-dat er naar het oordeel van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers een capacitaire noodsituatie als bedoeld in artikel 4 van de Rva 1997 is ontstaan;
Besluit:
Artikel
1
1
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers is bevoegd bepaalde categorieën asielzoekers uit te sluiten van de ontvangst van verstrekkingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Rva 1997. Indien een asielzoeker is uitgesloten van de ontvangst van de in de eerste volzin bedoelde verstrekkingen, heeft hij aanspraak op vervangende verstrekkingen.
2
Een asielzoeker aan wie op het moment van inwerkingtreding van dit besluit onderdak in een opvangcentrum wordt geboden, wordt uitsluitend uitgesloten van verstrekkingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Rva 1997 indien hij de vervangende verstrekkingen als bedoeld in het eerste lid verkiest boven de verstrekkingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Rva 1997.
De hoogte van de toelage ten behoeve van onderdak buiten een opvangcentrum als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is als volgt: alleenstaande of eerste gezinslid f 100,-, tweede gezinslid f 50,- en per volgend gezinslid f 25,-. De toelage voor een (eenouder) gezin bedraagt maximaal f 200,-.
Op de verstrekking van een eenmalig bedrag ten behoeve van de aanschaf van kleding en schoeisel als bedoeld in artikel 2, onderdeel c is artikel 12 van de Rva 1997, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat dit bedrag niet wordt verstrekt aan de in artikel 1, tweede lid, bedoelde asielzoekers.
Op de mogelijkheid om de vervangende verstrekkingen als bedoeld in artikel 2 geheel of gedeeltelijk te onthouden is artikel 6 van de Rva 1997 van overeenkomstige toepassing.
2
Op de beëindiging van de vervangende verstrekkingen als bedoeld in artikel 2 is artikel 8, eerste lid van de Rva 1997 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de in onderdeel a genoemde ’passende huisvesting buiten een centrum’ moet worden gelezen ’passende huisvesting op grond van de Huisvestingswet of de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf’.
3
De vervangende verstrekkingen als bedoeld in artikel 2 worden voorts beëindigd indien door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers aan de asielzoeker onderdak in een opvangcentrum wordt aangeboden.
Op de tot de in artikel 1 bedoelde categorieën behorende asielzoekers met vermogen of inkomen is artikel 17 van de Rva 1997 van overeenkomstige toepassing.