Artikel
1
1
In deze regeling wordt verstaan onder:
het Ministerie van Economische Zaken en de daaronder ressorterende diensten;
degene die werkzaam is bij het ministerie of onder gezag van de Nederlandse Mededingingsautoriteit;
de secretaris-generaal, de hoofden van de onderscheiden dienstonderdelen en buitendiensten van het ministerie, en de Raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit;
hetgeen daaronder wordt verstaan in de artikelen 61 en 62 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
een vergoeding, beloning, gift of belofte, in welke vorm dan ook, die aan een medewerker in zijn hoedanigheid van ambtenaar wordt aangeboden of gedaan door een derde en die strekt tot zijn privé-voordeel;
een geschenk van geringe waarde dat door een derde routinematig aan zijn relaties pleegt te worden aangeboden;
een medewerker die door de Minister van Economische Zaken is belast met de taken, genoemd in artikel 8a, tweede lid, van deze regeling;
een medewerker die verplicht is tot het melden van zijn financiële belangen;
een lijst met één of meer benoemde financiële belangen of categorieën van financiële belangen;
niet-openbare vertrouwelijke informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk ziet op de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarop de effecten betrekking hebben of op de handel in effecten, en waarvan openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten of op de koers van daarvan afgeleide effecten;
-
1°.
een effect in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, tenzij dit is uitgegeven door een beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Tweede Richtlijn Vennootschapsrecht van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1976 (77/91/EEG),
en tevens wordt verhandeld op een beurs waarop van overheidswege toezicht wordt uitgeoefend binnen de Europese Economische Ruimte;
-
2°.
andere rechten, voortvloeiende uit contractsrelaties, voor zover deze rechten worden verhandeld op een beurs waarop van overheidswege toezicht wordt uitgeoefend binnen de Europese Economische Ruimte;
-
1°.
de echtgenoot of partner van de meldingsplichtige, alsmede de personen met wie de meldingsplichtige een gemeenschappelijke huishouding voert;
-
2°.
natuurlijke personen of rechtspersonen namens wie de meldingsplichtige financiële belangen beheert;
-
3°.
rechtspersonen waarin de meldingsplichtige zeggenschap ten aanzien van concrete beleggingsbeslissingen toekomt;
een schriftelijke overeenkomst, gesloten met een derde, niet zijnde een gelieerde derde, waarin de beslissingsbevoegdheid over afzonderlijke financiële belangen is overgedragen aan die derde, die derde slechts algemene instructies over spreiding van het risico en verdeling over verschillende soorten financiële belangen zal opvolgen, en die instructies niet vaker dan eenmaal per zes maanden kunnen worden gewijzigd.