Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking tot vaststelling van subsidieplafonds en beleidsvoornemens voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken
Subsidieplafonds en beleidsvoornemens voor subsidiëring Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
De subsidieplafonds, vastgesteld in de artikelen 2 tot en met 5 en 11 tot en met 18 gelden tot en met 31 december 1999. De subsidieplafonds, vastgesteld in de artikelen 6 tot en met 10 gelden tot en met 15 september 1999.
Artikel
2
1
Voor subsidieverlening op grond van hoofdstuk II, afdeling 1, paragraaf 3, van de regeling bedraagt het subsidieplafond: f 0.
2
Het in het eerste lid genoemde plafond geldt niet voor:
a.
het Programma Ondersteuning Buitenlands Beleid;
b.
incidentele doelbijdragen als bedoeld in artikel 06.06.09 van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het jaar 1999.
Artikel
3
Vervallen
Artikel
4
Vervallen
Artikel
5
1
Voor subsidieverlening op grond van hoofdstuk II, afdeling 4, paragraaf 1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken is het subsidieplafond geldend voor het jaar 1999 als volgt:
a.
voor het Landenprogramma met betrekking tot kinderen en ontwikkeling is het subsidieplafond opgeheven;
b.
voor bestrijding van kinderarbeid is het subsidieplafond opgeheven;
c.
voor het Landenprogramma met betrekking tot maatschappelijke ontwikkeling is het subsidieplafond opgeheven;
d.
voor Institutionele ontwikkeling: f 0.
2
Voor subsidieverlening op grond van artikel 2.4.1, onderdeel c, van de regeling geldt ten aanzien van subsidiëring van activiteiten gericht op bestrijding van kinderarbeid het in bijlage 1 bij dit besluit opgenomen beleidsvoornemen.
Artikel
6
Voor subsidieverlening op grond van hoofdstuk II, afdeling 4, paragraaf 2, van de regeling bedraagt het subsidieplafond: f 0.
Artikel
7
Voor subsidieverlening op grond van hoofdstuk II, afdeling 4, paragraaf 4, van de regeling bedraagt het subsidieplafond: f 500.000.
Artikel
8
Voor subsidieverlening op grond van hoofdstuk II, afdeling 4, paragraaf 5, van de regeling bedraagt het subsidieplafond: f 0.
Artikel
9
Voor subsidieverlening op grond van hoofdstuk II, afdeling 4, paragraaf 6, van de regeling bedraagt het subsidieplafond: f 0.
Artikel
10
Voor subsidieverlening op grond van hoofdstuk II, afdeling 5, van de regeling bedraagt het subsidieplafond:
a.
voor het thema Nederland Vrijhaven:
f 4.000.000;
b.
voor Grootschalige Manifestaties:
f 3.000.000;
c.
voor exploitatiesubsidies:
f 0.
Artikel
11
Vervallen
Artikel
12
Vervallen
Artikel
13
Vervallen
Artikel
14
Vervallen
Artikel
15
Vervallen
Artikel
16
Voor subsidieverlening op grond van hoofdstuk II, afdeling 7, paragraaf 1, van de regeling bedraagt het subsidieplafond: f 0.
Artikel
17
Voor subsidieverlening op grond van hoofdstuk II, afdeling 10, paragraaf 1, van de regeling bedraagt het subsidieplafond: f 200.000.
Artikel
18
1
Voor subsidieverlening op grond van hoofdstuk II, afdeling 12, van de regeling met betrekking tot activiteiten gericht op of ter bevordering van intensivering bilaterale betrekkingen West-Europa bedraagt het subsidieplafond: f 200.000.
2
Voor subsidieverlening op grond van het hoofdstuk II, afdeling 12, van de regeling geldt ten aanzien van subsidiëring van activiteiten gericht op of ter bevordering van intensivering bilaterale betrekkingen West-Europa het in bijlage 2 opgenomen beleidsvoornemen.
