Regeling milieugerichte technologie 1999

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Besluit:

Paragraaf

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
de minister:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

b.
groep:

economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

  • 1º.

    een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect:

    • meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan;

    • volledig aansprakelijk vennoot is van, of

    • overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

  • 2º.

    laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

c.
milieuverdienste:

belang van een project voor de vermindering van de belasting van het milieu;

d.
haalbaarheidsproject:

samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden om een product, apparaat, systeem of techniek te ontwikkelen of in de praktijk toe te passen;

e.
onderzoeks- of ontwikkelingsproject:

samenhangend geheel van activiteiten, gericht op:

  • 1º.

    het vermeerderen van technisch of wetenschappelijk inzicht ten aanzien van een product, apparaat, systeem of techniek;

  • 2º.

    het geschikt maken van een product, apparaat, systeem of techniek voor toepassing in de praktijk, niet zijnde een praktijkexperiment, of

  • 3º.

    het verbeteren van het ontwerp van een product, apparaat, systeem of techniek;

f.
praktijkexperiment:

samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit het treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, voorzover geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het vergroten van inzicht in de geschiktheid voor toepassing in de praktijk van een product, apparaat, systeem of techniek, alsmede de daarmee samenhangende activiteiten, geheel of nagenoeg geheel gericht op het verbeteren van die geschiktheid;

g.
kennisoverdrachtproject:

samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het overdragen van kennis en informatie over de toepassing van milieutechnologie aan een bepaalde doelgroep;

h.
demonstratieproject:

samenhangend geheel van activiteiten die een technisch en economisch risico inhouden, bestaande uit het treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, met behulp van:

  • 1º.

    voor Nederland nieuwe producten, apparaten, systemen of technieken, of

  • 2º.

    een voor Nederland nieuwe toepassing van producten, apparaten, systemen of technieken, alsmede de daarmee samenhangende activiteiten, bestemd voor het demonstreren van voorzieningen en de daarmee behaalde resultaten met inbegrip van het verstrekken van gegevens aan de minister ten behoeve van de verspreiding van kennis omtrent de aard en resultaten van de voorzieningen;

i.
marktintroductieproject:

samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit het in Nederland treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, met behulp van producten, apparaten, systemen of technieken die:

  • 1º.

    reeds eerder zijn gedemonstreerd maar die in Nederland nog niet gebruikelijk zijn, en

  • 2º.

    een verdergaande bescherming van het milieu bieden dan zou worden bereikt wanneer uitsluitend zou worden voldaan aan de terzake geldende wettelijke voorschriften;

j.
toepassingsproject:

het ten behoeve van het toepassen in de praktijk investeren in een reeds tot ontwikkeling gebracht product, apparaat, systeem of techniek, waarvan stimulering van de toepassing op grote schaal wegens de milieuverdienste gewenst is;

k.
ondernemer:
  • 1º.

    een natuurlijke persoon voor wiens rekening een onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt gedreven, of

  • 2º.

    een belastingplichtige in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele kosten, onderscheidenlijk het maximale subsidiebedrag, is voor:

  • a.

    haalbaarheidsprojecten: 90% tot een maximaal subsidiebedrag van f 200.000,-;

  • b.

    onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 1.000.000,-, met dien verstande dat het maximale subsidiepercenta- ge van de subsidiabele kosten 60% is en het maximale subsidiebedrag f 1.000.000,- is, indien:

    1°. de subsidie-aanvrager een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van de Communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor kleine en middelgrote ondernemin-gen (PbEG 1996, C 213), of

    2°. de subsidie-aanvrager geen ondernemer is;

  • c.

    praktijkexperimenten: 50% tot een maximaal subsidiebedrag van f 2.000.000,-, met dien verstande dat het maximale subsidiepercentage 60% is en het maximale subsidiebedrag f 2.000.000,- is, indien:

    1°. de subsidieaanvrager een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van de Communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor kleine of middelgrote ondernemingen (PbEG 1996, C 213), of

    2°. de subsidie-aanvrager geen ondernemer is;

  • d.

