Artikel
1
Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over.
op 11 november 1999 vastgesteld het navolgende
BESLUIT
Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over.
Ten aanzien van de aanwezigheid en het gebruik van drinkwatersystemen op pluimveebedrijven dienen de voorschriften die zijn gesteld in het in bijlage I opgenomen Protocol in acht worden genomen.
Ieder bedrijf dat hygiëne-onderzoeken, onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter in de stal op pluimveebedrijven en/of kuikenbroederijen of drinkwateronderzoeken verricht en dat erkend wil worden door de Voorzitter, dient te voldoen aan de eisen van het in bijlage II opgenomen Protocol.
Ieder bedrijf dat hygiëne-onderzoeken op pluimveebedrijven verricht en dat erkend wil worden door de Voorzitter dient het hygiëne-onderzoek uit te voeren volgens de voorschriften van het in bijlage III opgenomen Protocol.
Ieder bedrijf dat onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter in de stal op pluimveebedrijven verricht en dat erkend wil worden door de Voorzitter dient het onderzoek uit te voeren volgens de voorschriften van het in bijlage IV opgenomen Protocol.
Laboratoria die erkend willen worden, als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de verordening, dienen te voldoen aan de in Bijlage V opgenomen erkenningsvoorwaarden.
Erkende laboratoria dienen de analyse van de monsters uit te voeren overeenkomstig de voorschriften opgenomen in Bijlage VI, VII, VIII en IX.
De door het Bestuur in Bijlage X aangewezen instantie(s) is (zijn) belast met de controle op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999.
Dit besluit kan worden aangehaald als "Besluit Protocollen hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999".
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van inwerkingtreding van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999.
|
Voorschriften drinkwateronderzoek. |
|
|
Erkenningsvoorwaarden betreffende uitvoering hygiëne-onderzoek, Onderzoek op aanwezigheid van Salmonella en/of Campybacter in Pluimveestallen en/of drinkwateronderzoek op pluimveebedrijven. |
|
|
Uitvoering Hygiëne-onderzoeken. |
|
|
Uitvoering onderzoek op de aanwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter. (swab-onderzoek) |
|
|
Erkenningsvoorwaarden voor laboratoria die de analyses van Monsters op de aan- of afwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter uitvoeren. |
|
|
Analysemethoden voor het aantonen van Salmonella en Campylobacter in pluimvee(vlees) en eieren. |
|
|
Vermeldingswijze van de resultaten van Salmonella onderzoeken. |
|
|
Serologische bevestiging en serotypering. |
|
|
Opmerkingen opdrachtgever bij aanleveren afwijkende monsters, Acceptatiecriteria |
|
|
Aangewezen instanties belast met de controle op de naleving van de Verordening |
Een gesloten drinkwatersysteem heeft een reduceerventiel, vlotterbak of een voorraadtank en is verder gesloten tot aan de nippels, cups of torens. Voor het toedienen van medicijnen mag hierop een dosator, voorraad- of mengvat worden aangesloten. Deze dienen echter wel voorzien te zijn van een goed sluitende deksel. Tevens mogen er geen andere open verbindingen zijn. Kort samengevat moet de drinkwateraanvoerlijn tot aan het drinkpunt in de stal gesloten zijn.
Een open drinkwatersysteem maakt gebruik van vlotterbakken of voorraadtanken, die geen goed sluitende deksel en/of andere open verbindingen hebben.
|
ja |
ja |
|||
|
Gesloten drinkwatersysteem? |
Leidingwater? |
Optie 1: elke leegstand drinkwatersysteem reinigen en ontsmetten (alle stallen) |
||
|
nee |
nee |
|||
|
Optie 2: jaarlijks bacteriologisch drinkwateronderzoek (één stal) |
||||
|
ja |
||||
|
Eigen bron |
Jaarlijks chemisch drinkwateronderzoek (per bron) en bacteriologisch drinkwateronderzoek (per bron één stal) |
|||
|
ja |
||||
|
Open drinkwatersysteem? |
Leidingwater? |
Jaarlijks bacteriologisch drinkwateronderzoek (alle stallen) |
||
|
nee |
||||
|
eigen bron |
Jaarlijks chemisch drinkwateronderzoek (per bron) en bacteriologisch drinkwateronderzoek (alle stallen) |
Toelichting Ingeval er een drinkwateronderzoek dient plaats te vinden, dient dit éénmaal per jaar, d.w.z. 6 weken voor het ruimen van een koppel pluimvee, te worden verricht. Op deze wijze kan de monstername voor het bloedonderzoek S.e./S.t. bij (opfok-)leghennenbedrijven worden gecombineerd met de monstername voor het drinkwateronderzoek. Aangezien vleeskuikens op een leeftijd van ongeveer 6 weken leeftijd worden afgeleverd, mag het jaarlijkse drinkwateronderzoek op vleeskuikenbedrijven op elke dag van het jaar worden uitgevoerd. Indien er drinkwateronderzoek in het kader van de KKM-regeling, de regeling voor IKB-varkens of IKB-rund wordt verricht kan hierbij worden aangesloten, mits de monstername is verricht conform deze bijlage en alle gehaltes zijn bepaald conform deze bijlage.
De monsters voor het bacteriologisch drinkwateronderzoek dienen aan het einde van het drinkwatersysteem te worden genomen. Monstername voor het bacteriologisch drinkwateronderzoek mag bij de bron worden verricht, indien het drinkwatersysteem tijdens elke leegstandperiode wordt gereinigd en ontsmet. De monsters voor het drinkwater-onderzoek mogen door de pluimveehouder zelf worden genomen.
|
zuurgraad (pH) |
tussen 4 en 9 |
|
hardheid |
max. 20 ° D |
|
ijzergehalte (Fe) |
max. 2,5 mg/l |
|
nitriet |
max. 1,0 mg/l |
|
mangaan (Mn) |
max. 2,0 mg/l |
|
totaal kiemgetal |
max. 100.000 kve/ml |
|
E. coli |
max. 100 kve/ml |
Wanneer het drinkwateronderzoek niet voldoet aan de gestelde normen, dienen de volgende maatregelen te worden genomen, in ieder geval direct na het afleveren van het koppel pluimvee:
Wanneer het drinkwateronderzoek niet voldoet aan de chemische normen, dienen passende maatregelen worden genomen, waarna opnieuw een drinkwateronderzoek moet plaatsvinden, waaruit blijkt dat het water nu wel aan de norm voldoet.
Wanneer het drinkwateronderzoek niet voldoet aan de bacteriologische norm, dient het drinkwatersysteem te worden gereinigd en gedesinfecteerd.
Om in aanmerking te komen voor een erkenning dient de organisatie zich schriftelijk aan te melden bij het Productschap.
Het bedrijf dient blijk te geven van goed management en dient zodanig te zijn georganiseerd dat het vermogen om haar werkzaamheden op goede wijze te vervullen, op peil blijft.
Tevens dient de eigenaar/beheerder volledige medewerking te verlenen aan de erkennings- en toezichtswerkzaamheden, die in het kader van deze regeling worden uitgevoerd.
Per bedrijf dient minstens één persoon op directieniveau of een directiegedelegeerde en liefst zonder productie verantwoordelijkheid, verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van deze regeling. Het dient aannemelijk gemaakt te worden dat deze persoon, hetzij door opleiding, hetzij door ervaring, in staat is om deze taak te vervullen.
Het bedrijf dient over een door het Productschap goedgekeurd kwaliteitsbeheersingssysteem te beschikken, dat is vastgelegd in een handboek of kwaliteitsdocumentatie.
Dit systeem dient tenminste de volgende onderdelen te bevatten:
doelstelling en relevante eisen voor hygiëne-onderzoek
beschrijving van taken/verantwoordelijkheden van alle betrokken functies en de hierarchische structuur (organisatieschema) van het bedrijf
beschrijving van het administratieve systeem (procedures) m.b.t. monstername en onderzoek in het kader van deze regeling
beschrijving van de interne kwaliteitsborging monstername en laboratorium-onderzoek
procedures voor het beheer van het handboek.
Het bedrijf heeft behoudens de normale “opdrachtgever uitvoerder” relatie geen andere banden, in welke vorm dan ook met de partijen waar hygiëne-onderzoek wordt uitgevoerd. Dit houdt in dat het bedrijf geen deel mag uitmaken van enige organisatie die belangen heeft bij de te controleren partij. Maatregelen moeten zijn genomen om zekerheid te verschaffen dat partijen buiten het bedrijf de resultaten van de uitgevoerde monstername niet kunnen beïnvloeden.
Haar medewerkers moeten vrij zijn van enige commerciële, financiële of andere druk die de uitvoering van hun werkzaamheden zouden kunnen beïnvloeden.
Deze controle-werkzaamheden worden steeds gescheiden uitgevoerd van de overige, al dan niet aanverwante activiteiten van het bedrijf. Het verband tussen deze activiteiten dient duidelijk te worden beschreven.
Personeel belast met de uitvoering van de monsternames en/of het laboratoriumonderzoek, beschikken over de juiste technische kwalificaties, de nodige opleiding, scholing en ervaring alsmede over voldoende kennis van de voorschriften nodig om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren.
Voor wat betreft het uitvoeren van de monsternames dient het personeel de basiscursus “Monstername hygiëne-onderzoek” van het Productschap te hebben gevolgd of een gelijkwaardige opleiding.
Het bedrijf moet over een opleidingssysteem beschikken, zodanig dat verzekerd is dat de opleiding van de medewerkers met betrekking tot de technische aspecten van het werk aan de eisen blijft voldoen.
De uitvoering van de werkzaamheden dient te gebeuren overeenkomstig de voorschriften voor bemonsteringen en laboratoriumwerkzaamheden zoals vastgesteld in bijlage III.
De monsters worden direct na monstername van een unieke identificatie voorzien ten einde te voorkomen dat erop enig moment verwarring kan ontstaan omtrent de identiteit van de monsters. Een beschrijving van het toegepaste identificatiesysteem moet beschikbaar zijn.
Het bedrijf dient over op schrift gestelde procedures en/of voorschriften te beschikken voor ontvangst, opslag, behandeling en verwijdering van monsters. De behandeling van monsters moet te allen tijde zodanig zijn dat hun conditie zo goed mogelijk onveranderd blijft.
De uitvoering van de werkzaamheden dient te gebeuren overeenkomstig het werkvoorschrift voor het nemen van swabmonsters in pluimveestallen, zoals beschreven in bijlage IV.
Het bedrijf dient in overleg met de pluimveehouder een afspraak te maken voor het uitvoeren van de monstername.
De swabmonsters worden direct na monstername van een unieke identificatie voorzien ten einde te voorkomen dat erop enig moment verwarring kan ontstaan omtrent de identiteit van de monsters. Een beschrijving van het toegepaste identificatiesysteem moet beschikbaar zijn.
Het bedrijf dient over op schrift gestelde procedures en/of voorschriften te beschikken betreffende
de te nemen beschermende maatregelen;
de ontvangst, opslag, behandeling en verwijdering van de swab-monsters. De behandeling van de monsters moet te allen tijde zodanig zijn dat hun conditie zo goed mogelijk onveranderd blijft.
Het bedrijf dient via een kwaliteitsborgingssysteem gebaseerd op de eisen vervat in de norm EN-45001 aantoonbaar te maken dat het uitvoeren van monstername en analyse op zodanige wijze gebeurt dat de betrouwbaarheid van de geproduceerde resultaten op een voldoende niveau wordt beheerst en geborgd.
Dit wordt voldoende aantoonbaar gemaakt, indien het bedrijf een van de volgende erkenningen heeft: STERIN, ISO/IEC 17025, ISO-9002, Labcode van het Productschap Diervoeder. De monstername en/of het laboratoriumonderzoek moeten deel uitmaken van het erkenningsgebied.
