Artikel
1
Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over.
op 11 november 1999 vastgesteld het navolgende
BESLUIT
Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over.
De ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in legbatterijen houdt is niet verplicht bij iedere stal de voorruimte te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen indien hij voldoet aan de eisen zoals omschreven in Bijlage I.
Indien de score groter dan 2,0 maar kleiner of gelijk aan 3,0 is dan dient de betreffende stal, nadat een volgend koppel uit de stal is geruimd, door een professioneel ontsmettingsbedrijf te worden ontsmet.
Indien de score groter is dan 3,0 dan dient de betreffende stal, nadat een volgend koppel uit de stal is geruimd, door een professioneel ontsmettingsbedrijf te worden ontsmet. Na het ontsmetten dient een hygiëne-onderzoek te worden verricht, waarvan de score kleiner of gelijk aan 2,0 dient te zijn.
Voordat een koppel leghennen wordt geruimd dient ten minste 0,5 % van dat koppel te worden bemonsterd door middel van bloedmonsters, met een minimum van 24 leghennen en een maximum van 60 leghennen. Als een koppel leghennen tegen S.e. geënt is met een entstof die interfereert met de diagnostiek, dan mag het onderzoek plaatsvinden door middel van mestmonsters. Voordat een koppel leghennen wordt geruimd moeten dan (bij voorkeur blindedarm)mest- en/of cloacamonsters worden genomen bij minimaal 150 dieren, verzameld als mengmonsters van maximaal 25 individuele monsters.
De informatie die verkregen is uit het onderzoek van de monsters, als bedoeld in artikel 4, dient schriftelijk te worden vastgelegd en te worden doorgegeven aan de afnemer van de eieren en aan het Productschap. Indien de analyseresultaten van het onderzoek door het betreffende erkende laboratorium rechtstreeks aan het Productschap worden doorgegeven heeft de ondernemer voldaan aan de in de vorige zin bedoelde verplichting om de informatie door te geven aan het Productschap.
Indien uit onderzoek blijkt dat een leghennenbedrijf is besmet met Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium is de betreffende ondernemer verplicht een tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan op te stellen en is de betreffende ondernemer verplicht het desbetreffende plan uit te voeren. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van het model als opgenomen in Bijlage II.
Indien uit onderzoek blijkt dat een koppel leghennen op een meerleeftijdenleghennenbedrijf besmet is met Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium dan dient de ondernemer, naast het bepaalde in het eerste lid, alle andere op het bedrijf aanwezige koppels leghennen, ongeacht de leeftijd, te laten onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium, op de wijze als omschreven in artikel 4 van de verordening.
In het geval dat binnen een meerleeftijdenstal een S.e/S.t. besmetting wordt geconstateerd, mogen geen leghennen worden geplaatst voordat de ten tijde van de besmetting aanwezige leghennen geruimd zijn.
Indien de pluimveehouder graan voert afkomstig van eigen teelt of rechtstreeks afkomstig van een andere teler, dient van iedere partij graan een monster te worden achtergehouden. Indien bij een koppel leghennen besmetting met Salmonella is aangetoond, dient het achtergehouden monster graan te worden onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella. De monstername en het onderzoek geschieden volgens het werkvoorschrift zoals opgenomen in bijlage III bij dit besluit.
Indien het graan besmet is met Salmonella, mag de rest van de partij graan niet meer aan de leghennen gevoerd worden, tenzij het graan zodanig is behandeld, dat het graan niet meer met Salmonella is besmet. Na de behandeling van het graan dient ter verificatie opnieuw volgens het werkvoorschrift zoals opgenomen in bijlage IV bij dit besluit een Salmonellaonderzoek te worden verricht. Het graan mag uitsluitend gevoerd worden indien het verificatieonderzoek uitwijst dat de partij graan niet meer met Salmonella is besmet.
Daar waar bekend is dat een koppel leghennen S.e./S.t.-positief is, moeten de eieren worden afgezet naar de eiproductenindustrie of een andere effectieve en toegestane (warmte)behandeling ondergaan. Deze eieren mogen niet als klasse A eieren worden verhandeld. Afzet naar de eiproductenindustrie is verplicht in de volgende situaties:
als bij het opfoklegkoppel, bij het onderzoek dat maximaal 21 dagen voor overplaatsing moet zijn uitgevoerd, S.e. of S.t. is geconstateerd;
als in een meerleeftijdenstal, na constatering van S.e./S.t. bij de geruimde hennen, ook de overige in die stal nog aanwezige dieren S.e./S.t.-positief blijken te zijn (het onderzoek bij de andere leeftijden hennen is al verplicht);
als op een meerleeftijdenbedrijf, na constatering van S.e./S.t. bij de geruimde hennen, ook S.e./S.t. bij de andere op het bedrijf aanwezige koppels via bloedonderzoek S.e./S.t. is vastgesteld;
nadat een koppel bij het bloedonderzoek maximaal 9 weken voor ruimen S.e./S.t. positief blijkt.
Pas als uit verificatie-onderzoek door de GD blijkt dat het koppel vrij is van S.e. of S.t. mogen de eieren als klasse A eieren worden verhandeld. Ten behoeve van het verificatie-onderzoek worden door de GD 150 mestmonsters genomen die tot 6 monsters van ieder 25 worden gepoold.
De gekanaliseerde afzet van eieren naar de eiproductenindustrie gaat voor de meerleeftijdenbedrijven in op 1 april 2002.
De ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in legbatterijen houdt is niet verplicht iedere stal te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen, mits hij de hygiëne op één van de volgende wijzen heeft gewaarborgd:
Hygiënesluis per bedrijfsgebouw die volledig afgescheiden is van de ruimte waarin het pluimvee gehouden wordt, waarbij een fysieke scheiding aanwezig is tussen bufferdeel en schoon deel en waarin het bufferdeel van kleding en schoeisel gewisseld wordt. In het schone deel dienen voldoende aantallen bedrijfsgebouweigen schoeisel en -kleding aanwezig te zijn.
Met dezelfde kleding en schoeisel mag nooit het volgende bedrijfsgebouw worden betreden
Per bedrijf van kleding wisselen in een aparte omkleedruimte/kantine, die alleen deze functie heeft. Hier worden ook schone laarzen aangetrokken. Deze ruimte wordt gezien als de centrale hygiënesluis. Per bedrijfsgebouw is bedrijfsgebouweigen schoeisel aanwezig, dat ook bij het betreden van dat gebouw gebruikt wordt. Alle stallen binnen dit bedrijfsgebouw mogen worden betreden.
|
INHOUDSOPGAVE |
1 |
|
1 INLEIDING |
1 |
|
2 INTAKE OP HET BEDRIJF |
2 |
|
2.1 ALGEMENE BEDRIJFSGEGEVENS |
2 |
|
2.2 HISTORIE ROND HYGIËNE EN S.E/S.T |
4 |
|
2.3 PLATTEGROND VAN HET BEDRIJF |
5 |
|
2.4 HET GEBRUIK VAN DE CHECKLIST |
6 |
|
3 TRACEREN VAN BESMETTINGSBRONNEN OP HET BEDRIJF |
7 |
|
3.1 OMGEVING EN INRICHTING BEDRIJF |
8 |
|
3.2 REINIGEN EN ONTSMETTEN |
11 |
|
3.4 ONGEDIERTEBESTRIJDING |
14 |
|
4 TRACEREN VAN BESMETTINGSBRONNEN BIJ DE DIEREN |
17 |
|
4.1 HENNEN |
18 |
|
4.2 VOER |
19 |
|
4.3 WATER |
20 |
|
4.4 EIEREN |
22 |
|
4.5 MEST |
24 |
|
5 MONITORING |
25 |
|
5.1 SALMONELLA - ONDERZOEK |
25 |
|
5.2 INFORMATIE - OVERDRACHT |
26 |
|
5.3 PROCEDURE NA BESMETTING |
26 |
|
6 BESTRIJDINGSPLAN |
29 |
|
6.1 OP KORTE TERMIJN |
29 |
|
6.2 OP LANGERE TERMIJN |
29 |
De Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE) hebben in 1997 het “Plan van aanpak, preventie en bestrijding Salmonella in de eiersector” opgesteld. Hierin staan de maatregelen die een pluimveehouder moet nemen om Salmonella te bestrijden.
