Opgravingsbevoegdheid Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
Besluit:
Artikel
2
Een opdrachtverlening als bedoeld in artikel 1, tweede lid, laat de verantwoordelijkheid van de ROB voor de uit een oogpunt van archeologische monumentenzorg vereiste kwaliteit van de te verrichten werkzaamheden, onverlet.
Artikel
3
Een opdracht als bedoeld in artikel 1, tweede lid, wordt verleend onder de voorwaarde dat de ROB de JWS aanwijzingen kan geven die de ROB uit oogpunt van archeologische monumentenzorg noodzakelijk acht.
Artikel
4
Indien een opdracht als bedoeld in artikel 1, tweede lid, wordt verleend, gelden de volgende voorschriften:
-
1.
De ROB stelt kwaliteitseisen vast die passen bij de aard en omvang van de werkzaamheden waarvoor opdracht is verleend;
-
2.
De ROB maakt met in achtneming van de Monumentenwet 1988 afspraken met JWS omtrent de te volgen procedure in geval van bodemvondsten en het maken van een basisrapportage;
-
3.
De ROB houdt toezicht op de uitvoering van de werkzaamheden door JWS.
Artikel
5
Onderdeel C, onder 13, van de beschikking van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, van 21 november 1980, kenmerk MMA/MO 209.080, wordt ingetrokken.
Artikel
6
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 1998.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.