vehicle lightning devices and components’ - SAE J575e.

2

De meetapparatuur die wordt gebruikt is beschreven in SAE information report ’Vibration test machine’, SAE J577.

Bijlage

2

behorende bij paragraaf 3.2

A

Proef waterpenetratie

1

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare delen en wordt daarna gedurende 10 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.

2

Deze proef wordt herhaald nadat de retroreflector 180° is gedraaid, waarbij de achterzijde zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.

3

Na de laatste periode van 10 minuten wordt de retroreflector gedurende 10 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan).

B

Brandstoffenproef voorzijde

1

Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het werkzame deel van de voorzijde wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in ’testbrandstof’ bestaande uit een volumemengsel van 70% n-heptaan en 30% tolueen.

2

Na 5 minuten wordt de retroreflector gereinigd met een reinigingsmiddel en daarna gespoeld in water.

3

Daarna wordt de retroreflector gedurende een uur geconditioneerd in de standaardatmosfeer.

C

Brandstoffenproef achterzijde

1

De achterzijde van de retroreflector wordt met een harde nylon borstel geborsteld en daarna wordt een katoenen doek, gedrenkt in ’testbrandstof’, bestaande uit een volumemengsel van 70% n-heptaan en 30% tolueen, gedurende 1 minuut op de achterzijde gelegd.

2

Vervolgens wordt de katoenen doek verwijderd en laat men de retroreflector drogen.

3

Zodra de retroreflector geheel droog is, wordt de achterzijde geborsteld met de harde nylon borstel.

4

Vervolgens wordt het gehele oppervlak van de achterzijde bedekt met Oostindische inkt.

D

Smeermiddelenproef voorzijde

Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.

E

Warmteproef

1

De retroreflector en de bijbehorende bevestigingsdelen worden gedurende 48 uren geconditioneerd in een droge atmosfeer bij een temperatuur van 65° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan) en daarna gedurende ten minste 1 uur in de standaardatmosfeer.

2

Na deze periode wordt de retroreflector gedurende 15 uren geconditioneerd bij een temperatuur van -20° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan) en daarna gedurende ten minste 2 uren in de standaardatmosfeer.

F

Proef bestandheid tegen inslag

1

De retroreflector, bevestigd op het wiel overeenkomstig de door de fabrikant aangegeven wijze, wordt gedurende 1 uur bij een temperatuur van -20° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan) geconditioneerd.

2

De retroreflector wordt onmiddellijk daarna in de standaardatmosfeer horizontaal geplaatst met het buitenoppervlak opwaarts gericht en beproefd door op de, gezien de constructie, meest ongunstige plaats van de retroreflector een gepolijst massieve stalen kogel met een diameter van 13 mm vanaf een hoogte van 0,76 m te laten vallen.

G

Corrosieproef

1

De retroreflector en de daarbij behorende bevestigingsdelen worden gedurende 2 perioden van elk 24 uren beproefd, op de wijze zoals bepaald in de Internationale Standaard ISO 3768 van 1 november 1976.

2

De retroreflector wordt tussen de twee perioden van 24 uren gedurende 2 uren gedroogd in de standaardatmosfeer.

3

Na de tweede periode van 24 uren wordt de retroreflector gedurende 1 uur gedroogd in de standaardatmosfeer.

H

Proef sterkte bevestiging

1

De retroreflector wordt op het wiel bevestigd overeenkomstig de door de fabrikant aangegeven wijze.

2

Een kracht van 10 N wordt afzonderlijk in radiale richting en in beide axiale richtingen uitgeoefend op de, gezien de constructie, meest ongunstige plaats van de retroreflector.

3

Nadat de kracht is weggenomen mag de verplaatsing van de optische as niet meer dan 5° bedragen.

4

Het verschil tussen de grootste en de kleinste diametraal gemeten afstand van de retroreflector mag na de proef niet meer bedragen dan 10% van de gemiddelde afstand.

5

De retroreflector wordt tevens bevestigd en beproefd zoals bepaald in paragraaf 10.2.2. van de International Standaard ISO 6742/1 van 1 maart 1985.

Bijlage

3

behorende bij paragraaf 3.3

A

Meting lichtsterktecoëfficiënt

1

De lichtsterktecoëfficiënt wordt gemeten bij een waarnemingshoek van 0°20’. Wanneer bij het meten van de lichtsterkte-coëfficiënt een ongekleurd spiegeleffect optreedt, mag de retroreflector over enkele graden worden verdraaid om te voorkomen dat het meetresultaat door het spiegeleffect wordt beïnvloed.

2

De te meten retroreflector wordt bestraald door het licht van een lamp, ingesteld op een kleurtemperatuur van ongeveer 2850°K, gebundeld door een condensorlens, welke via een projectielens op de retroreflector wordt afgebeeld.

3

Een gedeelte van het geretroreflecteerde licht wordt ontvangen door een lichtgevoelige cel.

4

De retroreflector wordt opgespannen op een plaat, waarvan de positie ten opzichte van de opvallende lichtbundel door een draaiing om twee elkaar loodrecht snijdende assen nauwkeurig instelbaar is en opgesteld op een afstand van 10,00 m voor de lichtbron.

5

De lichtgevoelige cel moet in één richting ten opzichte van de aanstralende lichtbundel verplaatst kunnen worden teneinde de waarnemingshoek in te stellen.

6

Bij de meting wordt gebruik gemaakt van de meetapparatuur zoals bedoeld in ECE-Reglement nr. 3.

B

Proef waterpenetratie

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50° (waarbij een afwijking van 5°C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.