Wanneer op een meerleeftijdenbedrijf S.e. of S.t. wordt geconstateerd, moet samen met de dierenarts, Gezondheidsdienst en/of een andere deskundige een uitgebreid tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan voor het bedrijf worden opgesteld om de besmetting op het bedrijf te bestrijden en een herbesmetting te voorkomen. Dit plan dient te worden opgesteld tussen de uitslag van de (bloed)monstername en het plaatsen van het volgende koppel dieren. Op het eenleeftijdbedrijf geldt dezelfde verplichting zodra de besmetting zich voor een tweede achtereenvolgende keer op het bedrijf voordoet.
Wanneer het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan niet succesvol blijkt te zijn, kan de PVE aanvullende eisen aan het bedrijf stellen wat betreft inrichting, bestrijdings- en beheersingsmaatregelen en de logistiek en bestemming van de eieren.
Dit Handboek biedt een handleiding voor het traceren, monitoren en bestrijden van S.e./S.t. op legbedrijven middels een op maat geschreven Bedrijfshygiëneplan. Het Bedrijfshygiëneplan zal per specifiek (besmet) bedrijf richting geven aan een nieuwe opzet waarbij de kans op (her)besmetting zoveel mogelijk wordt vermeden. Bedrijfsspecifieke aandachtspunten worden systematisch verzameld en als actiepunten naar de ondernemer toe vertaald.
Het Handboek is een opstap tot het Bedrijfshygiëneplan. De huidige situatie m.b.t. de werkwijze, werkvolgorde, goederenstroom, hygiëne, gedrag en denkwijze van de ondernemer wordt in kaart gebracht. Uitgangspunt bij de screening is de “Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999”. Hierin staan een aantal productievoorwaarden zoals die sinds 1 november 1997 voor pluimveehouders gelden.
De screening van het (besmette) bedrijf vindt plaats aan de hand van de checklist in het Handboek. Door met de pluimveehouder de aandachtspunten van de checklist na te lopen, de ogen tijdens de rondgang op het bedrijf goed de kost te geven en aan de hand van de bedrijfsplattegrond na te gaan of de werkwijze en/of bedrijfsopzet voor verbetering vatbaar is, resulteert het Bedrijfshygiëneplan in een aantal concrete actiepunten (bestrijdingsplan).
Met het uitvoeren van de actiepunten (en aanbevelingen) wordt een zo hoog mogelijke drempel voor (her)besmetting opgeworpen.
Voor de screening kan het pluimveebedrijf het beste de hulp van een extern deskundige inroepen. Hij/zij is niet bedrijfsblind en kan daardoor de valkuilen en besmettingsrisico’s beter aangeven dan de ondernemer zelf.
Door middel van open vragen met: “Wat, waarom, en vooral hoe?”, wordt er een audit gehouden bij de veehouder. Doel van dit gesprek is o.a. het gedrag van de pluimveehouder te leren kennen. Daartoe wordt het volgende geïnventariseerd:
|
ADRESGEGEVENS |
|
|
Naam: |
|
|
Adres: |
|
|
Postcode : |
|
|
Woonplaats: |
|
|
Telefoon: |
|
|
Fax: |
|
|
Mobiel: |
|
IKB-DEELNAME |
|
|
Deelnemer |
J/N |
|
OMVANG BEDRIJF |
||||
|
Pluimvee |
||||
|
Stal |
Aantal |
Stalsysteem |
Afvoer/opslag mest |
Leeftijd (wk) |
|
1. |
||||
|
2. |
||||
|
3. |
||||
|
4. |
||||
|
5. |
||||
|
Overige diersoorten |
||||
|
Stal |
Aantal |
Diersoort |
||
|
6. |
||||
|
7. |
||||
|
8. |
||||
|
9. |
||||
|
10. |
||||
|
Huisdieren |
||||
|
Aantal |
||||
|
Honden |
||||
|
Katten |
||||
|
Vogels |
||||
|
Overige… |
||||
|
OMVANG BEDRIJF |
||
|
Werknemers |
||
|
Naam |
woont op bedrijf |
|
|
ja/nee |
||
|
ja/nee |
||
|
ja/nee |
||
|
ja/nee |
|
OMLIGGENDE PERCELEN |
||||
|
Ha…. |
Bouw-/grasland |
Nu verbouwd gewas |
Eigendom of derden |
|
|
Ten noorden |
||||
|
Ten oosten |
||||
|
Ten zuiden |
||||
|
Ten westen |
|
OMLIGGENDE GEBOUWEN EN PERCELEN VAN DERDEN |
||
|
Bedrijf of particulier |
Afstand (meters) |
Diersoorten en aantal dieren |
Rondje zetten om wat van toepassing is bij (+/-):
|
VORIGE KOPPELS |
|||||||
|
Uitslag hygiëne- onderzoek*Uitslag van het laatste hygiëneonderzoek voor plaatsing van de hennen |
Opzet- datum koppel |
Aflever- datum koppel |
Aantal hennen |
Salmonella uitslag: |
Mate van besmetting ***Hiervoor aangeven hoeveel besmettingen er waren. Bijvoorbeeld 8 van de 24 dieren waren besmet, aangeven door 8/24. |
||
|
Einde opfok |
Tussen -tijds**Indien er tussentijds Salmonella onderzoek is gedaan, vermelden of uitslag(en) positief of negatief was. |
Einde leg |
|||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
|
HUIDIGE KOPPELS |
|||||||
|
Uitslag hygiëne- onderzoek*Uitslag van het laatste hygiëneonderzoek voor plaatsing van de hennen |
Opzet- datum koppel |
Aantal hennen |
Salmonella uitslag: |
Mate van besmetting ***Hiervoor aangeven hoeveel besmettingen er waren. Bijvoorbeeld 8 van de 24 dieren waren besmet, aangeven door 8/24. |
|||
|
Einde opfok |
Tussen -tijds**Indien er tussentijds Salmonella onderzoek is gedaan, vermelden of uitslag(en) positief of negatief was. |
Einde leg |
|||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
||||
|
+/- |
+/- |
+/- |
/ |
Hoe denkt de pluimveehouder dat hij een besmetting met Salmonella heeft gekregen?
…………………………………………………………………………………………………. …………………………………………………………………………………………………. …………………………………………………………………………………………………. …………………………………………………………………………………………………. ………………………………………………………………………………………………….
Teken een plattegrond waarop de bedrijfsgebouwen staan aangegeven. Eventueel met cijfer daarbij vermelden:
|
• |
Stal 1, zie paragraaf 2.1 |
• |
Sloten op de deuren |
|
• |
Stal 2 |
• |
Erfverharding |
|
• |
Stal 3 |
• |
Erfbeplanting |
|
• |
Stal 4 |
• |
Hekwerken |
|
• |
Stal 5 |
• |
Voerruimtes in de stal |
|
• |
Stal 6 |
• |
Hygiënesluis, plankje/bankje |
|
• |
Stal 7 |
• |
Parkeerplaats |
|
• |
Stal 8 |
• |
Gereedschap |
|
• |
Stal 9 |
• |
Spoelwateropslag |
|
• |
Stal 10 |
• |
Het Noorden |
|
• |
Plaats van deuren in de stallen |
Bij het doorlopen van de checklisten dient de route van het voer en de eieren op de plattegrond te worden aangegeven.