Artikel
19
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit zal met de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking
namens dezen,
De wnd. secretaris-generaal, B.J. vanEenennaam
Bijlage
1
Beleidsvoornemen ten aanzien van kinderarbeid.
De aanvraag voor een project moet in lijn zijn met het beleid aangaande de bestrijding van kinderarbeid zoals beschreven in de notitie ’Kinderarbeid Wereldwijd’ uit 1998. De doelgroep betreft kinderen tot 18 jaar en het belang van de kinderen moet centraal staan. Kinderen moeten zoveel mogelijk geconsulteerd worden en betrokken zijn bij opstellen en implementeren van het project. Het genderaspect dient te zijn meegewogen. Salariskosten maken in beginsel een beperkt deel uit van het project. Het project moet, met het oog op duurzaamheid en draagvlak, door andere organisaties mede worden georganiseerd.
Ter bevordering van de bilaterale relaties met de ons omringende landen, heeft de regering in 1995 een speciale begrotingsfaciliteit gecreëerd. Uit dit budget kunnen kleinschalige activiteiten worden gesubsidieerd.
Zeer algemeen kan worden gesteld dat projecten die in aanmerking komen voor subsidiëring uit IBB-WE de bilaterale betrekkingen bevorderen met een aantal West-Europese landen dat uit buitenlands-politiek oogpunt van groot belang voor Nederland is. Het gaat hierbij om Duitsland, het Verenigd Konink-rijk, Frankrijk, België, Luxemburg, Spanje en Italië. Gestreefd wordt naar een evenwichtige verdeling van gelden over deze landen.
Doelgroepen IBB-WE
Als doelgroepen voor activiteiten die onder IBB-WE worden gesubsidieerd komen in eerste instantie beleids- en opiniemakers in aanmerking. De projecten dienen deze groepen rechtstreeks met elkaar in aanraking te brengen, dan wel de randvoorwaarden te scheppen waardoor contacten over en weer kunnen worden verbreed en/of verdiept.
Projecten die primair op beeldvorming bij het grote publiek zijn gericht kunnen in aanmerking komen voor subsidieverlening mits zij een bijdrage leveren aan het verbeteren van de bilaterale politieke relaties.
Mogelijke projecten
Activiteiten die voor subsidiëring in aanmerking kunnen komen zijn onder meer: seminars, conferenties, studieprojecten, uitwisselingsprogramma’s en publikaties.
Aanvragers hoeven niet in Nederland gevestigd te zijn.
Het project is commercieel niet haalbaar; indien het project door het Ministerie van Buitenlandse Zaken reeds op andere grondslag wordt bekostigd, komt het niet in aanmerking voor co-financiering uit IBB-WE;
3
Het projectvoorstel voldoet aan de in dit beleidsvoornemen omschreven inhoudelijke eisen en gaat vergezeld van een afdoende begroting en projectomschrijving; daarnaast dient de aanvrager te kunnen aantonen over de vereiste logistieke en inhoudelijke capaciteiten te beschikken om het project uit te voeren;
4
Het project heeft een duidelijke politieke component; activiteiten die primair economisch, cultureel of onderwijskundig zijn gericht, komen niet in voor subsidiëring in aanmerking; hiervoor bestaan immers specifieke subsidiemogelijkheden;
5
Het project is gericht te zijn op bovenbeschreven doelgroepen;
6
Het project voldoet aan ten minste één van de volgende inhoudelijke eisen:
het project is gericht op het vergroten van het begrip voor wederzijds beleid en beleidsvorming,
het project maakt het mogelijk dat doelgroepen in beide landen van elkaars ervaringen leren op specifieke beleidsterreinen,
het project levert een bijdrage aan het bilaterale voortraject bij EU-besluitvorming,
het project levert een bijdrage aan het verbeteren van de wederzijdse beeldvorming; ook hierbij dient echter sprake te zijn van een politieke component,
het project verschaft inzicht in de grensoverschrijdende samenwerking, dan wel levert een bijdrage aan nieuwe vormen van grensoverschrijdende samenwerking.