Indien het bedrijf wel de monstername verzorgt, maar de analysewerkzaamheden uitbesteedt, dient het bedrijf er voor te zorgen dat dit gebeurt bij een laboratorium dat een erkenning heeft (STERIN , ISO/IEC 17025, ISO-9000 voor laboratoria, Labcode van het Productschap Diervoeder).
Het bedrijf dient een duidelijke en volledige administratie te voeren. Deze administratie dient tenminste het volgende te omvatten.
alle correspondentie betreffende het verzoek tot uitvoeren van een monstername
alle registraties van waarnemingen, ongeacht de vorm (ruwe data)
alle eventueel gemaakte berekeningen en afgeleide gegevens
het eindrapport, inclusief eventuele aanvullingen en/of wijzigingen
voorschriften bemonsteringen en laboratoriumwerkzaamheden voor hygiëne- onderzoek.
resultaten interne kwaliteitscontroles (ringonderzoek e.d.) uitgevoerd door het bedrijf en de resultaten van eventuele herstelacties.
Het bedrijf heeft een systeem voor het bewaren van alle relevante gegevens. De gegevens moeten voldoende zijn om de uitgevoerde monstername op hun waarde te beoordelen. Deze informatie dient tot minimaal 2 jaar na uitvoering beschikbaar te blijven.
De werkwijze die in dit voorschrift is vastgelegd, heeft enkel betrekking op het gebruik van Rodac-plaatjes met een doorsnede van circa 5,5 cm. Wanneer andere methoden met agar gebruikt worden, dient hiervoor een afgeleid voorschrift vooraf ter goedkeuring aan het Productschap worden voorgelegd.
Agar
Plate count agar (PL-agar) voor totaal koloniegetal telling.
Aangezien er restanten ontsmettingsmiddel op de te bemonsteren oppervlakken aanwezig kunnen zijn, dienen ter inactivering hiervan aan deze agar de volgende stoffen in de aangegeven hoeveelheden per liter te worden toegevoegd:
|
Nutrient Broth no. 2 |
25 gram |
|
Agar |
16 gram |
|
Natriumthiosulfaat |
0,5 gram |
|
Tween 80 |
1 ml |
|
Ammoniumcarbonaat |
1 gram |
|
Lecithine |
2 gram |
|
L-Histidine |
1 gram |
Vullen
Deze agar dient in steriele Rodac-plaatjes te worden gegoten en wel zodanig dat de agar het volledige plaatje vult met een bolle spiegel.
De datum waarop de plaatjes zijn aangemaakt dient op elke verpakking aangegeven te worden, tenzij door de fabrikant op elke verpakking een "THT-datum" vermeld wordt, die aangeeft tot wanneer de Rodac-plaatjes uiterlijk te gebruiken zijn.
Opslag
De in voorraad klaargemaakte Rodac-plaatjes moeten worden opgeslagen bij een temperatuur tussen 0°C en 20°C. Tocht en temperatuurschommelingen moeten voorkomen worden. De plaatjes dienen altijd met de agar aan de bovenzijde te worden geplaatst. De op voorraad klaargemaakte Rodac-plaatjes kunnen niet meer gebruikt worden wanneer:
zij bewaard zijn geweest bij een temperatuur lager dan 0°C of hoger dan 25°C, of
er condensvorming is opgetreden aan de binnenzijde van de plaatjes, of
wanneer de plaatjes geopend zijn geweest en daarna weer gesloten zonder dat direct afdrukken gemaakt zijn, of
wanneer er groei op de agar waar te nemen is, of
wanneer de plaatjes langer dan 30 dagen geleden zijn aangemaakt, tenzij de door de fabrikant vermelde "THT-datum" nog niet is verstreken, of
wanneer het plaatje een breuk bevat of gebroken is.
Codering
Elk individueel plaatje is vooraf voorzien van het nummer of wordt voorafgaand aan het afdrukken voorzien van het nummer dat correspondeert met de bemonsteringsplaats, zoals aangegeven in onderdeel 1a, blad 2, 1b, blad 2 of 1c, blad 2 "Bemonsteringsschema". Kies het schema voor het betreffende staltype.
De monsternemer dient zich ervan te vergewissen dat de juiste materialen worden gebruikt.
Neem hygiënische en beschermende maatregelen voordat de stal betreden wordt. Gebruik bedrijfskleding, hokschoeisel en eventueel een gasmasker.
Wanneer een ruimte moet worden bemonsterd die daarvoor gedesinfecteerd is, mag het hygiëne-onderzoek pas worden uitgevoerd nadat de ruimte minstens twee uur is gelucht.
Invullen formulier "Hygiëne-onderzoek": kies het formulier voor het betreffende staltype (onderdeel 1.a, 1.b of 1.c). De visuele beoordeling dient u op het formulier aan te geven. Indien u bepaalde onderdelen als "slecht" beoordeelt, dient u aan te geven welke bemonsteringsplaatsen dit betreft.
Bemonstering: na de visuele beoordeling dienen de bemonsteringen te worden uitgevoerd conform het "Bemonsteringsschema hygiëne-onderzoek" van onderdeel 1.a, blad 2, onderdeel 1.b, blad 2 of onderdeel 1.c, blad 2 (al naar gelang het staltype). Open na aankomst op het bedrijf, maar voor het betreden van de stal het pakje met Rodac-plaatjes. Neem vervolgens het dekseltje van het plaatje en inspecteer het oppervlak van het Rodac-plaatje. Het plaatje wordt niet gebruikt indien één van de punten, zoals vermeld bij 1.a.3 aan de orde is. Tevens geldt dat natte plekken niet worden bemonsterd. Nummer de plaatjes en neem vervolgens de monsters.
Druk het plaatje met agar één keer met telkens gelijke druk gedurende 15 seconden op het te onderzoeken oppervlak. De agar mag hierbij niet met de handen aangeraakt worden en het afdrukken mag niet met een draaiende beweging gebeuren. Plaats daarna het dekseltje terug. Draai het Rodac-plaatje om en plaats het met de agar aan de bovenzijde in een beschermend omhulsel.
Naast de hiervoor genoemde bemonsteringen, dient één plaatje niet bemonsterd te worden (negatief monster) en één plaatje binnen de "poort van het bedrijf", maar buiten de stal (positief monster). De analyse van deze twee plaatjes dienen als referentie voor de stalmonsters. De uitslagen van deze monsters dienen op het hiervoor bestemde formulier vermeld te worden.
Visuele controle: De monsternemer beoordeelt de stal op de volgende aspecten:
|
reinheid inventaris |
: goed/voldoende/matig/slecht |
|
reinheid vloer |
: goed/voldoende/matig/slecht |
|
reinheid muren/plafond |
: goed/voldoende/matig/slecht |
|
ongediertewering |
: goed/voldoende/matig/slecht |
|
ongediertesporen |
: afwezig/schade/uitwerpselen/kevers/vliegen/larven |
De norm voor de visuele beoordeling is als volgt:
|
goed |
: geen zichtbare afwijking aanwezig. |
|
voldoende |
: lichte verontreiniging met losliggend vuil / voldoende wering / enigszins schade door ongedierte. |
|
matig |
: algemeen voorkomen van losliggend vuil en incidenteel vuil vastzittend in scheuren, kieren of gaten of diverse weringsproblemen, diersporen aanwezig. |
|
slecht |
: algemeen voorkomen van vastzittend vuil / grote weringsproblemen / levend(e) ongedierte, kevers, vliegen of uitwerpselen aanwezig. |
Verpak en vervoer de plaatjes dusdanig dat zij niet herbesmet kunnen worden.
Vervoer en eventuele opslag (gedurende maximaal 12 uur) dient bij een temperatuur tussen 0°C en 20°C plaats te vinden. Bij hogere temperaturen dienen de plaatjes binnen 4 uur verder verwerkt te worden. Wanneer vervoer en eventuele opslag langer duurt dan 12 uur dient hiervoor een afgeleid voorschrift vooraf ter goedkeuring het Productschap voorgelegd te worden.
De Rodac-plaatjes worden gedurende 18-24 uur bij 37°C (± 1°C) bebroed.
Lees de Rodac plaatjes direct na 18-24 uur bebroeding af of plaats de plaatjes gedurende maximaal 24 uur in een koelkast bij een temperatuur tussen 2 en 8°C.
Lees de Rodac plaatjes af en tel het aantal kolonies (kve = kolonie vormende eenheid). Let op de aanwezigheid van schimmelgroei. Wanneer duidelijk blijkt dat de plaat overgroeid is door één enkele spreider dient dit als één kolonie beschouwd te worden. Wanneer door het optreden van schimmelgroei het plaatje niet meer eenvoudig af te lezen is, dient deze als ongeschikt geclassificeerd te worden en niet meegeteld te worden voor de berekening van het gemiddelde. Wanneer drie of meer plaatjes als ongeschikt geclassificeerd worden, wordt het volledige onderzoek als ongeschikt beschouwd.
|
0 |
kolonies (kve) per plaatje |
score: 0 |
|
1 t/m 40 |
kolonies (kve) per plaatje |
score: 1 |
|
41 t/m 120 |
kolonies (kve) per plaatje |
score: 2 |
|
121 t/m 400 |
kolonies (kve) per plaatje |
score: 3 |
|
> 400 |
kolonies (kve) per plaatje |
score: 4 |
|
ontelbaar |
kolonies (kve) per plaatje |
score: 5 |
De afzonderlijke scores worden op het formulier "Hygiëne-onderzoek" vermeld. De uitslag wordt berekend door de som van de afzonderlijke monsters te delen door het aantal genomen monsters. De uitslag wordt op één cijfer achter de komma afgerond en op het formulier vermeld.
Na aflezing worden de plaatjes gedurende minstens 20 minuten bij een temperatuur van 120°C geplaatst, teneinde alle kiemen te doden.
Bebroede Rodac-plaatjes dienen beschouwd te worden als chemisch afval en dienovereenkomstig te worden afgevoerd of verwerkt. Afhankelijk van de plaatselijke gemeentelijke verordening, kunnen Rodac-plaatjes die gesteriliseerd zijn, afgevoerd worden met het gewone afval.
Berichtgeving aan de pluimveehouder vindt uiterlijk 4 dagen na aflezing plaats. Hiertoe wordt het volledig ingevulde formulier "Hygiëne-onderzoek" of een ander, analoog aan dit formulier, aan de pluimveehouder geretourneerd. Het formulier dient voorzien te zijn van een adresstempel van het laboratorium. Wanneer de uitslag op briefpapier van het laboratorium wordt afgedrukt, kan de adresstempel van het laboratorium achterwege blijven. Verder dient de uitslag voorzien te zijn van naam en handtekening van een medewerker van het laboratorium.
|
Ondernemer : |
reinigingsmiddel gebruikt: ja/nee* |
|
Bedrijfsadres : |
ontsmettingsmiddel gebruikt: ja/nee* |
|
Postcode/plaats : |
naam ontsm.middel: ............................... |
|
hoknummer : |
duur ontsmetting: .................................. |
|
monsternemer en naam organisatie : |
temperatuur ontsmetting: ....................... |
|
datum bemonstering: |
naam ontsm.bedrijf/zelf: ......................... |
Visuele beoordeling: goed/matig/voldoende/slecht (doorhalen wat niet van toepassing is)
Indien de visuele beoordeling als slecht wordt beoordeeld, dient u met kruisjes in het onderstaande schema de bemonsteringsplaatsen aan te geven waarop dit betrekking heeft. U dient wel een hygiëne-onderzoek uit te voeren.
|
Controle |
Uitslag |
|
Bemonsteringen |
|
|
Positief monster |
|
|
Negatief monster |
|
bemonsteringsplaatsen |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
|
|
1 |
Vloer |
||||||
|
2 |
voersysteem |
nvt |
nvt |
||||
|
3 |
drinksysteem |
nvt |
nvt |
||||
|
4 |
Wand |
nvt |
nvt |
nvt |
|||
|
5 |
Plafond |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
||
|
6 |
inlaat binnen |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
||
|
7 |
Hopper |
Nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
|
|
8 |
Voorruimte |
Nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
|
|
UITSLAG: ......... |
De uitslag wordt bepaald door de som van de afzonderlijke monsters te delen door het aantal genomen monsters. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Deze uitslag is alleen geldig indien voorzien van een stempel van het laboratorium en handtekening .