Door middel van een checklist worden alle mogelijke risicobronnen met betrekking tot (her)besmetting van S.e en S.t. systematisch doorgelopen. Daarbij wordt de bedrijfsplattegrond gebruikt om de route of plek van bepaalde dingen te bepalen.
Lees voordat u de checklist van het Handboek toepast, eerst de “Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999” door, zodat de artikelen waaraan niet voldaan wordt, voldoende aandacht krijgen.
De eisen zoals die in de “Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999” zijn gesteld, zijn in dit Handboek cursief gedrukt. De daarbij bijbehorende vragen zijn met een sterretje aangegeven. Het bedrijf wordt verondersteld al aan deze productievoorwaarden te voldoen. Als dat inderdaad zo is, wordt “ voldoet ” omcirkeld. Als het bedrijf nog niet aan deze voorwaarden voldoet, is het per definitie een actiepunt.
De bedrijfsplattegrond wordt gedurende het doorlopen van de checklist bijgewerkt. Indien er “ Aangeven per stal ” staat, is er in de antwoordkolom 5 maal ruimte voor een antwoord. Het bovenste antwoord geldt dan voor stal 1, daaronder voor stal 2, enzovoort.
De checklist is als volgt opgebouwd:
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
|
Goed |
Normaal |
Slecht |
|||
|
Omgeving van het bedrijf: |
|||||
|
A |
1. Hoeveel pluimveebedrijven liggen er in een straal van 1 km van uw bedrijf? |
0 |
1-2 |
>3 |
Bij de checklist is de volgende kolomindeling aangehouden:
|
1ste kolom |
Nummer van desbetreffende artikel uit de “Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999”. Een sterretje (*) betekent dat de vraag betrekking heeft op dit artikel en dat het bedrijf daar aan moet voldoen. |
|
|
2de kolom |
De letter geeft aan op welke bedrijven de vraag betrekking heeft: |
|
|
A |
= alle bedrijven |
|
|
B |
= batterij bedrijven |
|
|
S |
= scharrel |
|
|
D |
= deeppit stal |
|
|
F |
= systeem met vrije uitloop (en freiland) |
|
|
M |
= meerleeftijdenbedrijf |
|
|
3de kolom |
Omschrijving van de vraag. Als het een artikel betreft is het cursief gedrukt. |
|
|
4de –6de kolom |
Geeft antwoord op betreffende vraag: “ Goed ”, “ Normaal ” of “ Slecht ”. De punten die omcirkeld zijn in de kolom “ Slecht ”, vormen een actiepunt voor het bedrijf en komen terug in het hoofdstuk 6, “Actiepunten voor het bedrijf” (bestrijdingsplan). |
Bedrijfshygiëne is de basis voor een goed tegenoffensief. Met de juiste hygiënemaatregelen is het risico op besmetting preventief in te dammen.
In de checklist wordt afgetast of het bedrijf voldoende preventieve maatregelen heeft genomen en/of nog meer drempels kan opwerpen om (her)besmetting te voorkomen.
De in de checklist aangeven onderdelen “Slecht” geven de actiepunten weer waarin het bedrijf zich dient te verbeteren.
PLAATJE INVOEGEN
|
Goed |
Normaal |
Slecht |
|||
|
Omgeving van het bedrijf: |
|||||
|
A |
1. Hoeveel pluimveebedrijven liggen er in een straal van 1 km van uw bedrijf? |
0 |
1-2 |
>3 |
|
|
A |
2. Wordt er pluimveemest van derden op de omliggende percelen gereden? |
Nee |
Ja |
||
|
Het bedrijf: |
|||||
|
A |
3. Hoeveel andere diersoorten dan pluimvee zijn er op het bedrijf? |
0 |
1 |
>2 |
|
|
A |
4. Past u het all-in all-out systeem voor het gehele bedrijf toe? |
Altijd |
Per stal |
Nooit |
|
|
A |
5. Is het erf schoon en vrij van zaken waar ongedierte op af komen |
Brand- schoon |
Schoon |
Nee |
|
|
Schoon/vuil gedeelte: |
|||||
|
2.2.a |
A |
Ondernemers zijn verplicht het perceel waarop het pluimveebedrijf wordt uitgeoefend zodanig in te richten dat de perceelgrenzen herkenbaar zijn en dat voor bezoekers duidelijk is waar zij zich moeten melden. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Kunnen bezoekers door een bel kenbaar maken dat ze er zijn? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
A |
2. Zijn de perceelsgrenzen als zodanig herkenbaar? (afrastering, muur, sloot, houtwal, duidelijke wisseling van bouwplan) |
Ja |
Nee |
|
|
A |
3. Staat er een hek rondom uw bedrijf? |
Ja |
Gedeeltelijk |
Nee |
|
|
A |
4. Kunnen alle silo’s van buiten dit hek gevuld worden? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
5. Maken uw bezoekers consequent gebruik van de hygiënesluis? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
6. Maakt u zelf consequent gebruik van de hygiënesluis? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
7. Wordt er een bezoekersregistratie bijgehouden? |
Ja |
Nee |
||
|
2.2.g |
A |
De looproutes van en naar de bedrijfsgebouwen moeten verhard zijn |
Voldoet |
Voldoen niet |
|
|
2.2.h |
A |
Er moet een deugdelijke afwatering van het perceel zijn |
Voldoet |
Voldoet niet |
Geeft op de plattegrond het schone en vuile gedeelte van het bedrijf aan.
