Artikel
1
De bevoegdheid, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen om de uitspraak op een bezwaarschrift, tegen een door de gemeenteambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken genomen beschikking tot vaststelling van de waarde van een onroerende zaak (WOZ-beschikking) voor ten hoogste een jaar te verdagen, wordt gemandateerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de onroerende zaak is gelegen.