De delen van de stal die bemonsterd moeten worden, worden hierin beschreven. Iedere afzonderlijke bemonsteringsplaats dient zo goed mogelijk de gemiddelde situatie van het betreffende staldeel te weerspiegelen. Het is niet toegestaan hiervan afwijkende plaatsen te bemonsteren. Natte plekken worden niet bemonsterd.
De stal wordt in de lange zijde in zes gelijke delen verdeeld (A t/m F) en overlangs in drie gelijke delen (1 t/m 3). Zie hiervoor het schema. Na bebroeding van de monsters worden de resultaten per bemonsteringsplaats op het formulier van blad 1 van dit onderdeel vermeld. De bij punt 1 t/m 8 genoemde monsternummers corresponderen met de nummers vermeld op het formulier.
Van elk deel A t/m F wordt een afdruk van de vloer gemaakt, die genummerd zijn van 1.1 t/m 1.6.
Van elk deel A, BC, DE en F wordt een afdruk van het voersysteem gemaakt, die genummerd zijn van 2.1 t/m 2.4. De monsters worden volgens de diagonaal genomen. De monsters worden genomen van de binnenkant (voerpannen of -goten).
Van elk deel A, BC, DE en F wordt een afdruk van het drinksysteem gemaakt, die genummerd zijn van 3.1 t/m 3.4. De monsters worden volgens de diagonaal genomen.
Van elk deel 1, 2 en 3 wordt een afdruk gemaakt van de wand (één van de twee kopse kanten, tussen 1 en 2 meter hoogte), die genummerd zijn als 4.1 t/m 4.3.
Van elk deel 1 en 3 wordt een afdruk gemaakt van het plafond, die genummerd zijn als 5.1 en 5.2.
Van elk deel 1 en 3 wordt een afdruk gemaakt van de kleppen/wand van de inlaat binnen, die genummerd zijn als 6.1. en 6.2.
Er wordt van een willekeurige voerhopper een afdruk gemaakt van de binnenkant, die genummerd is als 7.1.
Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van de voorruimte een afdruk gemaakt, die genummerd is als 8.1. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijke voorruimte, wordt de voorruimte niet bemonsterd.
|
A |
B |
C |
D |
E |
F |
|
|
1 |
||||||
|
2 |
||||||
|
3 |
|
Ondernemer : |
reinigingsmiddel gebruikt: ja/nee* |
|
Bedrijfsadres : |
ontsmettingsmiddel gebruikt: ja/nee* |
|
Postcode/plaats : |
naam ontsm.middel: ............................... |
|
Hoknummer : |
duur ontsmetting: .................................. |
|
Monsternemer en naam organisatie : |
temperatuur ontsmetting: ....................... |
|
Datum bemonstering: |
naam ontsm.bedrijf/zelf: ......................... |
Visuele beoordeling: goed/matig/voldoende/slecht (doorhalen wat niet van toepassing is)
Indien de visuele beoordeling als slecht wordt beoordeeld, dient u met kruisjes in het onderstaande schema de bemonsteringsplaatsen aan te geven waarop dit betrekking heeft. U dient wel een hygiëne-onderzoek uit te voeren.
|
Controle |
Uitslag |
|
bemonsteringen |
|
|
Positief monster |
|
|
Negatief monster |
|
Bemonsteringsplaatsen |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
|
|
1 |
voersysteem |
nvt |
nvt |
||||
|
2 |
kooibodem |
nvt |
nvt |
nvt |
|||
|
3 |
kooiwand |
nvt |
nvt |
nvt |
|||
|
4 |
drinksysteem |
nvt |
nvt |
nvt |
|||
|
5 |
plafond |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
||
|
6 |
tussenpad |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
||
|
7 |
inlaat binnen |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
|
|
8 |
voerhopper |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
|
|
9 |
voorruimte |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
|
|
Wanneer in de batterijen leggende hennen gehouden gaan worden, worden ook de volgende plaatsen bemonsterd: |
|||||||
|
10 |
eierband |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
||
|
11 |
eierbewaarlokaal |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
|
|
UITSLAG: .......... |
De uitslag wordt bepaald door de som van de afzonderlijke monsters te delen door het aantal genomen monsters. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Deze uitslag is alleen geldig indien voorzien van een stempel van het laboratorium en handtekening .
De delen van de stal die bemonsterd moeten worden, worden hierin beschreven. Iedere afzonderlijke bemonsteringsplaats dient zo goed mogelijk de gemiddelde situatie van het betreffende staldeel te weerspiegelen. Het is niet toegestaan hiervan afwijkende plaatsen te bemonsteren. Natte plekken worden niet bemonsterd.
De stal wordt in de lange zijde in zes gelijke delen verdeeld (A t/m F) en overlangs in drie gelijke delen (1 t/m 3). Zie hiervoor het schema. Na bebroeding worden de resultaten per bemonsteringsplaats op het formulier van blad 1 van dit onderdeel vermeld. De bij punt 1 t/m 11 genoemde monsternummers corresponderen met de nummers vermeld op het formulier.
Van elk deel A, BC, DE en F wordt een afdruk van het voersysteem gemaakt, die genummerd zijn van 1.1 t/m 1.4. De monsters worden volgens de diagonaal genomen. De monsters worden genomen van de binnenkant (voerpannen of -goten).
Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van een kooibodem gemaakt, die genummerd zijn van 2.1 t/m 2.3. De monsters worden volgens de diagonaal genomen.
Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van een kooiwand gemaakt, die genummerd zijn van 3.1 t/m 3.3. De monsters worden volgens de diagonaal genomen.
Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van het drinksysteem gemaakt, die genummerd zijn van 4.1 t/m 4.3. De monsters worden volgens de diagonaal genomen.
Van elk deel 1 en 3 wordt een afdruk gemaakt van het plafond, die genummerd zijn als 5.1. en 5.2.
Van elk deel 2 en 3 wordt een afdruk gemaakt van een tussenpad, die genummerd zijn als 6.1. en 6.2.
Van deel 1 of 3 wordt een afdruk gemaakt van de kleppen/wand van de inlaat binnen, die genummerd is als 7.1.
Er wordt van een willekeurige voerhopper een afdruk gemaakt van de binnenkant, die genummerd is als 8.1.
Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van de voorruimte een afdruk gemaakt, die genummerd is als 9.1. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijke voorruimte, wordt de voorruimte niet bemonsterd.
Wanneer in de batterijen leggende hennen gehouden gaan worden, worden ook de volgende plaatsen bemonsterd:
Van elk deel 1 en 3 wordt een afdruk gemaakt van de eierband, genummerd als 10.1 en 10.2.
Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van het eierbewaarlokaal een afdruk gemaakt, die genummerd is als 11.1. De uitslag van het eierbewaarlokaal wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijk eierbewaarlokaal, wordt het eierbewaarlokaal niet bemonsterd.
|
A |
B |
C |
D |
E |
F |
|
|
1 |
||||||
|
2 |
||||||
|
3 |
|
Ondernemer : |
reinigingsmiddel gebruikt: ja/nee* |
|
Bedrijfsadres : |
ontsmettingsmiddel gebruikt ja/nee* |
|
Postcode/plaats : |
naam ontsm.middel: ............................... |
|
Hoknummer : |
duur ontsmetting: .................................. |
|
Monsternemer en naam organisatie : |
temperatuur ontsmetting: ....................... |
|
Datum bemonstering: |
naam ontsm.bedrijf/zelf: ......................... |
Visuele beoordeling: goed/matig/voldoende/slecht (doorhalen wat niet van toepassing is)
Indien de visuele beoordeling als slecht wordt beoordeeld, dient u met kruisjes in het onderstaande schema de bemonsteringsplaatsen aan te geven waarop dit betrekking heeft. U dient wel een hygiëne-onderzoek uit te voeren.
|
Controle |
Uitslag |
|
bemonsteringen |
|
|
Positief monster |
|
|
Negatief monster |
|
Bemonsteringsplaatsen |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
|
|
1 |
vloer |
nvt |
nvt |
||||
|
2 |
rooster |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
||
|
3 |
voersysteem |
nvt |
nvt |
nvt |
|||
|
4 |
drinksysteem |
nvt |
nvt |
nvt |
|||
|
5 |
wand |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
||
|
6 |
plafond |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
||
|
7 |
inlaat binnen |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
|
|
8 |
voerhopper |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
|
|
9 |
voorruimte |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
|
|
Wanneer in de rooster- of volièrestal leggende hennen gehouden gaan worden, worden ook de volgende plaatsen bemonsterd: |
|||||||
|
10 |
legnest |
nvt |
nvt |
nvt |
|||
|
11 |
eierbewaarlokaal |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
nvt |
|
|
UITSLAG: ......... |
De uitslag wordt bepaald door de som van de afzonderlijke monsters te delen door het aantal genomen monsters. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Deze uitslag is alleen geldig indien voorzien van een stempel van het laboratorium en handtekening.
De delen van de stal die bemonsterd moeten worden, worden hierin beschreven. Iedere afzonderlijke bemonsteringsplaats dient zo goed mogelijk de gemiddelde situatie van het betreffende staldeel te weerspiegelen. Het is niet toegestaan hiervan afwijkende plaatsen te bemonsteren. Natte plekken worden niet bemonsterd.
De stal wordt in de lange zijde in zes gelijke delen verdeeld (A t/m F) en overlangs in twee gelijke segmenten (1 en 2). Zie hiervoor het schema. Na bebroeding worden de resultaten per bemonsteringsplaats op het formulier van blad 1 van dit onderdeel vermeld. De bij punt 1 t/m 11 genoemde monsternummers corresponderen met de nummers vermeld op het formulier.
Van elk deel ABC en EF worden twee afdrukken van de vloer gemaakt, die genummerd zijn van 1.1. t/m 1.4. De monsters zijn, indien mogelijk, gelijkelijk verdeeld over ABC en EF.
Van elk deel ABC en EF wordt één afdruk van het rooster gemaakt, die genummerd zijn als 2.1 en 2.2.
Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van het drinkwatersysteem gemaakt, die genummerd zijn van 4.1 t/m 4.3.
Van elk deel AB, CD en EF wordt een afdruk van het voersysteem gemaakt, die genummerd zijn van 4.1 t/m 4.3.
Van elk deel 1 en 2 wordt een afdruk gemaakt van de wand (van één van de twee kopse kanten, tussen 1 en 2 meter hoogte)) die genummerd zijn als 5.1. en 5.2.
Van elk deel 1 en 2 wordt een afdruk gemaakt van het plafond, die genummerd zijn als 6.1 en 6.2.
Van deel 1 of 2 wordt een afdruk gemaakt van de kleppen/wand van de inlaat binnen, die genummerd is als 7.1.
Er wordt van een willekeurige voerhopper een afdruk gemaakt van de binnenkant, die genummerd is als 8.1.
Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van de voorruimte een afdruk gemaakt, die genummerd is als 9.1. De uitslag van de voorruimte wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijke voorruimte, wordt de voorruimte niet bemonsterd.