|
Gebouwen: |
|||||
|
2.2.b |
A |
Ondernemers zijn verplicht de bedrijfsgebouwen en inventaris schoon te houden |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Hoe vaak wordt de voerruimte en de daarin staande inventaris gereinigd? |
Elke dag |
Wekelijks |
Maande- lijks |
|
* |
A |
2. Hoe vaak wordt de raap- en sorteerruimte gereinigd? |
Elke dag |
Om de dag |
Wekelijks |
|
A |
3. Is de dierruimte in de stal(len) stoffig, vol met spinnewebben en/of vochtig? |
Nee |
Ja |
||
|
B |
4. Zijn de gangpaden schoon? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
5. Is de vloer glad, zonder scheuren/barsten? |
Ja |
Redelijk |
Nee |
|
|
2.2.c |
A |
Ondernemers zijn verplicht de bedrijfsgebouwen zodanig in te richten, dat ongehinderde toegang door derden tot de stallen niet mogelijk is. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Zijn de stallen op slot als u afwezig bent? |
Altijd |
Soms |
Nooit |
|
* |
A |
2. Is er vrij toegang van de stal naar buiten toe (achter de stal)? |
Nooit |
Soms |
Altijd |
|
* |
A |
3. Is er vrij toegang tot de mestopslag? |
Nee |
Hek |
Ja |
|
A |
4. Is er vrij toegang van buiten achter de stal naar binnen toe? |
Nooit |
Soms |
Altijd |
|
|
A |
5. Zijn de inlaatopeningen afgeschermd voor vogels? |
Ja |
Half |
Nee |
|
|
A |
6. Zijn de inlaatopeningen afgeschermd voor muizen? |
Ja |
Nee |
||
|
Voor niet –batterij bedrijven: |
|||||
|
2.2.d |
S |
Ondernemers zijn verplicht in iedere stal een voorruimte te hebben die volledig afgescheiden is van de ruimte waarin het pluimvee gehouden wordt. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
S |
1. Is er een voorruimte aanwezig apart van de dieren? |
Ja |
Nee |
|
|
2.2.e |
S |
Ondernemers zijn verplicht bij iedere stal een fysieke scheiding aan te brengen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
S |
1. Is er een fysieke scheiding tussen het bufferdeel en het schone deel? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
S |
2. Is er bij die scheiding voldoende schoon schoeisel aanwezig? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
S |
3. Wordt er per stal apart schoeisel gebruikt? |
Ja |
Nee |
|
|
A |
4. Is dit schoeisel per stal gemerkt? |
Ja |
Nee |
||
|
Voor batterijbedrijven: |
|||||
|
2.3 |
B |
Artikel 2.2.d is niet van toepassing op een ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent waarbij het pluimvee wordt gehouden in legbatterijen, mits de betreffende ondernemer voldoet aan het door het Bestuur gestelde eisen. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
Optie A: hygiëne sluis per bedrijfsgebouw |
|||||
|
* |
B |
1. Is er een hygiënesluis aanwezig? Zie verder hygiënesluis |
Ja |
Nee |
|
|
Optie B: hygiëne sluis voor gehele bedrijf aanwezig waar bedrijfseigen schoeisel en kleding worden aangetrokken |
|||||
|
* |
B |
2. Is er een hygiënesluis aanwezig? Zie verder hygiënesluis |
Ja |
Nee |
|
|
* |
B |
3. Wordt er per stal gewisseld van schoeisel? |
Ja |
Nee |
|
|
A |
4. Is dit schoeisel per stal gemerkt? |
Ja |
Nee |
||
|
Hygiënesluis: |
|||||
|
A |
1. Maakt u gebruik van een hygiënesluis of van een omkleedruimte? |
Hygiëne- sluis |
Omkleed- ruimte |
Niets |
|
|
A |
2. Er is een duidelijke scheiding tussen het schone en vuile gedeelte door middel van een bank? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
3. Er zijn twee deuren aanwezig, nl 1 voor het schone en 1 voor het vuile gedeelte? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
4. In de hygiënesluis hangen bordjes ‘verboden toegang’? |
Ja |
Nee |
Geeft op de plattegrond aan:
schoeisel
wasbak
kleding
|
2.1.d |
A |
Ondernemers zijn verplicht alleen bezoekers toegang tot de bedrijfsgebouwen te verschaffen, als dit voor de bedrijfsvoering strikt noodzakelijk is en indien zij handelen overeenkomstig de voorwaarden van de persoonlijke en bedrijfshygiëne. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Hoevaak gaat er iemand (behalve uzelf en gezinsleden) van buiten het bedrijf naar binnen? Schat dit eens in per week. U kunt denken aan personeel; voorlichter; ongediertebestrijder; handelaar; dierenarts, vang/entploegen, chauffeur voer, chaffeur eieren, klanten die eieren komen kopen; etc. |
0-10 |
10-50 |
>50 |
|
* |
A |
2. Hoevaak gaat er iemand (behalve uzelf en gezinsleden) van buiten het bedrijf naar het schone gedeelte? |
0 |
1-2 |
>2 |
|
2.1.e |
A |
Ondernemers zijn verplicht er op toe te zien dat alle op het bedrijf aanwezige personen de persoonlijke en bedrijfshygiëne volledig in acht nemen. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Bezoekers kunnen alleen via de hygienesluis op uw bedrijf komen? |
Ja |
Meestal |
Nee |
|
2.1.g |
A |
Ondernemers zijn verplicht per bedrijf in minstens één van de bedrijfsgebouwen een handenwasgelegenheid te hebben, waarbij ten minste een wasbak met afvoer, water, zeep en een handdoek aanwezig is. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
A |
1. Voordat bezoekers naar het schone gedeelte gaan moeten ze douchen? |
Ja |
Nee |
||
|
2.1.i |
A |
Ondernemers zijn verplicht er op toe te zien dat, voordat de stal wordt betreden, de handen worden gewassen. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Wassen bezoekers hun handen voordat ze de stal in gaan? |
Ja |
Nee |
|
|
A |
2. Wassen de bezoekers voordat ze hun overal aantrekken hun handen? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
3. Er is warm water aanwezig? |
Ja |
Nee |
||
|
2.1.h |
A |
Ondernemers zijn verplicht er voor zorg te dragen dat de faciliteiten voor persoonlijke hygiëne in een goed functionerende staat zijn. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Doet de kraan het? |
Ja |
Nee |
|
|
2.1.f |
A |
Ondernemers zijn verplicht er op toe te zien dat alle personen die het bedrijf willen betreden, vóór het betreden van het schone deel van het bedrijfsgebouw schone bedrijfskleding aantrekken. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Er zijn schone overalls in verschillende maten aanwezig? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
A |
2. Er zijn schone laarzen met gladde zolen in verschillende maat aanwezig? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
A |
3. Maken bezoekers gebruik van deze voorzieningen? |
Altijd |
Meestal |
Soms |
|
A |
4. Er is een ontsmettingsbak of laarzen- reiniger met ontsmettingsmiddel aanwezig |
Ja |
Nee |
||
|
A |
5. Wordt de ontsmettingsbak wekelijks gereinigd en opnieuw gevuld? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
6. Hoeveel van de volgende materialen komen er per maand van buitenaf op uw bedrijf: materiaal voor bloedtappen; pen+ papier; silostofzak; klimaatapparatuur; |
0 |
2-5 |
>5 |
|
|
etc. |
|
Goed |
Normaal |
Slecht |
|||
|
Afleveren koppel en daarna: |
|||||
|
3.1 |
A |
Iedere ondernemer is verplicht onmiddellijk na het ontruimen van een stal waarin hij een koppel pluimvee heeft gehouden, de in die stal aanwezige mest en strooisel te verwijderen en na afvoer van de mest en strooisel de betreffende stal grondig te reinigen en te ontsmetten. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
Goed |
Normaal |
Slecht |
|||
|
* |
A |
