Regeling eed en belofte SZW 1999

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Na overleg met de Departementale Ondernemingsraad,

Besluit:

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel

2

De eed of belofte wordt afgelegd door:

  • a.

    eenieder die bij beschikking van de Minister, danwel op voordracht van de Minister bij Koninklijk Besluit, wordt aangesteld als ambtenaar in de zin van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;

  • b.

    de ambtenaar, aangesteld in algemene dienst van het Rijk, die bij het Ministerie wordt tewerkgesteld en die niet eerder ter zake van een aanstelling in Rijksdienst een eed of belofte heeft afgelegd.

Artikel

3

De betrokkene bepaalt zelf of hij de eed, dan wel de belofte wil afleggen.

Artikel

4

Tenzij bijzondere omstandigheden dat verhinderen, legt de betrokkene de eed of belofte af binnen twee maanden na de datum van ingang van de aanstelling of de tewerkstelling.

De betrokkene ontvangt daartoe een oproep.

Artikel

5

De eed of de belofte wordt afgelegd:

  • a.

    door een Secretaris-Generaal: ten overstaan van de Minister;

  • b.

    door alle andere betrokkenen: ten overstaan van de Secretaris-Generaal, dan wel, bij diens afwezigheid, ten overstaan van de plaatsvervangend Secretaris-Generaal.

Artikel

6

De eed of de belofte wordt afgelegd in aanwezigheid van een getuige, aangewezen door de autoriteit ten overstaan van wie de eed of de belofte wordt afgelegd.

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

’s-Gravenhage
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, K.G. deVries