Wanneer in de rooster - of volièrestal leggende hennen gehouden gaan worden, worden ook de volgende plaatsen bemonsterd:
Van elk deel AB, CD en EF wordt één afdruk gemaakt van een legnest, waarbij twee afdrukken worden gemaakt in segment 1 en één afdruk in segment 2, die genummerd zijn van 10.1 t/m 10.3
Er wordt van een willekeurige plaats van de vloer van het eierbewaarlokaal een afdruk gemaakt, die genummerd is als 11.1. De uitslag van het eierbewaarlokaal wordt niet in de einduitslag meegenomen. Indien er sprake is van meerdere stallen en meerdere leeftijden met een gezamenlijk eierbewaarlokaal, wordt het eierbewaarlokaal niet bemonsterd.
|
A |
B |
C |
D |
E |
F |
|
|
1 |
||||||
|
2 |
Het onderzoek is bedoeld voor de controle van pluimveestallen op de aanwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter na reiniging en ontsmetting.
wattenstaafjes
fysiologisch zoutoplossing
plastic potten of individuele verpakkingen
etiketten
plastic handschoenen
De te onderzoeken ruimte dient na een ontsmetting volledig afgesloten te zijn. De duur van de periode dat de ruimte afgesloten moet blijven is afhankelijk van het gebruikte ontsmettingsmiddel.
Wanneer een ruimte moet worden bemonsterd die daarvoor gedesinfecteerd is, mag het onderzoek pas worden uitgevoerd nadat de ruimte minstens twee uur is gelucht.
Neem beschermende maatregelen voordat de stal betreden wordt (gasmasker)
Voor Salmonella- of Campylobacteronderzoek moeten 2 x 25 swabs per stal worden genomen. Deel hiervoor de stal overlangs in twee gelijke segmenten (1 en 2). Neem in elk segment 25 monsters.
De monsters worden genomen op plaatsen waar het op het oog niet geheel schoon lijkt te zijn, hiermee wordt bedoeld dat in eerste instantie gezocht moet worden naar plaatsen waar zich nog resterend vuil bevindt. Indien deze plaatsen reeds bemonsterd zijn en swabs nog niet zijn gebruikt of indien deze plaatsen met resterend vuil niet aanwezig zijn moeten in ieder geval monsters genomen worden op de locaties die per stalsoort beschreven staan in bijlage III: “Uitvoering hygiëne-onderzoek”.
Bevochtig een wattenstaafje in fysiologisch zout oplossing.
Strijk met het wattenstaafje over het te bemonsteren oppervlak ter grootte van een Rodac-plaatje (5,5 cm), indien mogelijk op een op het oog niet geheel schoon oppervlak.
Plaats het wattenstaafje in een plastic pot en breek het bovenste deel van het stokje af (daar waar de handen het stokje hebben geraakt), of plaats de SWAB terug in de individuele verpakking.
Herhaal dit met de andere wattenstaafjes.
Plaats maximaal 25 wattenstaafjes in één pot.
Sluit iedere pot direct na het vullen af.
Voorzie de pot van een etiket met daarop minimaal de volgende gegevens: monsterdatum, KIP-nummer en stalnummer.
Vervoer van de swabs naar het laboratorium moet plaatsvinden zoals beschreven in bijlage III: ”Uitvoering hygiëne-onderzoek”. Indien de swabs voor gebruik in steriel water worden gedoopt en na bemonstering van de stal in een potje worden gestopt mag er maximaal 48 uur tussen bemonstering en ontvangst op het laboratorium zijn.
Analyse van de monsters moet plaatsvinden op door een de Voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.
Voor de analyse op het laboratorium wordt voor Salmonella verwezen naar de “PVE branchemethode voor het aantonen van Salmonella in dons, faeces, vellen en eindproduct afkomstig van pluimvee” en voor Campylobacter “Bepaling van de aan- of afwezigheid van thermofiele Campylobacter spp. in pluimvee, pluimveeproducten en omgevingsmonsters” die in bijlage VI bij dit besluit zijn opgenomen.
Sinds 1 juli 2000 dienen de laboratoria de laboratoria geaccrediteerd te zijn voor de door de branche opgestelde analyse methode inzake de bepaling van Salmonella en per 1 januari 2005 voor de bepaling van Campylobacter Dat wil zeggen dat het laboratorium met ingang van deze datum over een accreditatiecertificaat op basis van de norm ISO/IEC 17025 moet beschikken die door de Raad voor Accreditatie te Utrecht (hierna te noemen RvA) wordt verleend. Hieronder dient tenminste de bepaling van Salmonella in de matrix mest volgens de door de branche opgestelde analyse methode te vallen.
voor laboratoria die in het buitenland zijn gevestigd zal geen Nederlandse accreditatie door de RvA vereist zijn maar een gelijkwaardige erkenning van het betreffende land.
de laboratoria dienen voor de bepaling van Salmonella en Campylobacter gebruik te maken van door de branche opgestelde analyse methodes. De analyse methodes zijn bij dit besluit opgenomen. Aangezien de RvA volledig gevalideerde analysemethoden accrediteert, dienen de branche-methodes van een validatie rapport te worden voorzien. Het Productschap draagt zorg, op basis van het aangeleverde validatierapport, voor de beoordeling van de methode door de RvA inzake zijn geschiktheid voor accreditatie als branchemethode.
Het laboratorium heeft de mogelijkheid tot het gebruik van één van de toegelaten methoden. Er mogen, om te bepalen of het monster al dan niet besmet is met Salmonella, niet meerdere testen naast elkaar toegepast worden. Om verder te kunnen serotyperen dient echter bij toepassing van één van de snelle detectiemethoden een positief monster worden geïsoleerd middels de MSRV-methode.
Indien het laboratorium bij toepassing van een snelle detectiemethode een positieve bepaling wordt gedaan en het monster ten behoeve van de serotypering niet verder geïsoleerd kan worden, moet op het uitslagenformulier hiervan melding worden gemaakt.
Alle laboratoria dienen mee te doen met Salmonella-ringonderzoek, tot nu toe georganiseerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne te Bilthoven (hierna te noemen RIVM). Zodra een ringonderzoek voor Campylobacter is opgezet, dient een laboratorium ook aan dit ringonderzoek mee te doen.
Het laboratorium verstrekt het Productschap elk kwartaal een overzicht waarop is aangegeven hoeveel koppels of hoeveel analyses door het betreffende laboratorium zijn onderzocht respectievelijk zijn uitgevoerd. Tevens geeft het laboratorium aan hoeveel koppels of analyses hiervan positief waren. Voor zover afgesproken met de pluimveehouder/broederij of slachterij zendt het laboratorium op aanvraag de resultaten van analyses door aan het Productschap (bijvoorbeeld Salmonella paratyphi B var. Java)
Jaarlijks moeten de laboratoria monsters Salmonella enteritidis (S.e.) of Salmonella typhimurium (S.t.) opsturen naar het RIVM. Dit ten behoeve van het faagtyperingsonderzoek, dat het RIVM uitvoert in het kader van de EU- Zoönoserapportage.
De serotypering van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium mag door ieder erkend laboratorium worden uitgevoerd. De serotypering van de overige Salmonella serotypen mag uitsluitend uitgevoerd worden door de erkende laboratoria die voor deze verrichting uiterlijk op 1 januari 2005 een erkenning hebben bij de RvA. Het betreft serotypen die op een door het Productschap opgestelde lijst van veel vòòrkomende serotypen in pluimvee staan vermeld. De op deze lijst vermelde serotypen kunnen worden gewijzigd als de in pluimvee/pluimveeproducten vòòrkomende serotypen wijzigen.
De laboratoria die de serotyperingen uitvoeren zijn verplicht:
de serotyperingen uit te voeren conform het antigenen schema van Kaufmann White;
jaarlijks maximaal 10 isolaten door te sturen naar het RIVM ter serotypering. Dit is een duplo onderzoek om de kwaliteit van het serotyperen te toetsen;
deel te nemen aan ringonderzoeken, die de kwaliteit van het serotyperen eveneens testen;
isolaten, afkomstig van andere erkende laboratoria die geen serotypering van de typen met uitzondering van S.e. en S.t. kunnen uitvoeren, te analyseren. Hiervoor mogen geen afwijkende tarieven in rekening worden gebracht.
Voor het aantonen van Salmonella en/of Campylobacter in pluimvee(vlees) en eieren staat de pluimveesector een aantal analysemethoden ter beschikking, welke goedgekeurd zijn door de Raad voor Accreditatie.
Het laboratorium kan deze analysemethoden toepassen voor de analyses in het kader van de Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999 en de Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveeverwerkende industrie 1999. Het laboratorium dient dan wel de betreffende analysemethode onder haar accreditatie van de Raad voor Accreditatie (ISO/IEC 17025) onder te brengen.
De analysemethoden zijn:
PVE Branchemethode MSRV voor het aantonen van Salmonella in dons, faeces, vellen en eindproduct afkomstig van pluimvee.
Alternatieve PVE Branchemethode ProbeliaTM PCR voor het aantonen van Salmonella in dons, faeces, vellen en eindproduct afkomstig van pluimvee.
PVE Branchemethode voor de bepaling van de aan- of afwezigheid van thermotolerante Campylobacter spp . in monsters pluimvee, pluimveeproducten en omgevingsmonsters.
Alternatieve PVE Branchemethode VIDAS SLM voor het aantonen van Salmonella in dons afkomstig van pluimvee.
Alternatieve PVE Branchemethode voor het aantonen van thermotolerante Campylobacter spp. met behulp van de VIDAS CAM test in pluimveeproducten.
K.B.B.L. Franchise B.V. (ISA Nederland).
Alternatieve PVE Branchemethode iQtm real-time PCR voor het aantonen van Salmonella in dons, mest en vlees afkomstig van pluimvee.
Dit protocol beschrijft een methode voor het aantonen van Salmonella in dons, faeces (mest) en vellen en eindproduct afkomstig van pluimvee. De Raad voor Accreditatie heeft de methode goedgekeurd voor de matrix mest, dons, vellen en eindproduct.
Salmonella: micro-organismen die de voor deze bacteriën karakteristieke groei vertonen en specifieke biochemische en serologische reacties vertonen wanneer wordt gekweekt respectievelijk getest volgens de beschreven werkwijze.
Detectie van Salmonella: bepalen van de aan- of afwezigheid van deze micro-organismen als het onderzoek wordt uitgevoerd volgens de beschreven werkwijze.
Na voorincubatie van de te onderzoeken matrix in een voorophopingsmedium, wordt geënt op een half-vast medium, waarna wordt afgestreken op een selectief isolatiemedium.
Alle gebruikte grondstoffen en het gedestilleerde water moeten van analysekwaliteit zijn.
|
Niet-selectief voorophopingsmedium |
||
|
gebufferd pepton water |
BPw |
bijlage 1.1 |
|
Selectief ophopingsmedium |
||
|
modified semi-solid Rappaport-Vassiliadis medium |
MSRV |
bijlage 1.2 |
|
Selectieve agar |
||
|
briljant groen agar |
BGA |
bijlage 1.3 |
|
Bevestigingsmedia |
||
|
ureumagar |
UA |
bijlage 1.4 |
|
triple-sugar-ironagar |
TSI |
bijlage 1.5 |
|
lysine-decarboxylase medium |
LDC |
bijlage 1.6 |
De samenstelling en bereiding van media en reagentia is opgenomen in bijlage 1. Er mag echter ook gebruik gemaakt worden van media die commercieel verkrijgbaar zijn.
Gebruikelijke apparatuur en glaswerk voor een microbiologisch laboratorium en in het bijzonder de onderstaande:
Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.
Broedstoof voor het bebroeden bij 37 ° C ± 1 ° C
Broedstoof voor het bebroeden bij 42 ° C ± 0,5 ° C
Waterbad ingesteld op 47 ° C ± 2 ° C
Steriele entnaalden met een oog met een diameter van ca. 3 mm.
Steriele pipetten met een schaalverdeling van 0,1 ml en een meetvolume van 1 ml.
Petrischalen met een middellijn van ca. 9 cm.
Cultuurbuizen van 17/18 x 150 mm en van 8 x 160 mm.
De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na de datum van monstername is verstreken.
Verdun het monster 1:10 in BPw.
