Artikel
1
1
In deze regeling wordt verstaan onder:
het Ministerie van Economische Zaken en de daaronder ressorterende diensten;
de medewerker van het ministerie;
-
de secretaris-generaal,
-
de directeur-generaal van de Buitenlandse Economische Betrekkingen,
-
de directeur-generaal van Industrie en Diensten,
-
de directeur-generaal van Energie,
-
de directeur-generaal van Economische Structuur,
-
de directeur Voorlichting,
-
de directeur Wetgeving en andere Juridische Aangelegenheden,
-
de directeur Algemene Economische Politiek,
-
de directeur Financiering en Deelnemingen,
-
de directeur Personeel, Organisatie en Informatiemanagement,
-
de directeur Financiën,
-
de directeur van de EVD,
-
de directeur Interne Zaken,
-
de directeur-generaal van de Statistiek;
-
de directeur van de Economische Controledienst,
-
de directeur van de Accountantsdienst,
-
de algemeen directeur van Senter,
-
de directeur van het Centraal Planbureau,
-
de directeur van het Bureau voor de Industriële Eigendom,
-
de inspecteur-generaal der Mijnen en
-
de directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit;
hetgeen daaronder wordt verstaan in de artikelen 61 en 62 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
een vergoeding, beloning, gift of belofte, in welke vorm dan ook, die aan een medewerker in zijn hoedanigheid van ambtenaar wordt aangeboden of gedaan door een derde en die strekt tot zijn privé-voordeel;
een geschenk van geringe waarde dat door een derde routinematig aan zijn relaties pleegt te worden aangeboden.