1. Worden mest en destructiematerialen zodanig afgevoerd dat ze niet in contact komen met andere koppels of nieuwe koppel hennen? |
Nee |
Ja |
|
|
Reinigen en ontsmetten: |
|||||
|
A |
2. Hoe wordt er gereinigd? |
Nat met reinigings middel |
Nat |
Droog |
|
|
A |
3. Hoe wordt er ontsmet? |
Stomen |
M.b.v. fogg/ pannen |
Niet |
|
|
B |
4. Reiniging van de binnenkant beluchtingskanalen |
Ja |
Alleen rondom |
Nooit |
|
|
S |
5. Reiniging van de ruimte onder de legnesten |
Blazen/ Zuigen |
Bezem |
Nooit |
|
|
A |
6. Hoe wordt het erf gereinigd |
Spuiten |
Bezem |
Nooit |
|
|
A |
7. Hoe vaak wordt het erf gereinigd |
Wekelijks |
Regel- matig |
Jaarlijks |
|
|
A |
8. Hoe vaak wordt het erf ontsmet |
Regel- matig |
Elk koppel |
Nooit |
|
|
3.7 |
A |
Indien een ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent, gebruik heeft gemaakt van een professioneel ontsmettingsbedrijf, bij het, ingevolge artikel 3.1 verplichte, reinigen en ontsmetten, is dat betreffende bedrijf, in afwijking van artikel 3.3, vrijgesteld van de verplichting een hygiëne-onderzoek uit te laten voeren. |
Voldoet: Vrij- gesteld van artikel 3.3 |
Voldoet niet: Niet vrij- gesteld van artikel 3.3 |
|
|
* |
A |
1. Wordt door een profesioneel bedrijf ontsmet? |
Ja |
Zelf |
|
Wijze van reinigen |
|
|
Welk reinigingsmiddel |
|
|
Wijze van ontsmetten |
|
|
Welk ontsmettingsmiddel |
|
|
Ontsmettingsduur |
|
|
Temperatuur bij ontsmetten |
|
|
Naam professioneel bedrijf |
|
|
Uitslag hygiëne-onderzoek |
|
3.3 |
A |
Iedere ondernemer die een pluimveebedrijf uitoefent is verplicht na het reinigen en ontsmetten, zoals bedoeld bij artikel 3.1 een hygiëne-onderzoek te laten uitvoeren door een erkende instantie. De uitslag van dit onderzoek dient te voldoen aan de norm voor het betreffende staltype. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Hoe luidde de uitslag van het laatste hygiëne-onderzoek? (bij zelf ontsmetten) |
< 2,0 |
2,0 – 3,0 |
> 3,0 |
|
A |
Hoeveel keer is er ontsmet/gestoomd? |
2 |
1 |
0 |
|
|
3.8 |
A |
Artikel 3.2 is niet van toepassing op ondernemers die een leghennenbedrijf uitoefenen waarin minder dan 250 leghennen worden gehouden en waarvan de eieren bestemd zijn voor eigen consumptie en/of boerderijverkoop. |
n.v.t. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
3.10 |
A |
Iedere ondernemer is verplicht de uitslag van het hygiëne-onderzoek, als bedoeld bij artikel 3.3 twee jaar te bewaren. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
Aanwezigheid van huisdieren en ongedierte: |
|||||
|
2.1.a |
A |
Ondernemers zijn verplicht binnen de bedrijfsgebouwen geen huisdieren, landbouwhuisdieren en ander pluimvee, sier- en nutsgevogelte toe te laten. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Komen er katten of honden in de stal? |
Nooit |
Soms |
|
|
* |
A |
2. Komen er vogels in de stal? |
Nee |
Ja |
|
|
2.1.b |
A |
Ondernemers zijn verplicht indien ander pluimvee, sier- of nutsgevogelte wordt gehouden op het perceel waarop het pluimveebedrijf wordt uitgeoefend, deze dieren achter een afscheiding of in een volière te houden, waardoor deze dieren niet bij de pluimveestallen kunnen komen en de verzorging van deze dieren strikt gescheiden te houden van het pluimvee. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Komen er andere pluimvee, sier- of nutsvogels bij het bedrijfsmatige gehouden pluimvee? |
Nooit |
Soms |
|
|
2.1.j |
A |
Ondernemers zijn verplicht een ongediertebestrijdingsplan op te stellen en volgens het plan te werken. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Is er een ongediertebestrijdingsplan? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
A |
2. Wordt er volgens het bedrijfseigen ongediertebestrijdingsplan gewerkt? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
3. Of wordt dit uitbesteed aan een professioneel bestrijdingsbedrijf? |
Ja |
Nee |
||
|
Goed |
Normaal |
Slecht |
|||
|
B |
1. Om de hoeveel dagen wordt er mest afgedraaid? (per stal aangeven) |
0-5 0-5 0-5 0-5 0-5 |
6-7 6-7 6-7 6-7 6-7 |
>8 >8 >8 >8 >8 |
|
|
B |
2. Indien er opslag van droge mest is, hoe hoog is het drogestof-%? (per stal aangeven) |
>80% >80% >80% >80% >80% |
40-80% 40-80% 40-80% 40-80% 40-80% |
<40% <40% <40% <40% <40% |
Geef op de plattegrond aan:
plaats waar de ratten en muizen met gif worden gevoerd.
|
2.2.b |
A |
Ondernemers zijn verplicht het perceel waarop het pluimveebedrijf wordt uitgeoefend en de directe omgeving van de stallen schoon te maken en op te ruimen, zodat geen ongedierte aangetrokken wordt. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Hoeveel muizen signaleert u per week? |
0 |
1 of meer |
|
|
* |
A |
2. Hoeveel ratten signaleert u per week? |
0 |
1 of meer |
|
|
* |
A |
3. Heeft u op uw bedrijf last van vliegen? (aangeven per stal) |
Weinig Weinig Weinig Weinig Weinig |
Normaal Normaal Normaal Normaal Normaal |
Veel Veel Veel Veel Veel |
|
A |
4. Heeft u op uw bedrijf last van bloedluizen of mijten? (aangeven per stal) |
Nee Nee Nee Nee Nee |
Plaatselijk Plaatselijk Plaatselijk Plaatselijk Plaatselijk |
Hele stal Hele stal Hele stal Hele stal Hele stal |
|
|
A |
5. Komen er tempexkevers op uw bedrijf voor? Of spekkevers? (aangeven per stal) |
Nooit Nooit Nooit Nooit Nooit |
Soms Soms Soms Soms Soms |
Vaak Vaak Vaak Vaak Vaak |
|
|
* |
A |
6. Zijn aanvoerplaatsen van voer en dieren en afvoerplaatsen mest en dieren verhard? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
A |
7. Zijn deze plaatsen visueel schoon? |
Brand- Schoon |
Schoon |
Vuil |
|
A |
8. Is de wand v.d. stal binnen 1 m van de buitenkant vrij van obstakels? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
9. Is het erf rond de stallen dicht begroeid? |
Nee |
Ja |
||
|
* |
A |
10.Zijn er op het schone gedeelte materialen aanwezig welke niet noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering? |
Nee |
Ja |
|
|
* |
A |
11.Zijn er op het bedrijfsperceel materialen aanwezig welke niet noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering? |
Nee |
Ja |
|
|
* |
A |
12.Is er buiten de stallen mest op het bedrijf aanwezig van een voorgaande ronde? |
Nee |
Ja |
|
|
* |
A |
13.Zijn er andere resten van een voorgaande ronde op het bedrijf aanwezig? |
Nee |
Ja |
|
|
2.1.k |
A |
Ondernemers zijn verplicht alle acties met betrekking tot wering, signalering en bestrijding van ongedierte vast te leggen en te intensiveren bij een toename van het ongedierte. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Staat in het ongediertebestijdingsplan welke middelen, in welke dosering, wanneer en waar ze tegen gebruikt zijn? |
Ja |
Nee |
|
|
A |
2. Hoe vaak wordt er van werkzame stof gewisseld bij de bestrijding van ongedierte en vliegen? |
Elke keer |
Na 2-3 keer |
Altijd hetzelfde |
Bij het traceren dient men te letten op zaken die het bedrijf aan- en afvoert en de manier waarop de pluimveehouder hiermee op z’n bedrijf omgaat. Door bijvoorbeeld voor het voer na te gaan hoe dit het bedrijf binnen komt, hoe het is opgeslagen (en misschien zelfs weer van het bedrijf wordt afgevoerd) zijn mogelijk risicovolle besmettingsbronnen op te sporen.
Bij de checklist zijn de zaken aangetekent in de kolom “Slecht” aanleiding om het betreffende punt te gaan verbeteren.