In de volgende tabel1Noot: standaard monsters in 225 ml BPw mag ook uitgevoerd worden. Het gaat er om erminimaal een 1:10 verdunning gemaakt worden. Een ruimere verdunning dan 1:10 is toegestaan, een kleinere verdunning dan 1:10 is niet toegestaan. is ter illustratie de relatie tussen de verschillende monsterhoeveelheden en het volume BPw weergegeven:
|
2x25 swabs |
(12,5 gram) |
112,5 ml |
swabs broederijen |
|
3x20 swabs |
(10 gram) |
90 ml |
swabs stallen |
|
2x 15 swabs |
(7,5 gram) |
67,5 ml |
swabs |
|
2 paar |
(10 gram) |
90 ml |
overschoentjes |
|
6x 25 swabs |
(12,5 gram) |
112,5 ml |
swabs |
|
2x 30 swabs |
(15 gram) |
135 ml |
swabs |
|
30 swabs |
(15 gram) |
135 ml |
blinde darmmest |
|
25 gram |
(25 gram) |
225 ml |
dons |
|
25 gram |
(25 gram) |
225 ml |
eindproduct |
|
25 gram |
(25 gram) |
225 ml |
vel van de borstkap |
|
40 stukjes |
(60 gram) |
540 ml |
inlegvellen |
Incubeer de potten BPw 18 ± 2 uur bij 37 ° C ± 1 ° C.
De potten mogen tussentijds gedurende 2 dagen in de koelkast bewaard worden, deze ‘koudestap’ is mogelijk.
Breng 0,1 ml BPw-cultuur op een MSRV plaat (bij 9 cm platen 3 druppels, met een gezamenlijk volume van 0,1 ml in een driehoek. Incubeer de platen 1 x 24 ± 2 uur bij 42 ° C ± 0,5 ° C. De platen moeten met het deksel van de petrischaal naar boven geïncubeerd worden, aangezien het een half-vast medium is. Niet verdachte of negatieve platen dienen nogmaals 1 x 24 ± 2 uur bij 42 ° C ± 0,5 ° C bebroed te worden. Een verdachte MSRV-plaat vertoont groei in de agar (zwerming vanuit de entingsplaats) en heeft een wit/grijze kleur. Verdachte platen worden afgeënt door aan de rand van de zwermzone met een öse materiaal uit de agar te nemen en daarmee een gedroogde BGA plaat te beënten. Incubeer deze platen gedurende 24 ± 2 uur bij 37 ° C ± 1 ° C.
Controleer de bebroede BGA-platen op de vorming van roze kolonies. Dergelijke kolonies worden als ‘vermoedelijk positief’ aangemerkt.
Voor de bevestiging uit met minimaal 1 tot maximaal 3 specifieke kolonies per plaat in geval van reincultuur en tot 5 specifieke kolonies (indien aanwezig) in geval van mengcultuur totdat een positief resultaat wordt verkregen. De kolonies worden vanaf de BGA plaat geënt in UA middels het afstrijken op het oppervlak van de agar en in TSI middels ladderen over het schuingestolde oppervlak en een steekenting tot op de bodem van de buis. Beënt tevens een buis LDC door een hoeveelheid koloniemateriaal tegen de wand van de buis net onder het vloeistof oppervlak af te strijken. De buizen worden 24 ± 2 uur bij 37 ° C ± 1 ° C geïncubeerd.
Opmerking :
Wanneer geen goed losliggende kolonies op de BGA plaat zijn verkregen of bij de aanwezigheid van veel spreidende of overgroeiende stoorflora is het nodig ter zuivering een nieuwe reinstrijk op een gedroogde BGA- of nutriëntenagarplaat te maken. Bij verontreiniging van de Salmonella- kolonie met andere bacteriën wordt een afwijkend biochemisch patroon verkregen. Het is toegestaan om eerst de bevestigingstest met de TSI uit te voeren, en bij een verdachte uitslag door te gaan met ureum en LDC.
Na incubatie geven voor Salmonella verdachte kolonies de volgende biochemische resultaten:
|
TSI agar |
||
|
onderin de buis |
- geel |
- glucose positief (100%) |
|
- zwart |
- vorming van H 2 S (91,6%) |
|
|
- bellen/scheuren |
- gasvorming van glucose (91,9%) |
|
|
schuine gedeelte |
- rood/onveranderd |
- lactose en/of sucrose negatief (resp. 99,2% en 99,5%) |
|
Ureum agar |
||
|
- geen kleuromslag van het medium |
- negatief (100%) |
|
LDC |
||
|
- paarse kleur en groei in medium |
- positief (94,6%) |
Het gebruik van biochemische kits (zoals API, Crystal) is ook toegestaan.
Biochemisch verdachte kolonies dienen serologisch bevestigd te worden met een polyvalent serum. Dit werkvoorschrift is opgenomen in bijlage 3.1.
De totale beoordeling van biochemische en serologische resultaten is als volgt:
|
pos |
neg |
pos |
Salmonella |
|
pos |
neg |
neg |
RIVM |
|
pos |
pos |
-- |
RIVM |
Indien een stam alleen biochemisch verdacht is, wordt deze opgestuurd naar het RIVM. Een andere mogelijkheid is het inzetten van een zogenaamde ‘lange bonte rij’ of een biochemische kit. Op het resultaat van het RIVM hoeft niet gewacht te worden, alvorens een uitslag wordt afgegeven.
Voor de donsmonsters en faecesmonsters vindt serotypering plaats voor de 4 hoofdgroepen van Salmonella (B, C, D en E) en indien van toepassing identificatie van Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium. (indien nog niet bij pluimveehouder het serotype nog niet bekend is). In bijlage VIII is het werkvoorschrift opgenomen.
Voor de eerstelijnscontrole 2Indien een ingangscontrole wordt toegepast per batch, kan de negatieve controle komen te vervallen. van de methode dienen te worden meegenomen:
Positieve controle
Negatieve controle
Blanco controle
De eerstelijnscontroles met MSRV platen staan beschreven in bijlage 2.
Geef het resultaat op als ‘aan- of afwezigheid van Salmonella in het betreffende monstermateriaal’ (zie bijlage VII) als Salmonella al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden om hoeveel gram het ongeveer gaat dat is onderzocht.
Indien bij het aanleveren van de monsters door de opdrachtgever afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden, dan dient het laboratorium hierover schriftelijk een opmerking te maken richting de opdrachtgever (zie bijlage VIII).
NEN-EN 12824 Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders - horizontale methode voor het aantonen van Salmonella (ISO 6579:1993, gewijzigd).
Zee, van der H., E. De Boer, P. Van Netten, 1990, Salmonella isolatie met behulp van MSRV, De Ware (n) chemicus 20: 189-199.
Hartman, dr. E.G., Validatierapport van de isolatie van Salmonella uit de matrix pluimvee faeces m.b.v. het Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV)-medium, september 1999
|
pepton |
10,0 g |
|
NaCI |
5,0 g |
|
Na2HP04.12H20 |
9,0 g |
|
KH2P04 |
1,5 g |
|
water |
1000 ml |
bereiding:
Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).
Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,2 ± 0,2 bedraagt bij 25°C.
Verdeel het medium over daarvoor geschikte flessen.
Steriliseer in een autoclaaf (15 min. 121°C).
|
tryptose |
4,59 g |
|
caseine hydrolysaat |
4,59 g |
|
NaCI |
7,34 g |
|
KH2P04 |
1,47 g |
|
MgCl2 |
10,93 g |
|
malachietgroen oxalaat |
0,037 g |
|
agar |
2,7 g |
|
gedestilleerd water |
1000 ml |
bereiding
Los de ingrediënten op in het water.
Breng het mengsel onder voortdurend schudden aan de kook (NIET AUTOCLAVEREN).
Stel de pH op 5,2 ± 0,2.
Koel het mengsel af tot 50C.
oplossing B (novobiocine):
Los 10 mg novobiocine op in 2 ml gedestilleerd/demi water.
Steriliseer de oplossing d.m.v. filtratie (filter 22 µm).
bereiding MSRV medium:
Voeg oplossing B toe aan 500 ml oplossing A.
Meng de oplossing.
Giet uit in petrischalen en verwijder de luchtbellen.
Even aan de lucht drogen om een nat oppervlak te voorkomen.
|
vIeesextract |
5,0 g |
|
pepton |
10,0 g |
|
gistextract |
3,0 g |
|
Na2HP04 |
1,0 g |
|
NaH2P04 |
0,6 g |
|
agar |
12 g tot 18 g 1= afhankelijk van de sterkte van de gel |
|
water |
900 ml |
bereiding:
Los de ingrediënten op in het water (indien nodig via verhitting).
Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,0 ± 0,2 is.
Schenk het medium in daarvoor geschikte buizen/flessen.
Steriliseer in een autoclaaf (15 min. 121C).
|
lactose |
10,0 g |
|
sucrose |
10,0 g |
|
fenolrood |
0,09 g |
|
water tot een eindvolume van |
100 ml |
bereiding:
Los de componenten op in ± 50 mI water.
Vul met water aan tot een eindvolume van 100 ml.
Verhit gedurende 20 min. in een waterbad van 70°C.
Koel af tot 47°C ± 1C.
Gebruik de oplossing direct.
|
briljant groen |
± 0,5 g |
|
water |
100 ml |
bereiding:
Voeg het briljant groen (concentratie tussen 4,5 mg/l en 6 mg/l) toe aan het water.
Bewaar de oplossing tenminste 1 dag in het donker zodat auto sterilisatie optreedt.
|
oplossing A |
900 mI |
|
oplossing B |
100 ml |
|
oplossing C |
1 mI |
bereiding:
Voeg, onder aseptische omstandigheden, oplossing C toe aan de (tot 47°C ± 1°C) afgekoelde oplossing B.
Voeg deze oplossing toe aan oplossing A en meng het medium.
bereiding van de agar platen:
Giet het vers bereide medium in grote (± 40 ml) of in kleine petrischalen (±15 ml).
Laat de platen stollen.
Droog de platen voor gebruik.
|
pepton |
1,0 g |
|
glucose |
1,0 g |
|
NaCI |
5,0 g |
|
KH2P04 |
2,0 g |
|
fenolrood |
12,0 mg |
|
agar |
12,0 tot 18,0 g 1= afhankelijk van de sterkte van de gel |
|
gedestilleerd water |
1000 mI |
bereiding:
Los de ingrediënten op in het water.
Stel de pH op 6,8 ± 0,2 bij 25°C en filtreer de oplossing.
Steriliseer de oplossing gedurende 15 min bij 121°C in een autoclaaf.
Laat de oplossing afkoelen tot 47°C.
|
ureum |
400 g |
|
gedestilleerd water |
1000 ml |
bereiding:
Los de ureum op in het water
Steriliseer de oplossing d.m.v. filtratie en controleer de steriliteit.
|
oplossing A |
950 ml |
|
oplossing B |
50 ml |
bereiding:
Voeg oplossing B (ureumoplossing) toe aan oplossing A (basismedium).
Verdeel het medium over steriele buizen, per buis 10 ml medium.
Laat de buizen stollen zodat een schuin gedeelte ontstaat.
|
vIeesextract |
3,0 g |
|
gistextract |
3,0 g |
|
pepton |
20,0 g |
|
NaCI |
5,0 g |
|
lactose |
10,0 g |
|
sucrose |
10,0 g |
|
glucose |
1,0 g |
|
ijzer (III) citraat |
0,3 g |
|
natriumthiosulfaat |
0,3 g |
|
fenoIrood |
0,024 g |
|
agar |
12,0 tot 18,0 g 1= afhankelijk van de sterkte van de gel |
|
gedestilleerd water |
1000 mI |
bereiding:
Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).
Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,4 ± 0,2 is.
Verdeel het medium over buizen, per buis 10 ml medium.
Steriliseer de oplossing gedurende 15 min bij 120C in een autoclaaf.
Laat de buizen stollen zodat er bovenop 2,5 cm agar onderin de buis, een schuin gedeelte ontstaat.
|
1-lysine monohydrochloride |
5,0 g |
|
gistextract |
3,0 g |
|
glucose |
1,0 g |
|
bromocresol purper |
0,015 g |
|
water |
1000 ml |
bereiding:
Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).
Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 6,8 ± 0,2 is.
Verdeel het medium over smalle reageerbuizen; per buis 5 mI medium.
Steriliseer in een autoclaaf (10 min. 121°C).
Deze bijlage beschrijft een methode voor de eerstelijnscontrole op de analyse van Salmonella met MSRV.
Om de kwaliteit van de geproduceerde media te bewaken, dient iedere dag een controle volgens onderstaand schema te worden uitgevoerd.
|
Inoculum: |
Kolonie aanstippen met entoogje en afstrijken langs de wand van een buisje met gebufferd peptonwater (BPW). Ca. 24 ± 2 uur bij 37 ° C incuberen in BPw (108 ) en verdunnen tot 103 of commercieel verkrijgbaar bij de IGB Groningen. |
|
Controlestam: |
S. enteritidis |
|
l |
|
|
100 µL op de plaat pipetteren |
|
|
l |
|
|
incuberen 1 x 24 ± 2 uur |
|
|
l |
|
|
wit/grijze troebeling plaat |
|
|
l |
|
|
positief |
Dit protocol beschrijft een 24-uurs methode voor het aantonen van Salmonella met behulp van de PROBELIATM test (Bio-Rad Laboratories) in dons, faeces (mest), vellen en eindproduct afkomstig van pluimvee. De methode is gevalideerd ten opzichte van de door de branche opgestelde en door de Raad voor Accreditatie goedgekeurde analyse methode MSRV.
Salmonella : Salmonella spp. , d.w.z. alle typen Salmonella waarvan het DNA aan de hand van de Polymerase Chain Reactie (PCR) wordt aangetoond, wanneer wordt getest volgens de beschreven werkwijze.
Detectie van Salmonella : bepalen van de aan- of afwezigheid van deze micro-organismen als het onderzoek wordt uitgevoerd volgens de beschreven werkwijze.
Uit een voorophopingsmedium wordt, na voorincubatie, het DNA van Salmonella geïsoleerd. Vervolgens vindt amplificatie plaats van een voor Salmonella specifieke en gepatenteerde DNA- sequentie, het lagA gen, met behulp van de PCR. Het vermenigvuldigde DNA wordt na hybridisatie op een microtiterplaatstrip aangetoond middels een colorimetrische reactie. Inclusief voorophoping wordt een positieve of negatieve uitslag verkregen binnen 24 uur.
De PROBELIATMSalmonella test bestaat uit kant-en-klare reagentia, inclusief voorophopingmedium. Het te gebruiken gedestilleerde water moet van analysekwaliteit zijn.
|
Niet-selectief voorophopingsmedium |
||
|
gebufferd pepton water (BPw) |
Bio-Rad code 356-4684 (500 g) of Bio-Rad code 355-4170 (225 ml) |
[bijlage 1.1] |
|
PROBELIA TMSalmonella test |
||
|
Amplificatie kit |
Bio-Rad code 357-8000 |
[bijlage 1.2] |
|
Detectie kit |
Bio-Rad code 357-8001 |
[bijlage 1.2] |
De samenstelling en bereiding van media en kits is opgenomen in bijlage 1.
De gebruikelijke apparatuur voor een microbiologisch laboratorium en de voor de PROBELIATM test benodigde apparatuur en verbruiksmaterialen, zoals onderstaand vermeld:
Opmerking:
Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.
Broedstoof voor het bebroeden bij 37 ± 10 C
Micropipetten (5-50 en 20-200 μl)
Microcentrifuge voor 1,5 ml centrifugebuisjes (max. 10.000-15.000 rpm)
Verhittingsblokken of waterbaden ingesteld op 56± 1 °C en 100 ± 1 °C
Bio-Rad iCycler thermocycler voor PCR
Bio-Rad microtiterplaat shaker/incubator Model Stat-Fax
Bio-Rad microtiterplaat washer Model PW-40/41
Bio-Rad microtiterplat reader Model 550 met 450 nm en 620 nm filters
Stomacherzak met filter
Steriele centrifuge buisjes 1,5 ml
Steriele micropipetpunten met filter
Steriele PCR-tubes 200 μl
PCR technologie is zeer gevoelig: amplificatie van een enkel molecuul genereert miljoenen identieke kopieën van de gewenste sequentie. Deze kopieën kunnen via aërosolen in de laboratorium ruimte circuleren.
Om besmetting van nieuwe monsters met DNA sequenties vanuit amplificaties van voorgaande monsters te voorkòmen, is het essentiëel om de ruimtes waar de monster behandeling en het mixen van de reagentia plaatsvindt (pre-PCR ruimte) te scheiden van de ruimte waar de amplicon analyse plaatsvindt en de centrifugebuisjes worden geopend (post-PCR ruimte).
Het gebruik van de PROBELIATM PCR test vereist een minimum van 2 afgescheiden ruimtes. Elke ruimte is voorzien van eigen gebruiksmaterialen zoals pipetten, handschoenen, laboratorium jassen, etc., die niet mogen circuleren van de ene werkplek naar de andere.
Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage IX.
De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na de datum van monstername is verstreken.
Verdun het monster 1:10 in BPw in een stomacherzak met filter. Stomacher, en incubeer de BPw gedurende 18± 2 uur bij 370 C ± 10 C.
Bij verwerking van borstvel (of nekvel) ten behoeve van de verdunning dient zo min mogelijk onderhuids vet meegesneden te worden; een overmaat vet kan de isolatie van DNA bemoeilijken en inhibitie van de PCR-reactie veroorzaken. Mest en dons vergen geen bijzondere voorbehandeling.
Na voorophoping wordt de inhoud van de stomacherzak lichtjes gehomogeniseerd middels voorzichtig zwenken. Vervolgens wordt met een steriele pipet (bij voorkeur met filter) 1 ml homogenaat uit de stomacherzak gepipetteerd in een 1,5 ml centrifuge buisje. Hierbij moeten geen vet, donsresten of andere vaste substanties worden meegepipetteerd.
Overige stappen worden uitgevoerd conform de gebruiksaanwijzing van de PROBELIATMSalmonella testkit (instructie van de fabrikant).
Resultaten worden beoordeeld conform de gebruiksaanwijzing van de PROBELIATMSalmonella testkit (instructie van de fabrikant). Deze zijn gebaseerd op bepaling van de optische densiteit (OD) verkregen op de Salmonella detectiestrip (H1), vergeleken met de OD van hetzelfde monster op de detectiestrip van de interne controle (H0).
Zie ook onderstaande tabel:
|
Salmonellae (H1) |
Interne controle (H0) Resultaat |
||
|
1 |
OD > 0.070 |
niet van belang |
positief |
|
2 |
OD < 0.070 |
OD > 0.070 |
negatief |
|
3 |
OD < 0.070 |
OD < 0.070 |
inhibitie |
In het geval van inhibitie van de amplificatiereactie (de OD’s voor monster en corresponderende interne controle zijn lager dan de gestelde cut-off value van 0.070) dient een nieuwe test te worden uitgevoerd. Hiertoe wordt het supernatant van het betreffende monster, verkregen na isolatie van DNA, 1:10 verdund met steriel water (instructie van de fabrikant). Vervolgens wordt de PCR opnieuw ingezet.
Voor een positief resultaat geldt: Salmonella aanwezig. Voor een negatief resultaat geldt: Salmonella afwezig. Verdere bevestiging van positieve uitslagen verkregen met de PROBELIATMSalmonella is ter beoordeling van de gebruiker maar is niet vereist.
Echter in die gevallen waarin volgens de Verordening Hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 of de Verordening Hygiënevoorschriften pluimveeverwerkende industrie 1999 nadere serotypering van de Salmonella bevinding is vereist, dient met dezelfde BPw-voorophoping als waaruit de PCR is uitgevoerd alsnog een isolatie met MSRV en BGA uitgevoerd te worden, zie hiervoor de PVE branchemethode MSRV.
In bijlage VIII is het werkvoorschrift voor serotypering van isolaten opgenomen.
De PROBELIATMSalmonella test kit bevat één positieve en twee negatieve controles. Een additionele interne controle in elk monster bepaald de efficiëntie van de PCR-reactie en is een indicator voor vals-negatieve reacties. Genoemde controles worden in elke test meegenomen.
De OD van de beide negatieve controles dient kleiner te zijn dan 0.050; deze waarde bevindt zich meestal tussen de 0.020 en 0.030. De OD van de positieve controle dient groter te zijn dan 2.000. De test is alleen geldig indien de optische densiteit van de controles voldoet aan bovengenoemde condities.
Voor de eerstelijnscontrole van de methode dienen te worden meegenomen:
Positieve controle
Negatieve controle (indien een ingangscontrole per batch wordt toegepast, kan deze negatieve controle komen te vervallen)
Blanco controle
Het resultaat wordt opgegeven als ‘aan- of afwezigheid van Salmonella in het betreffende monstermateriaal’ als Salmonella al dan niet is aangetoond volgens dit protocol.
Indien bij het aanleveren van de monsters door de opdrachtgever afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden, dan dient het laboratorium hierover schriftelijk een opmerking te maken richting de opdrachtgever (zie bijlage IX).
Fach P., Dilasser F., Grout J., and Tache J., Evaluation of a polymerase chain reaction-based test for detecting Salmonella spp. in food samples: PROBELIATMSalmonella spp. Journal of Food Protection, Vol. 62 (12): 1387-1393 (1999).
Hartman E.G. Validatierapport van de isolatie van Salmonella uit de matrix pluimvee faeces m.b.v. het Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV)-medium, Gezondheidsdienst voor Dieren, projectnr 401919, september 1999.
Miras I., Hermant N., Arricau N., Popoff M.Y. Nucleotide sequence of lagA and lagB genes involved in invasion of HeLa cells by Salmonella enterica subsp. Enterica ser. Typhy . Research in Microbiology, Vol. 146 (1): 17-20 (1995).
PROBELIATMSalmonella spp .: AFNOR certification, attest SDP-07/2-06/96.
Productschappen Vee, Vlees en Eieren, Verzamelband Actieplan Salmonella en Campylobacter in de pluimveevleessector 2000+ .
Van der Zee, H., et al. Vergelijking van de Salmonella bepaling met behulp van de conventionele branchemethode (MSRV) en een snelle alternatieve detectiemethode (PROBELIATM PCR) in de pluimveesector. PVE, september 2002.
|
Pepton |
10,0 g |
|
NaCI |
5,0 g |
|
Na2HPO4 |
3,5 g |
|
KH2PO4 |
1,5 g |
|
Water |
1000 ml |
Bereiding:
Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting)
Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,2 ± 0,2 bedraagt bij 250 C
Verdeel het medium over de daartoe geschikte flessen
Steriliseer in een autoclaaf (15 min. , 1210 C)
|
A1 |
Lysis reagens |
1 fles |
22 ml |
|
A2 |
Salmonella spp. amplificatie mix |
2 buizen |
2 x 2,5 ml |
|
A3 |
PCR Positieve controle |
1 buis |
0,25 ml |
|
A4 |
PCR Negatieve controle |
1 buis |
0,5 ml |
|
A5 |
Denaturatie reagens |
1 fles |
6 ml |
|
H0 |
96 wells plaat (12x8) gecoat met een probe specifiek voor de interne controle |
1 microtiterplaat |
|
|
H1 |
96 wells plaat (12x8) gecoat met een probe specifiek voor Salmonella spp. |
1 microtiterplaat |
|
|
H2 |
Hybridisatie buffer |
1 fles |
100 ml |
|
H3 |
Peroxidase-gelabelde probes specifiek voor Salmonella spp. en de interne controle |
1 buis |
100 ml |
|
H4 |
Was buffer (10x geconcentreerd) |
1 fles |
100 ml |
|
H5 |
Substraat buffer |
1 fles |
60 ml |
|
H6 |
Chromogeen: tetramethulbenzidine (TMB) |
1 buis |
1 ml |
|
H7 |
Stop oplossing (1,5 N zwavelzuur) |
1 fles |
28 ml |
|
Afdekfolie voor de microtiterplaat |
20 stuks |
Dit protocol beschrijft een 48-uurs methode voor het aantonen van Salmonella met behulp van de VIDAS SLM test (bioMérieux) in dons afkomstig van pluimvee. De methode is gevalideerd ten opzichte van de door de branche opgestelde en door de Raad voor Accreditatie goedgekeurde analyse methode MSRV.
