Bekendmaking subsidiabele thema’s Extra Impuls natuur- en milieu-educatie

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Besluit:

Paragraaf

1

Thema's

Artikel

2

Themaprojecten betreffende professionalisering zijn gericht op:

  • a.

    het professionaliseren van uitvoerende organisaties op het gebied van natuur- en milieueducatie door het opstellen en uitvoeren van plannen die daartoe strekken, of

  • b.

    het professionaliseren van ondersteunende organisaties op het gebied van natuur- en milieueducatie, die een actieve en adviserende rol spelen ten behoeve van het professionaliseren van uitvoerende organisaties op het gebied van natuur- en milieueducatie in hun werkgebied.

Artikel

3

Themaprojecten betreffende biodiversiteit zijn gericht op het ontwikkelen van voorbeelden ten behoeve van educatie over duurzaam behoud, duurzame benutting en een eerlijke en billijke verdeling van biodiversiteit op lokaal, regionaal, landelijk en mondiaal niveau alsmede van de voordelen die voortvloeien uit biodiversiteit.

Artikel

4

Themaprojecten betreffende mobiliteit zijn gericht op het bevorderen van leren over keuzen rond mobiliteit door middel van bewustwording en probleemherkenning bij verschillende doelgroepen, zoals vrouwen, ouders, werknemers, jongeren en sporters.

Artikel

5

Themaprojecten betreffende mondiale aspecten zijn gericht op:

  • a.

    het ontwikkelen van samenwerkingsverbanden tussen Nederlandse en mondiale organisaties betrokken bij natuur- en milieueducatie, en

  • b.

    het geven van een breder perspectief aan natuur- en milieueducatie.

Artikel

6

Themaprojecten betreffende duurzaamheid zijn gericht op het ontwikkelen van voorbeelden voor educatieve programma’s in verband met het streven naar duurzaamheid, zoals vastgelegd in de Verklaring van Rio de Janeiro inzake Milieu en Ontwikkeling (UNCED, 1992).

Artikel

7

Themaprojecten betreffende natuurbesef zijn gericht op het ontwikkelen van een natuurbegrip gericht op de noodzaak en het nut van zorgvuldig en duurzaam omgaan met natuur en milieu.

Paragraaf

2

Beoordelingsmaatstaven

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Voor het thema mondiale aspecten komen uitsluitend projecten voor subsidiëring in aanmerking die:

  • a.

    mondiale aspecten integreren in reguliere werkzaamheden;

  • b.

    kennis en kunde van mondiale organisaties benutten;

  • c.

    ingaan op de kennisontwikkeling, -overdracht en -uitwisseling binnen de eigen organisatie en op voorbeeldwerking voor vergelijkbare instellingen;

  • d.

    via mondiale aspecten een breder inhoudelijk en geografisch perspectief aan bestaande natuur- en milieueducatie geven;

  • e.

    via uitwisseling van kennis en informatie op mondiaal niveau mogelijkheden scheppen voor beleving en beoordeling van de inhoud van natuur- en milieueducatie vanuit een verschillend perspectief;

  • f.

    via creativiteit en multiculturele aspecten nieuwe mogelijkheden benutten.

Artikel

12

Voor het thema duurzaamheid komen uitsluitend projecten voor subsidiëring in aanmerking die:

  • a.

    kennis en deskundigheid ontwikkelen voor het werken aan educatie voor duurzaamheid op lokaal of regionaal niveau, en daarbij inhoud en vorm geven aan leerprocessen, uitgaande van bestaande visies op duurzaamheid;

  • b.

    aansluiten bij de Lokale Agenda 21;

  • c.

    betrekking hebben op het ontwikkelen van werkvormen en activiteiten gericht op leren in netwerken;

  • d.

    via creativiteit en multiculturele aspecten nieuwe mogelijkheden benutten;

  • e.

    adviezen op maat verschaffen voor lokale of regionale groepen of overheden ten aanzien van duurzaamheid, bezien vanuit een educatief oogpunt.

Artikel

13

Paragraaf

3

Nadere eisen aan de aanvraag

Artikel

14

Aanvragen voor themaprojecten als bedoeld in artikel 1 verschaffen in maximaal 1000 woorden informatie over:

  • a.

    doel dan wel doelen;

  • b.

    doelgroep;

  • c.

    beoogd eindresultaat;

  • d.

    werkwijze;

  • e.

    beoogde projectuitvoerders en eventuele partners;

  • f.

    kosten;

  • g.

    fasering en planning op hoofdlijnen.

Artikel

15

Aanvragen voor themaprojecten als bedoeld in artikel 1 kunnen worden ingediend tot uiterlijk zes weken na plaatsing van dit besluit in de Staatscourant.

Artikel

16

Aanvragen voor themaprojecten als bedoeld in artikel 1, onderdelen b tot en met f, kunnen een projectduur van meer dan één jaar omvatten, mits de bijbehorende begroting in deelbegrotingen per kalenderjaar is gesplitst.

Artikel

17

Artikel

18

Paragraaf

4

Beschikbare bedragen

Artikel

19

De beschikbare bedragen voor de thema’s, bedoeld in artikel 1, zijn:

  • a.

    professionalisering: in 1998 een budget van f. 260.000,‐;

  • b.

    biodiversiteit: in 1998 een budget van f. 300.000,‐ en in 1999 een budget van f. 225.000,‐;

  • c.

    mobiliteit: zowel in 1998 als in 1999 een budget van f. 300.000,‐;

  • d.

    mondiale aspecten: zowel in 1998 als in 1999 een budget van f. 400.000,‐;

  • e.

    duurzaamheid: in 1998 een budget van f. 500.000,‐ en in 1999 een budget van f. 400.000,‐;

  • f.

    natuurbesef: zowel in 1998 als in 1999 een budget van f. 300.000,‐.

Paragraaf

5

Overige bepalingen

Artikel

20

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Overeenkomstig het door de minister genomen besluit: De Directeur-GeneraalLandbouw, Natuurbeheer en Visserij, J.F. de Leeuw