PLAATJE INVOEGEN
Met de voorkant van de stal wordt gedoeld op die kant waar de voerruimte zich bevindt (= waar de eieren worden afgevoerd). Aan de achterkant wordt in de regel ontmest.
|
Aan- en afvoer hennen: |
|||||
|
A |
1. Waar komen de hennen op het bedrijf? |
Voorkant |
Achterkant |
||
|
A |
2. Wordt de laadploeg voorzien van bedrijfskleding en -schoeisel? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
3. Worden de hencontainers na afloop op het bedrijf gereinigd? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
4. Zijn de hennen Salmonella vrij? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
5. Is er informatie betreffende de voorgaande kolom? (alleen bij IKB) |
Ja |
Nee |
||
|
A |
6. Wanneer wordt er gecontroleerd op Salmonella? (S.e. en S.t.) |
Elke maand |
Einde van koppel |
Nooit |
|
|
F |
7. Komen de hennen buiten (uitloop)? (aangeven per stal) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
||
|
A |
8. Waar worden de hennen afgeleverd? |
Achter- kant |
Voorkant |
||
|
Gezondheid: |
|||||
|
A |
1. Hoeveel keer heeft u de huidige koppels behandeld tegen een ziekte? (aangeven per stal) |
0 |
1-2 |
>2 |
|
|
0 |
1-2 |
>2 |
|||
|
0 |
1-2 |
>2 |
|||
|
0 |
1-2 |
>2 |
|||
|
0 |
1-2 |
>2 |
|||
|
A |
2. En het koppel daarvoor? (aangeven per stal) |
0 |
1-2 |
>2 |
|
|
0 |
1-2 |
>2 |
|||
|
0 |
1-2 |
>2 |
|||
|
0 |
1-2 |
>2 |
|||
|
0 |
1-2 |
>2 |
|||
|
Kadavers: |
|||||
|
A |
1. Hoe vaak (aantal dagen) worden de dode dieren uit de stal verwijderd? |
Min. 2x per dag |
Elke dag |
>1 dag |
|
|
A |
2. Waar worden de kadavers opgeslagen? |
Gesloten kadaver- ton |
Open ton, afgesloten ruimte |
Open ton |
|
|
A |
3. U heeft een kadaverkoeling op uw bedrijf? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
4. Worden de kadavers via dezelfde weg als de mest afgevoerd? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
5. Worden de kadavers via de vuile weg afgevoerd? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
6. Met welke regelmaat worden de kadavers van het bedrijf afgevoerd? |
1 x per wk |
1 x per 2wk |
> 1 x per 2 wk |
|
|
A |
7. Katten, honden en ongedierte kunnen niet bij de kadavers |
Ja |
Nee |
||
|
A |
8. Bevindt de opslag zich buiten de stal? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
9. Wordt de opslag van kadavers na afvoer gereinigd? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
10. Wordt de opslag van kadavers na reiniging ontsmet? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
11. Worden de kadavers bij de openbare weg aangeboden? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
12. Is de ondergrond daarbij verhard? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
13. Is deze ondergrond vloeistof dicht? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
14. Wordt deze ondergrond na afvoer gereinigd en ontsmet? |
Ja |
Nee |
Geef op de tekening aan:
waar voer het bedrijf binnen komt
de voersilo’s en andere opslagplaatsen van voer
de vulpijpen
|
Voer: |
|||||
|
2.2.i |
A |
Ondernemers zijn verplicht voedersilo’s op een verharde ondergrond te plaatsen, schoon te houden, van buiten de stallen te vullen en te voorzien van een bedrijfsuniek nummer (ingeval er meer silo’s zijn). |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Gebeurt dit zo? |
Ja |
Nee |
|
|
A |
2. Hoe komt het voer op het bedrijf binnen? |
Achter- kant v.d. stal |
Voorkant v.d. stal |
||
|
2.2.j |
A |
Ondernemers zijn verplicht gebruik te maken van een bedrijfseigen stofzak bij het lossen van het voer. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Gebeurt dit zo? |
Ja |
Nee |
|
|
A |
2. Is voerleverancier GMP erkend? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
3. Wordt er voer of enkelvoudige grondstof (tarwe, ccm, van eigen bedrijf of elders aangekocht) bijgemengd? |
Nee |
Ja, volgende vraag |
|
Goed |
Normaal |
Slecht |
|||
|
A |
4. Is het voer of de grondstof genoemd in de vorige vraag gegarandeerd salmonella vrij? (aangetoond door monstering en analyse of verzekerd door leverancier?) |
Ja |
N.v.t. |
Nee |
|
|
A |
5. Wordt het voer weleens aangezuurd? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
6. Komt de silo voor elke leverantie geheel leeg? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
7. Hoe vaak worden de voersilo’s gereinigd? |
Regel- matig |
Na elke ronde |
Nooit, volgende vraag |
|
|
A |
8. Kan de silo eenvoudig op voerresten worden gecontroleerd? |
Ja |
Nee |
||
|
* |
A |
9. Worden voerresten (na elke ronde) uit de silo verwijderd? |
Ja |
Nee |
|
|
A |
10.Wat gebeurt er met het restvoer in het voersysteem nadat het koppel weg is? |
Wordt afgevoerd |
Gaat naar andere hennen |
Blijft tot volgende ronde |
|
|
Opslag: |
|||||
|
2.2.k |
A |
Ondernemers zijn verplicht voeders, aanwezig bodem- en neststrooisel en verpakkingsmateriaal zodanig op te slaan dat deze schoon, droog en schimmelvrij blijven. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
1. Gebeurt dit zo? |
Ja |
Nee |
Geef op de tekening aan:
eventuele waterbron of waterkranen voor drinkwater voor de hennen.
|
Drinkwater: |
|||||
|
2.1.l |
A |
Ondernemers zijn verplicht drinkwater van een eigen bron in combinatie met een gesloten drinkwatersysteem, drinkwater van een eigen bron en drinkwater van het openbare water-leidingnet in combinatie met een open drink-watersysteem jaarlijks door een erkende instantie te laten onderzoeken en de onderzoeksresultaten twee jaar te bewaren. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
A |
1. Wat voor drinkwatersysteem heeft u? (Gesloten = rechtstreeks aangesloten of via voorraadvat met goed sluitende deksel) |
Gesloten drink- water- systeem |
Open drinkwater- systeem of eigen bron |
||
|
* |
A |
2. Wordt het drinkwatersysteem gereinigd en ontsmet tijdens de leegstandperiode? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
A |
3. Wordt het water jaarlijks onderzocht? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
A |
4. Wordt het water 6 weken voor het afleveren van het koppel onderzocht? |
Ja |
Nee |
|
2.1.n |
A |
Indien gebruik wordt gemaakt van drinkwater van het openbare waterleidingnet i.c.m. een gesloten drinkwatersysteem en drinkwateronderzoek is uitgevoerd overeenkomstig 2.1.l, vervalt de verplichting tot reiniging en ontsmetting, mits de uitslag voldoet aan de door het Bestuur vastgestelde norm. |
Voldoet Vervalt Artikel 2.1.m |
Voldoet niet |
|
|
2.1.m |
A |
indien gebruik wordt gemaakt van drinkwater van het openbare waterleidingnet i.c.m. een gesloten drinkwatersysteem, aan te tonen dat het drinkwatersysteem tijdens elke leegstandperiode wordt gereinigd en ontsmet. |
Voldoet |
Voldoet niet Voldoet aan artikel 2.1.n |
|
|