Salmonella : Salmonella spp. , d.w.z. alle typen Salmonella waarvan zowel O als H antigenen met behulp van de Enzyme Linked Fluorescent Assay (ELFA) techniek worden aangetoond, wanneer wordt getest volgens de beschreven werkwijze.
Detectie van Salmonella : bepalen van de aan- of afwezigheid van deze micro-organismen als het onderzoek wordt uitgevoerd volgens de beschreven werkwijze.
VIDAS SLM is een enzym immunoassay voor detectie van Salmonella antigenen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de ELFA methode en geautomatiseerd uitgevoerd op het VIDAS analyse apparaat.
De voorophoping en de selectieve ophopingen vinden achtereenvolgens plaats gedurende 18 uur in een voorophopingsmedium, 6-8 uur in 2 verschillende selectieve ophopingsmedia en als laatste gedurende 18 uur in een 3e ophopingsmedium. Van dit laatste ophopingsmedium wordt een hoeveelheid verhit en in een reagens strip gebracht. De reagens strip wordt in het VIDAS analyse apparaat gebracht, waarna het aantonen van aanwezigheid van Salmonella antigenen met behulp van een cocktail van specifieke monoclonale antilichamen en een fluorescentie reactie volledig geautomatiseerd verloopt. Het test resultaat van deze aantoningsstap is na ca. 45 minuten beschikbaar.
Alle gebruikte grondstoffen en het gedestilleerde water moeten van analysekwaliteit zijn.
|
Niet-selectief voorophopingsmedium |
||
|
gebufferd pepton water |
BPw bijvoorbeeld bioMérieux ref. 42043 of Branchemethode MSRV [bijlage 1] |
|
|
Selectief ophopingsmedium |
||
|
Rappaport-Vassiliadis bouillon |
RV |
bijvoorbeeld bioMérieux ref. 42073 |
|
seleniet cysteine bouillon |
SC |
bijvoorbeeld bioMérieux ref. 42052 |
|
M bouillon |
Mb |
bijvoorbeeld bioMérieux ref. 42077 |
|
Selectieve agar |
||
|
briIjant groen agar |
BGA |
PVE Branchemethode MSRV |
|
Bevestigingsmedia |
||
|
ureumagar |
UA |
PVE Branchemethode MSRV |
|
triple-sugar-ironagar |
TSI |
PVE Branchemethode MSRV |
|
lysine-decarboxylase medium |
LDC |
PVE Branchemethode MSRV |
|
Salmonella polyvalent agglutinatie serum PVE Branchemethode MSRV |
PVE Branchemethode MSRV |
De samenstelling en bereiding van media en reagentia is opgenomen in bijlage 1 van de PVE Branchemethode MSRV. Er mag echter ook gebruik gemaakt worden van media die commercieel verkrijgbaar zijn.
De VIDAS SLM test bestaat uit kant-en-klare reagentia, zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de VIDAS SLM 30 702 test, instructie van de fabrikant.
De gebruikelijke apparatuur voor een microbiologisch laboratorium en de voor de VIDAS SLM test benodigde apparatuur en verbruiksmaterialen, zoals onderstaand vermeld:
Opmerking:
Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.
Broedstoof voor het bebroeden bij 37 ° C ± 1°C
Broedstoof voor het bebroeden bij 42 ° C ± 0,5°C
Micropipet (500 μl)
Steriele micropipetpunten
Waterbad (1000 C) of equivalent
Steriele entnaalden met een oog met een diameter van ca. 3 mm.
Steriele pipetten met een schaalverdeling van 0,1 ml en een meetvolume van 1 ml.
Petrischalen met een middellijn van ca. 9 cm.
Cultuurbuizen van 17/18 x 150 mm en van 8 x 160 mm.
Stomacherzakken (met filter)
VIDAS analyse apparaat
Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage IX.
De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na de datum van monstername is verstreken.
Verdun het monster 1:10 in BPw (25 gram dons in 225 ml BPw).
Stomacher, en incubeer de BPw 18 ± 2 uur bij 37 ° C ± 1 ° C.
Breng na incubatie van de BPw 1 ml van deze suspensie over in 10 ml SC bouillon. Incubeer 6-8 uur bij 37 ° C ± 1 ° C .
Breng tegelijkertijd ook 0,1 ml van deze BPw suspensie over in 10 ml RV bouillon. Incubeer 6-8 uur bij 42 ° C ± 0,5 ° C
Breng na incubatie van de SC bouillon 1 ml hiervan over in 10 ml M bouillon. Breng na incubatie van de RV bouillon 1 ml hiervan over in een 2e buis met 10 ml M bouillon. Her-incubeer de SC bouillon en de RV bouillon voor nog eens 18 uur, om bevestiging achteraf mogelijk te maken. Incubeer de M bouillon buizen gedurende 18 uur bij 42 ° C ± 0,5 ° C.
Meng de M bouillon buizen na incubatie en breng uit elke buis 1 ml over in een eppendorfbuisje. Sluit de buisjes en verhit gedurende 15 minuten in een kokend waterbad. Voer vervolgens de VIDAS SLM test uit volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.
Bewaar de overgebleven bouillons bij 2-8 ° C voor bevestiging.
Resultaten worden beoordeeld conform de gebruiksaanwijzing van de VIDAS SLM test, gebruiksaanwijzing van de fabrikant. Deze zijn gebaseerd op metingen van de fluorescentie en worden gestandaardiseerd naar de zgn. Test Value. Resultaten met een Test Value onder de 0,23 betreffen monsters waarin Salmonella antigenen niet aantoonbaar waren. Resultaten met een test Value = 0,23 worden als Salmonella -positief gerapporteerd. Positieve resultaten moeten worden bevestigd met behulp van de bewaarde ophopings- en na-ophopingsmedia.
Ent met een öse vanuit de ophopingsbouillons (RV en SC) vanuit de broedstoven en vanuit de M bouillons vanuit de koeling af op gedroogde BGA platen. Incubeer deze platen gedurende 24 ± 2 uur bij 37 ° C ± 1 ° C.
Controleer de bebroede BGA-platen op de vorming van roze kolonies. Dergelijke kolonies worden als ‘vermoedelijk positief’ aangemerkt. Bevestiging van deze specifieke kolonies, zowel biochemisch als serologisch, vindt vervolgens plaats zoals omschreven in de PVE Branchemethode MSRV.
Voor donsmonsters vindt serotypering plaats voor de 4 hoofdgroepen van Salmonella (B, C, D en E) en indien van toepassing identificatie van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium (indien bij de pluimveehouder het serotype nog niet bekend is). In bijlage VIII is hiervoor het werkvoorschrift opgenomen.
De VIDAS SLM test kit bevat een positieve en een negatieve VIDAS reagens controle en een bijbehorende standaard. Deze worden meegenomen in de bepalingen zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de VIDAS SLM test, instructie van de fabrikant.
Voor de eerstelijnscontrole van de methode dienen te worden meegenomen:
Positieve controle
Negatieve controle (indien een ingangscontrole per batch wordt toegepast, kan deze negatieve controle komen te vervallen)
Blanco controle
Geef het resultaat op als ‘aan- of afwezigheid van Salmonella in dons’, als Salmonella al dan niet is aangetoond volgens dit protocol.
Indien bij het aanleveren van de monsters door de opdrachtgever afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden, dan dient het laboratorium hierover schriftelijk een opmerking te maken richting de opdrachtgever (zie bijlage IX).
Hartman, E.G., Validatierapport van de isolatie van Salmonella uit de matrix pluimvee faeces m.b.v. het Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV)-medium, Gezondheidsdienst voor Dieren, projectnr 401919, september 1999.
ISO 6579:1993(E). Microbiology. General guidance on methods for the detection of Salmonella .
Productschappen Vee, Vlees en Eieren, Verzamelband Actieplan Salmonella en Campylobacter in de pluimveevleessector 2000+ .
Van der Zee, H. et al. Validatierapport van de Salmonella bepaling in de matrix dons met behulp van de VIDAS SLM methode. PVE, september 2002.
Dit protocol beschrijft een methode voor het aantonen van thermotolerante Campylobacter spp. (in dit protocol verder als Campylobacter aangeduid) in pluimvee, verse pluimveeproducten en omgevingsmonsters zoals mestmonsters en blindedarm mestmonsters.
NEN-EN-ISO 6887-1:1999 , Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders; Voorbereiding van het monster en bereiding van verdunningen door microbiologisch onderzoek; Deel 1: Algemene regels voor de bereiding van de primaire verdunning en verdere decimale verdunningen.
NEN-EN-ISO 6887-2:2002, Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders; Voorbereiding van monsters en bereiding van verdunningen voor microbiologisch onderzoek; Deel 2: Specifieke werkwijze voor vlees en vleesproducten.
NEN-ISO 7218:1996, Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders - Algemene regels voor microbiologische onderzoeken.
NVN-ENV-ISO 11133-1:2000, Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders; Richtlijnen voor de kwaliteitsborging en productie van kweekmedia; Deel 1: Algemene richtlijnen voor kwaliteitsborging van de voorbereiding van kweekmedia in het laboratorium
Campylobacter : micro-organismen die de voor deze bacteriën karakteristieke groei vertonen en specifieke morfologische, biochemische en serologische reacties vertonen wanneer wordt gekweekt respectievelijk getest volgens de beschreven werkwijze.
Mestmonsters en blindedarm mestmonsters worden rechtstreeks geënt op een selectieve vaste voedingsbodem (mCCDA).
Pluimveeproducten (bijvoorbeeld vel van de borstkap of filet) worden in porties van 25 gram gedurende 1 minuut gestomacherd met 100 ml selectief ophopingsmedium (Preston). Hierna wordt het monstermateriaal verwijderd en alleen het ophopingsmedium gedurende 24 uur bebroed bij 41,5°C. Vervolgens wordt afgeënt op een selectieve vaste voedingsbodem (mCCDA).
Selectieve vaste voedingsbodems worden microaëroob gedurende 48 uur bij 41,5°C bebroed, waarna beoordeeld wordt op aanwezigheid van specifieke kolonies.
Specifieke kolonies worden bevestigd met behulp van oxidase reactie en microscopie. Als extra controle wordt een deel van de isolaten biochemisch en/of serologisch bevestigd.
Gebruik materialen die voldoende zuiver zijn.
Gebruik gedestilleerd of op een andere wijze gedemineraliseerd water. Het water mag geen voor micro-organismen giftige bestanddelen bevatten.
Voor een goede reproduceerbaarheid van de resultaten verdient het aanbeveling uit te gaan van in de handel verkrijgbare droge ingrediënten of geschikt bevonden droge voedingsmedia. De instructies van de fabrikant voor de bereiding moeten nauwgezet worden gevolgd.
Gebruik voor de meting van de pH een pH-meter; referentietemperatuur 25°C.
Indien het voedingsmedium niet direct wordt gebruikt, moet dit in het donker tussen 1°C en 5°C worden bewaard en onder omstandigheden waarbij geen veranderingen in de samenstelling optreden. Bewaar het voedingsmedium niet langer dan een maand, tenzij elders in dit protocol anders wordt aangegeven.
