Artikel
1
Het in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het notarisambt bedoelde afsluitend examen op het gebied van het recht, dat met goed gevolg afgelegd moet worden om het beroep van kandidaat-notaris te kunnen uitoefenen, omvat de volgende onderdelen:
-
a.
grondige kennis van en inzicht in de volgende onderdelen van het burgerlijk recht – mede in hun onderlinge samenhang – :
-
1°.
het personen- en familierecht, in het bijzonder het huwelijksvermogensrecht,
-
2°.
het ondernemingsrecht, in het bijzonder het rechtspersonen- en vennootschapsrecht,
-
3°.
het vermogensrecht,
-
4°.
het recht met betrekking tot registergoederen,
-
5°.
het erfrecht, en
-
6°.
het internationaal privaatrecht, voorzover van belang voor de notariële praktijkuitoefening;
-
1°.
-
b.
grondige kennis van en inzicht in het executierecht alsmede kennis van en inzicht in het burgerlijk procesrecht, beslag- en faillissementsrecht, voorzover van belang voor de notariële praktijkuitoefening;
-
c.
grondige kennis van en inzicht in het belastingrecht, voorzover van belang voor de notariële praktijkuitoefening;
-
d.
kennis van en inzicht in het bestuursrecht, voorzover van belang voor de notariële praktijkuitoefening;
-
e.
grondige kennis van en inzicht in het recht met betrekking tot het notariaat, in het bijzonder de Wet op het notarisambt;
-
f.
kennis van en inzicht in bedrijfseconomie, voorzover van belang voor de notariële praktijkuitoefening;
-
g.
schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid in de vorm van een scriptie of een andere gelijkwaardige, schriftelijke, onderzoeksprestatie op juridisch gebied.