Voor: - open drinkwatersysteem - gesloten drinkwatersyteem welke niet elke ronde gereinigd en ontsmet wordt - eigen bron |
|||||
|
* |
A |
1. Is bij een gesloten drinkwatersysteem in één stal en bij een open drinkwatersysteem in elke stal een bacteriologisch drinkwateronderzoek verricht? (aangeven per stal) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
* |
A |
2. Zijn de monsters voor het bacteriologisch drinkwateronderzoek aan het eind van het drinkwatersysteem genomen? (aangeven per stal) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
* |
A |
3. Is, indien het drinkwater afkomstig is van een eigen bron jaarlijks, per bron een chemisch drinkwateronderzoek verricht? (aangeven per stal) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
* * |
A A |
4. Is, indien het drinkwater afkomstig is van een eigen bron jaarlijks, per bron een bacteriologisch drinkwateronderzoek verricht? : bij gesloten systeem: 1 stal − bij open systeem: alle stallen − 5. Is de monstername t.b.v. dit onderzoek door een erkende instantie uitgevoerd? (vergelijk met een bloedonderzoek) (aangeven per stal) |
Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
* |
A |
6. Is de analyse t.b.v. dit onderzoek door een erkende instantie uitgevoerd? (aangeven per stal) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
* |
A |
7. Indien het chemisch drinkwateronderzoek niet aan de normen voldeed, zijn er dan corrigerende acties ondernomen en is het succes hiervan door middel van een nieuw drinkwateronderzoek aangetoond? (aangeven per stal) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
* |
A |
8. Indien het bacteriologisch drinkwater- onderzoek niet aan de normen voldeed, is het drinkwatersysteem tijdens de leegstand gereinigd en ontsmet? (aangeven per stal) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
Voor gesloten drinkwatersysteem welke tijdens leegstand wordt gereinigd en ontsmet: |
|||||
|
* |
A |
9. Is het drinkwatersysteem tijdens de leegstand gereinigd en ontsmet? (aangeven per stal) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
A |
10. Bij het toedienen van vitamines, medicijnen of mineralen wordt gebruik gemaakt van: |
Medicijn- doseerder |
Mengen in voor- raadvat |
Anders, nl.. |
Geef op de tekening aan:
route van de eieren, spijlenband
raapruimte
opslag van de eieren
opslag van de lege containers
opslag van de verpakking
|
Eieren rapen & controle van de hennen: |
||||||
|
M |
1. |
Bij controle van de hennen: welke stal wordt dan als eerste gecontroleerd? |
Jongste hennen |
Oudste hennen |
||
|
M |
2. |
Bij het rapen van de eieren: welke stal wordt dan als eerste geraapt? |
Jongste hennen |
Oudste hennen |
||
|
M |
3. |
Wordt bij de inpakmachine dezelfde volgorde gebruikt? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
4. |
Raapt u de struifeieren van de eierbandjes voordat u de inpakker aanzet? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
5. |
Haalt u de open breuk/kneus er bij de inpakker zoveel mogelijk uit (2e persoon)? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
6. |
Hoe vaak wordt de inpakmachine gereinigd? |
Elke dag |
Elke week |
Elke maand |
|
|
A |
7. |
Hoe vaak wordt de vloer onder en rond de inpakmachine gereinigd? |
Elke dag |
Elke week |
Maande- lijks |
|
|
A |
8. |
Worden de 2e soort eieren gewassen en als 1e soort verkocht? |
Nee |
Ja |
|
Eieren: |
|||||
|
A |
1. Staan de eieren opgeslagen in een open verbinding met de dieren? |
Nee |
Buffer- ruimte |
Ja |
|
|
A |
2. Worden de eieren geconditioneerd opgeslagen in een aparte bewaarruimte? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
3. Worden de eieren van het Salmonella positieve koppel in aparte containers opgeslagen en apart gehouden? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
4. Hoe vaak worden de eieren gecontroleerd op Salmonella? |
Maande- lijks |
Nooit |
||
|
A |
5. Hoe worden de eieren afgevoerd? |
Voorkant stal |
Achter- kant stal |
||
|
A |
6. Leidt de uitgang v.d. eierbewaarplaats rechtstreeks naar buiten? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
7. Kan de chaffeur op het schone deel van het bedrijf komen? |
Nee |
Ja |
||
|
A |
8. Welke trays worden gebruikt? |
Nieuwe |
Gedesin- fecteerde trays |
Tweede- hands |
|
|
A |
9. Worden de containers gereinigd voordat ze op het bedrijf komen? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
10.Waar gaat de struif heen? |
Afvoeren |
Andere dieren op het bedrijf |
Een salmonellabacterie kan in het eiwit, eigeel of aan de binnenkant van de schaal voorkomen. De bacterie kan daar van buiten af komen, bijvoorbeeld bij het afkoelen van het ei of het ei kan besmet worden vanuit het dier. In opgedroogde eieren blijft de salmonella aanwezig. Hierdoor kunnen ook de stofdeeltjes van een opgedroogd ei salmonella bevatten. Hoe groot het risico is dat hierdoor andere eieren of dieren worden besmet is onbekend.
Indien de hen besmet is, worden er door de hen besmette en onbesmette eieren gelegd. Hoe groot het deel besmette eieren is, is onder andere afhankelijk van de invasiviteit van de bacterie (de mate waarin de bacterie verspreid is in de kip). Veelal gaat het om een klein deel van de totaal aantal eieren.
De kans dat een kip met salmonella besmet raakt, is afhankelijk van:
weerstand van de hen, neemt af bij bijvoorbeeld een verstoorde darmflora, slecht klimaat leeftijd van de kip, hoe ouder hoe meer immuniteit er is opgebouwd
Bron: Gezondheidsdienst voor Dieren (GD)
Geef op de tekening aan:
de mestopslag(en)
de opslag van strooiel
de afvoerroute van de mest
de route van het strooisel
|
Mest: |
|||||
|
A |
1. Hoe lang is de transportroute voor mest van de dieren naar de mestopslag? |
0-10 meter |
11-50 meter |
> 50 meter |
|
|
A |
2. Wordt de mest afgevoerd via de vuile route? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
3. Hoe frequent wordt de mest afgevoerd? |
0-7 dagen |
Elke ronde |
Gaat in opslag |
|
|
A |
4. Hoe is de mestopslag? |
Dicht |
Halfopen, loods |
Open |
|
|
A |
5. Ligt de opslag beschut en is de wind zo dat ze niet richting de stal gaat? |
Ja |
Nee |
||
|
D |
6. Wordt alle mest uit de stal verwijderd (dus ook geen opslag onder de kippen meer)? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
7. Welke kleur mestband ligt onder de kooi? |
Donker |
Geel |
Wit |
|
|
B S F |
8. Kunnen de hennen hun eigen mest op- of aanpikken? (aangeven per stal) |
Nee Nee Nee Nee Nee |
Soms Soms Soms Soms Soms |
Ja Ja Ja Ja Ja |
|
|
F |
9. Worden de (scharrel)kippen met uitloop omgeweid? |
Ja |
Nee |
Onder monitoring wordt het onderzoek verstaan wat is uitgevoerd bij het betreffende koppel. Dit is niet alleen als ze op het bedrijf komen, maar ook daarvoor en erna.
