Wet van 10 december 1998 tot wijziging van de Gemeentewet, de Waterschapswet en de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet met betrekking tot de werktuigenvrijstelling (Wet wijziging werktuigenvrijstelling)

Wet wijziging werktuigenvrijstelling

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen van de Gemeentewet en van de Waterschapswet met betrekking tot de werktuigenvrijstelling in de onroerende-zaakbelastingen respectievelijk in de waterschapsomslag gebouwd te wijzigen en de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet daaraan aan te passen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL

I

Wijzigt de Gemeentewet.

ARTIKEL

II

Wijzigt de Waterschapswet.

ARTIKEL

III

Wijzigt de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet.

ARTIKEL

IV

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2001, maar is voor de waardebepaling, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, ten behoeve van het tijdvak dat aanvangt op 1 januari 2001, van toepassing vanaf 1 januari 1999.

ARTIKEL

V

Deze wet wordt aangehaald als: Wet wijziging werktuigenvrijstelling.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, A. Peper
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, J. M. de Vries
De Minister van Justitie, A. H. Korthals