Artikel
1
1
Het subsidieplafond voor het tijdvak van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1999 voor het verlenen van subsidies als bedoeld in artikel 48b, eerste, tweede of derde lid, wordt vastgesteld op f 149 miljoen.
2
Elk van de provincies maakt aanspraak op 1,25% van het bedrag, genoemd in het eerste lid. Het resterende deel van dit bedrag wordt verdeeld overeenkomstig de volgende verdeelsleutel:
-
Groningen
- 5,9%
-
Friesland
- 8,6%
-
Drenthe
- 8,7%
-
Overijssel
- 10,4%
-
Flevoland
- 2,2%
-
Gelderland
- 15,2%
-
Utrecht
- 6,7%
-
Noord-Holland
- 7,8%
-
Zuid-Holland
- 8,0%
-
Zeeland
- 3,6%
-
Noord-Brabant
- 14,7%
-
Limburg
- 8,2%
3
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan bij de verlening van de subsidies als bedoeld in artikel 48b, afwijken van het tweede lid, rekening houdend met:
-
a.
de omvang en aard van de milieu-aandachtsgebieden waarop het uitvoeringsprogramma of de jaarrapportage betrekking heeft;
-
b.
het integrale karakter en de voortgang van de activiteiten opgenomen in het uitvoeringsprogramma of de jaarrapportage;
-
c.
de begroting, financieringswijze en het overzicht van de liquiditeitsbehoefte;
-
d.
de mate waarin het provinciaal bestuur, gemeentebesturen, besturen van waterschappen, andere openbare lichamen en andere rechtspersonen bijdragen aan de activiteiten, of
-
e.
de wijze waarop het toezicht op de uitvoering van het programma is ingevuld.