    kennisoverdrachtprojecten: 90% tot een maximaal subsidiebedrag van f 200.000,-;

  • e.

    demonstratieprojecten: 35% voorzover de subsidiabele kosten niet meer bedragen dan f 1.000.000,-, en voorzover de subsidiabele kosten meer bedragen dan f 1.000.000,-, over het meerdere 25%, met dien verstande dat het maximale subsidiebedrag niet meer is dan f 5.000.000,-;

  • f.

    marktintroductieprojecten: 25% tot een maximaal subsidiebedrag van f 5.000.000,-;

  • g.

    toepassingsprojecten: 15% tot een maximaal subsidiebedrag van f 500.000,-.

Artikel

5

De subsidie-onvanger is verplicht:

  • a.

    bij de uitvoering van het project te beschikken over de daarvoor nodige vergunningen en ontheffingen, en

  • b.

    indien de voor de uitvoering van het project nodige vergunningen en ontheffingen niet zullen worden verkregen, daar de minister onmiddellijk van in kennis te stellen.

Paragraaf

2

Subsidieprogramma Milieu & Technologie 1999

Artikel

6

Paragraaf

3

Subsidieprogramma Industrieel, flexibel en demontabel bouwen 1999

Artikel

7

Paragraaf

4

Subsidieprogramma Demonstratieprojecten Mobiele bronnen 1999

Artikel

8

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    wegvoertuigen: voertuigen die zijn toegelaten tot het verkeer op de weg ingevolge hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van brom- en motorfietsen en driewielige motorrijtuigen;

  • b.

    hybride voertuigen: wegvoertuigen, zijnde personen- of bestelauto’s, die ten behoeve van de aandrijving voorzien zijn van twee energieconversiesystemen en twee energieopslagsystemen en waarvan de aandrijfmotoren minimaal een vermogen van 10 kW hebben;

  • c.

    vrachtwagens: wegvoertuigen met een maximaal toegestane massa van meer dan 3500 kg die zijn ingericht voor het vervoer van lading of voor het voortbewegen van een aanhangwagen of oplegger;

  • d.

    bestelauto’s: wegvoertuigen met een maximaal toegestane massa van niet meer dan 3500 kg die zijn ingericht voor het vervoer van lading;

  • e.

    speciale voertuigen: wegvoertuigen met een maximaal toegestane massa van meer dan 3500 kg die niet zijn ingericht voor het vervoer van personen of lading of voor het voortbewegen van een aanhangwagen of oplegger;

  • f.

    vaartuigen: bedrijfsmatig gebruikte vaartuigen, bestemd voor het verrichten van werkzaamheden op of aan de Nederlandse vaarwegen en het transport van goederen en personen over die vaarwegen, met inbegrip van de territoriale zee van Nederland.

Artikel

9

Artikel

10

Een wijziging van de richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking (PbEG L76) gaat voor de toepassing van artikel 9, tweede lid, onderdelen a, onder 1°, b, onder 1°, en d gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijzigingsrichtlijn in werking is getreden.

Artikel

11

Artikel

12

Indien het een project betreft, dat betrekking heeft op wegvoertuigen en dat niet een toepassingproject als bedoeld in artikel 9, derde lid, betreft, dient de subsidie-ontvanger er voor zorg te dragen dat de wegvoertuigen uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik worden genomen, dan wel ‐ ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark of meer dan 25 wegvoertuigen betreft ‐ de eerste helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik wordt genomen en de tweede helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft, uiterlijk binnen 24 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend, op de openbare weg in gebruik wordt genomen.

Artikel

13

Paragraaf

5

Subsidieprogramma Reductie luchtemissies bedrijven 1999

Artikel

14

In deze paragraaf wordt verstaan onder broeikasgas: methaan (CH4), lachgas (N2O), of de fluorverbindingen HFK’s, PFK’s of SF6.

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Paragraaf

6

Subsidieprogramma Stimulering Productgerichte Milieuzorg 1999

Artikel

19

Paragraaf

7

Slotbepalingen

Artikel

20

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel

21

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling milieugerichte technologie 1999.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer J.P. Pronk