|
Uitgangscontrole: |
|||||
|
4.4 |
A |
Iedere ondernemer die een (opfok)leghennen- bedrijf uitoefent is verplicht elke koppel pluimvee te laten onderzoeken op de aanwezigheid van S.e. en S.t. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
46. |
A |
Het is de ondernemer die een (opfok)leg- hennenbedrijf uitoefent toegestaan monsters te laten nemen door een (para)veterinair. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
4.8 |
A |
De monsters dienen te worden onderzocht door een erkend laboratorium. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
Heeft er maximaal 9 weken voor het ruimen van het koppel leghennen bloedonderzoek plaatsgevonden op S.e. en S.t.? (aangeven per stal) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
* |
A |
Zijn er minimaal 0,5% van het aantal aanwezige dieren bemonsterd met een minimum van 24 en een maximum van 60? (aangeven per stal) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
* |
A |
Door wie is de monstername verricht? |
Veterinair Veterinair Veterinair Veterinair Veterinair |
Para- veterinair Para- veterinair Para- veterinair Para- veterinair Para- veterinair |
Derden of zelf Derden of zelf Derden of zelf Derden of zelf Derden of zelf |
|
* |
A |
Is de analyse door de Gezondheidsdienst voor Dieren verricht? |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
* |
A |
Is er een besmetting met S.e. en/of S.t aangetoond? (aangeven per stal) |
Nee Nee Nee Nee Nee |
Ja Ja Ja Ja Ja |
|
|
Monitoring |
|||||
|
A |
Is er onderzoek gedaan bij de verzorgers van het besmette koppel? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
De uitslag van het onderzoek luidde: |
N.v.t. |
Negatief |
Positief |
|
|
A |
Zijn de huisdieren onderzocht op Salmonella? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
De uitslag van het onderzoek luidde: |
N.v.t. |
Negatief |
Positief |
|
|
A |
Zijn de andere (bedrijfsmatig gehouden) dieren op het bedrijf onderzocht op S.e./S.t.? |
Ja |
Nee |
||
|
A |
De uitslag van het onderzoek luidde: |
N.v.t. |
Negatief |
Positief |
|
Informatie: |
|||||
|
5.1 |
A |
Iedere ondernemer is verplicht de informatie over een koppel pluimvee, die is verkregen d.m.v. het verplichte bloedonderzoek, door te geven aan de afnemer van het koppel pluimvee. De ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent is tevens verplicht de in deze informatie aan het Productschap door te geven, tenzij het laboratorium dit doet. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
Is de ondernemer door zijn voorgaande schakel (opfokker/broederij) ingelicht? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
A |
Is/wordt bedoelde informatie door leghennenhouder doorgegeven aan de afnemer van de eieren? (aangeven per koppel) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
|
* |
A |
Is/wordt bedoelde informatie doorgegeven aan het Productschap? (aangeven per koppel) |
Ja Ja Ja Ja Ja |
Nee Nee Nee Nee Nee |
|
Bij besmetting: |
|||||
|
6.6 |
A |
De ondernemer die een (opfok)leghennenbedrijf uitoefent moet na vaststelling van een besmetting met S.e. en/of S.t. onmiddellijk na het ontruimen van de stal deze laten reinigen en ontsmetten door een professioneel ontsmettingsbedrijf. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
6.6 |
A |
De ondernemer die een meerleeftijden- leghennenbedrijf drijft, dient na vaststelling van een besmetting een tracerings, monitorings- en bestrijdingsplan op te stellen en uit te voeren. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
6.9 |
A |
Indien een eenleeftijdleghennenbedrijf twee opeenvolgende keren besmet is met S.e. en/of S.t., dan dient de ondernemer een tracerings, monitorings- en bestrijdingsplan op te stellen en uit te voeren. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
6.10 |
A |
Het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan dient te worden opgesteld in de periode tussen de uitslag van de monstername en het plaatsen van een volgend koppel pluimvee. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
Is/wordt onmiddellijk na het ontruimen van de stal deze gereinigd en ontsmet door een professioneel ontsmettingsbedrijf? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
M |
Zijn de andere koppels ook onderzocht op S.e. en/of S.t., ongeacht de leeftijd van de dieren? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
A |
Wordt dit plan opgesteld in samenwerking met een deskundige, dierenarts of de Gezondheidsdienst voor Dieren? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
A |
Is dit traceren/monitoren/bestrijden-plan vóór het plaatsen van het koppel klaar? |
Ja |
Nee |
|
|
Onderzoek: |
|||||
|
6.7 |
A |
Na het reinigen en ontsmetten is de ondernemer verplicht een onderzoek op de aanwezigheid in de stal van S.e. en/of S.t. uit te laten voeren door een erkende instantie. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
6.8 |
A |
Indien uit het onderzoek op de aanwezigheid van S.e. en/of S.t. blijkt dat de betreffende stal niet vrij is van deze schadelijke micro- organismen, dient de ondernemer de stal opnieuw te laten ont-smetten door een professioneel ontsmettingsbedrijf. |
Voldoet |
Voldoet niet |
|
|
* |
A |
Is er na het reinigen en ontsmetten van de stal een zgn. swabs-onderzoek uitgevoerd, nu bij de uitgangscontrole een besmetting met S.e en /of S.t. is vastgesteld? |
Ja |
Nee |
|
|
* |
A |
Is er weer een besmetting aangetoond? |
Nee |
Ja, volgende vraag |
|
|
* |
A |
Is de stal opnieuw ontsmet door een professioneel bedrijf? |
Ja |
Nee |
|
ONTSMETTINGSBEDRIJF & ONDERZOEKINSTITUUT |
|
|
Naam ontsmettingsbedrijf |
|
|
Plaats |
|
|
Telefoon |
|
|
Naam instantie swabs-onderzoek |
|
|
Plaats |
|
|
Telefoon |
De actiepunten kunnen bestaan uit maatregelen zoals ze al volgens de de “Verordening Hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999” als bekend verondersteld mochten zijn, en uit aanvullende maatregelen c.q. aanbevelingen. Dit zijn aandachtspunten en maatregelen met het oog op de “uiterste zorgvuldigheid”. Te beschouwen als “aanbevelingen’.
Daarbij kan men o.a. denken aan:
Stomen in plaats van normaal ontsmetten
Extra buffer (omkleedruimte) na centrale hygiënesluis tussen voer- en sorteerruimte en afdelingen per stal
Aanpassen volgorde contrôle kippen
Aanpassen volgorde rapen/sorteren eieren
Eventueel antibioticakuur volgens protocol o.l.v. GD
Enten tegen S.e. in de opfokperiode
Aanzuren van het voer, of geëxpandeerd voer i.p.v. meel gebruiken
Elke maand controleren op S.e. middels ei- en/of bloedonderzoek
De volgende zaken gelden ten allen tijde:
Extra hygiëne bij betreden en na bezoek besmette stal (verplicht)
Handen wassen bij binnenkomen én verlaten van besmette stal (verplicht)
Pas weer opzet als de stal vrij is van S.e./S.t. (verplicht)
Apart schoeisel en kleding voor de ontsmette stal (verplicht)
In onderstaande tabellen wordt als samenvatting een overzicht van de diverse (belangrijkste) actiepunten en aanbevelingen weergegeven. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen handelingen op (zeer) korte termijn en (iets) langere termijn.
|
Actiepunt |
|
|
Aanbeveling |
|
|
Monitoring |
|
Actiepunt |
|
|
Aanbeveling |
|
|
Monitoring |
Van iedere partij graan die op het pluimveebedrijf wordt opgeslagen, afkomstig van eigen teelt of van een andere boer, dient een monster te worden achtergehouden wanneer de partij wordt opgeslagen.
Zorg voor deugdelijk bemonsteringsgereedschap (schepjes, monsterboren, emmertjes, zakjes).
Reinig gebruikte gereedschap voor en na elke monstername.
Ga uit van schone, droge bemonsteringsmaterialen die het onderzoeksresultaat niet beïnvloeden. Zorg ook voor schone handen.
Zorg voor een representatief monster uit de partij. Neem hiertoe meerdere ondermonsters (minimaal 5), verspreid over verschillende delen van de partij. Bij het lossen/laden van de partij verdient het de aanbeveling om de ondermonsters gedurende deze totale lostijd/laadtijd te verzamelen.
Zorg ervoor dat het totaal van de ondermonsters een voldoende hoeveelheid oplevert (minimaal 500 gram).
Bemonster altijd in duplo.
Zorg voor goede bewaaromstandigheden (droog, donker)
Zorg voor een duidelijke identificatie op het monster. Minimaal dient vastgelegd te worden:
datum bemonstering
naam product
partijgrootte
herkomst (eigen teelt, andere eigenaar)
plaats bemonstering (bij meerdere partijen per pluimveebedrijf)
Indien bij een koppel pluimvee een Salmonella besmetting is gevonden, dient het graan te worden onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella.
Stuur de genomen monsters die achtergehouden zijn bij opslag in naar een van de Labcode erkende laboratoria (Een lijst is beschikbaar bij het Productschap Diervoeder)
De uitslag van het onderzoek dient bij de pluimveehouder bekend te zijn, ingeval van een Salmonella besmetting dient dit te worden doorgegeven aan het PPE.
Vervallen