Er mag ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar zijn.
|
Vleesextractpoederaook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutirënt Broth No. 2 |
10,0 |
g |
|
Peptonaook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutirënt Broth No. 2 |
10,0 |
g |
|
Natrium chlorideaook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutirënt Broth No. 2 |
5,0 |
g |
|
Natrium pyruvaatbook tezamen verkrijgbaar als supplement (zgn. "groeisupplement"of FBP supplement) |
0,25 |
g |
|
Natrium metabisulfietbook tezamen verkrijgbaar als supplement (zgn. "groeisupplement"of FBP supplement) |
0,25 |
g |
|
Ijzer (II) sulfaatbook tezamen verkrijgbaar als supplement (zgn. "groeisupplement"of FBP supplement) (FeSO4.7H2O) |
0,25 |
g |
|
Water |
1000 |
ml |
Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting). Stel de pH zo in dat deze na sterilisatie 7,5 ± 0,2 bedraagt bij 25ºC. Steriliseer gedurende 15 minuten bij (121 ± 1)ºC.
|
Polymyxine-B |
5000 |
IU |
|
Rifampicine |
0,01 |
g |
|
Trimethoprim lactaat |
0,01 |
g |
|
Amphotericine-B |
0,01 |
g |
|
Water |
4 |
ml |
OPMERKING
Deze antibiotica zijn ook tezamen verkrijgbaar als Preston supplement. Let op, ook het “vroeger” gebruikte Preston supplement, met cycloheximide in plaats van amphotericine-B, is nog steeds verkrijgbaar. De voorkeur wordt echter gegeven aan gebruik van supplement met amphotericine-B.
Los de antibiotica op in het water en steriliseer door middel van filtratie (0,22 μm filter)
|
Basismedium |
1000 |
ml |
|
Antibiotica oplossing |
4 |
ml |
Koel het basismedium af tot onder de 45ºC.
Voeg op aseptische wijze de antibiotica oplossing toe en meng zorgvuldig.
OPMERKING
In de originele beschrijving van Preston ophopingsmedium (en in daarop volgende beschrijvingen in bijvoorbeeld ISO) wordt paardenbloed gebruikt. In dit NEN voorschrift wordt echter geen paardenbloed toegepast, omdat uit recent onderzoek is gebleken dat dat voor onderhavige monstermatrix niet noodzakelijk is (Jacobs- Reitsma et al ., 2003).
|
Vleesextractpoederaook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutirënt Broth No. 2 |
10,0 |
g |
|
Peptonaook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutirënt Broth No. 2 |
10,0 |
g |
|
Natrium chlorideaook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutirënt Broth No. 2 |
5,0 |
g |
|
Bacteriologische charcoal |
4,0 |
g |
|
Caseïne hydrolysaat |
3,0 |
g |
|
Natrium deoxycholaat |
1,0 |
g |
|
Ijzer (II) sulfaat (FeSO4.7H2O) |
0,25 |
g |
|
Natriumpyruvaat |
0,25 |
g |
|
Agar |
12,0 |
g |
|
Water |
1000 |
ml |
Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting). Stel de pH zo in dat deze na sterilisatie 7,4 ± 0,2 bedraagt bij 25ºC. Steriliseer gedurende 15 minuten bij (121 ± 1)ºC.
|
Cefoperazone |
32 |
mg |
|
Amphotericine-B |
10 |
mg |
|
Water |
4 |
ml |
OPMERKING
Deze antibiotica zijn ook tezamen verkrijgbaar als mCCDA supplement.
Los de antibiotica op in het water en steriliseer door middel van filtratie (0,22 μm filter)
|
Basismedium |
1000 |
ml |
|
Antibiotica oplossing |
4 |
ml |
Koel het basismedium af tot ongeveer 45ºC.
Voeg op aseptische wijze de antibiotica oplossing toe en meng zorgvuldig. Giet de agar uit in petrischalen met nok en laat stollen.
|
N,N,N’,N’-tetramethyl-1,4-fenyleendiammoniumdihloride |
0,1 |
gram |
|
Water |
10 |
ml |
Los het N,N,N’,N’-tetramethyl-1,4-fenyleendiammoniumdihloride op in het water. Bereid het reagens vlak voor uitvoering van de oxidasetest.
Dit reagens is ook kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar. Handel dan volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.
Latexagglutinatietesten voor bevestiging van thermotolerante Campylobacter zijn commercieel verkrijgbaar. Enkele leveranciers staan vermeld in Bijlage A.
|
Vleesextract |
3,0 |
g |
|
Gistextract |
3,0 |
g |
|
Pepton |
20,0 |
g |
|
Natriumchloride |
5,0 |
g |
|
Lactose |
10,0 |
g |
|
Sucrose |
10,0 |
g |
|
Glucose |
1,0 |
g |
|
IJzer (III) citraat |
0,3 |
g |
|
Natriumthiosulfaat |
0,3 |
g |
|
Fenolrood |
0,024 |
g |
|
Agar |
12,0 |
g |
|
Water |
1000 |
ml |
Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting). Stel de pH zo in dat deze na sterilisatie 7,4 ± 0,2 is.
Verdeel het medium over geschikte reageerbuizen, 10 ml medium per buis.
Steriliseer gedurende 15 minuten bij (121 ± 1)ºC.
Laat de agar stollen, zodat er bovenop 2,5 cm agar onderin de buis, nog een schuin gedeelte ontstaat.
Gebruikelijke toestellen en steriel glaswerk voor microbiologische laboratoria (zie ook NEN-ISO 7218) en in het bijzonder de onderstaande:
Broedstoof voor het bebroeden bij (41,5 ± 1) ° C.
Suspendeertoestel, Stomacher
Geschikte apparatuur en hulpmiddelen om te bebroeden in een micro-aërobe atmosfeer (ca. 6% zuurstof, 10% kooldioxide en 84% stikstof). Voor het verkrijgen van micro-aëroob milieu kan gebruik gemaakt worden van commerciële systemen (‘gas-zakjes’).
Microscoop, bij voorkeur met fase-contrast, vergroting 1000x.
OPMERKING
Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.
Monstername is geen onderdeel van de methode zoals beschreven in deze norm. PVE heeft de procedure voor de monstername in een apart besluit vastgelegd.
Bederfelijke pluimveeproducten zoals borstvellen en filet dienen gekoeld (1-4°) te worden aangeleverd. Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage IX. Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd in de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden, dan dient het laboratorium hierover schriftelijk een opmerking te maken richting opdrachtgever.
Campylobacter is zeer gevoelig voor invriezen en daarom is het invriezen van monsters niet toegestaan.
Monsters dienen binnen 48 uur na monstername te worden ingezet.
In alle gevallen geldt dat de agarplaten na beënten zonder uitstel onder micro-aërobe condities geïncubeerd dienen te worden, omdat Campylobacter obligaat micro-aërofiel is en onder andere omgevingscondities snel afsterft.
Monsters waarin hoge aantallen Campylobacter worden verwacht, zoals mest en blindedarm, worden rechtstreeks op het isolatiemedium afgestreken.
Maak 1 mengmonster van de 30 afzonderlijke blindedarmen door deze elk op steriele wijze open te knippen en uit elke darm een evenredige hoeveelheid materiaal over te brengen in een lege steriele petrischaal. Meng goed (bijvoorbeeld met een steriele swab of entoog).
Beënt vanuit het mengmonster met behulp van de swab of entoog een halve mCCDA-plaat. Beënt de rest van de plaat middels verdunningsstrepen met behulp van een steriele öse, zodanig dat na incubatie losliggende kolonies kunnen ontstaan.
Incubeer mCCDA platen micro-aëroob gedurende 48 (± 4) uur bij 41,5 (± 1)°C.
Breng 25 gram ± 1 gram van het monster, bijvoorbeeld een stuk huid van de borstkap of filet, in een stomacherzak en voeg 100 ml Preston bouillon toe. Stomacher gedurende 1 minuut en scheidt het monstermateriaal van de ophopingsbouillon (bijvoorbeeld door het verwijderen van de binnenzak van de stomacherzak met daarin het monstermateriaal of door overschenken van de ophopingsvloeistof in een schoon steriel flesje).
Incubeer de ophopingsbouillon (24 ± 2) uur bij (41,5 ± 1)°C in micro-aëroob milieu.
Indien geïncubeerd wordt in flesjes of (stomacher)-zakken met weinig kopruimte (d.w.z. = 2 cm), kan zonder eisen aan het milieu geïncubeerd worden.
Ent met behulp van een entoog (10 μl) de Preston-cultuur na incubatie uit op een mCCDA-plaat. Incubeer mCCDA platen micro-aëroob gedurende (48 ± 4) uur bij (41,5 ± 1)°C.
Beoordeel bebroede mCCDA-platen op de aanwezigheid van kolonies met de volgende morfologische eigenschappen: grijs, metalig, laag convex, amorf en de neiging om met de entstreep mee te groeien. Deze kolonies worden als ‘verdacht positief’ aangemerkt.
Voor de bevestiging uit met minimaal 1 tot maximaal 3 verdachte kolonies per plaat in geval van reincultuur en tot 5 verdachte kolonies (indien aanwezig) in geval van mengcultuur, totdat een positief resultaat wordt verkregen.
Ter bevestiging wordt een oxidase reactie uitgevoerd en worden de verdachte kolonies microscopisch beoordeeld.
Ent met een entoog (anders dan van nikkel/chroom) vanaf de mCCDA plaat een verdachte kolonie op een filtreerpapiertje bevochtigd met oxidasereagens. Lees na maximaal 10 seconden de reactie af. De reactie is positief bij paarskleuring en negatief indien er geen verkleuring optreedt.
Maak van de verdachte kolonie een hangende-druppel-preparaat of nat-preparaat en beoordeel met een fasecontrast of donkerveld microscoop (100x objectief) op de karakteristieke kurketrekker-vormige morfologie en grote beweeglijkheid van Campylobacter . Bij kleuringvolgens Gram tonen Campylobacter bacteriën zich als kurketrekker-vormig gebogen Gram- negatieve staafjes. De karakteristieke vorm is ook goed te zien bij kleuring met Oost-Indische inkt. Bij oude culturen (> 2 dagen op plaat) kan Campylobacter coccoïde en minder beweeglijke vormen aannemen.
Bij twijfel of als extra controle op de juiste identificatie wordt aanbevolen om regelmatig een aanvullende bevestiging uit te voeren met een latexagglutinatietest of een TSI-buis, bijvoorbeeld met 1 op 50 bevestigde kolonies. Voer eerst een reinstrijk uit op bijvoorbeeld een bloedplaat of een mCCDA-basis agar plaat (zonder antibiotica supplement).
Latexagglutinatietesten zijn bij diverse firma’s commercieel verkrijgbaar (zie Bijlage A) en moeten volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant worden ingezet en afgelezen.
Beënt een TSI buis middels ladderen van het schuin gestolde deel en middels steek-enten in de agar. Incubeer deze buis (24 ± 2) uur bij (41,5 ± 1)°C in micro-aëroob milieu. Beoordeel de reacties als weergegeven in tabel 1.
Campylobacter bacteriën vertonen de karakteristieken zoals omschreven in tabel 1.
|
Microscopie |
Karakteristieke kurketrekker- vormige morfologie en grote beweeglijkheid |
+ |
|
Oxidase |
Paarsvorming |
+ |
|
TSI -Glucose (zuurvorming) |
rood/onveranderd geen zwartkleuring Negatief: gehele buis rood Positief: voet geel, schuine deel rood; |
- - |
|
-Glucose (gasvorming) |
Neg.: geen bellen/scheuren Pos.: belletjes en/of scheuren in agar |
- |
|
-Lactose |
Pos.: gehele buis geel |
- |
|
-Sucrose |
Pos.: gehele buis geel |
- |
|
-H2S-vorming |
Pos.: zwarte kleur in voet |
- |
|
Latexagglutinatie |
Volgens voorschrift fabrikant |
+ |
Geef het resultaat op als ‘aan- of afwezigheid van Campylobacter in het betreffende monstermateriaal’ als Campylobacter al dan niet is aangetoond volgens 8 (werkwijze).
Prestatiekenmerken zijn vooralsnog niet voorhanden.
Vermeld in het verslag:
de gevolgde methode;
de gegevens die noodzakelijk zijn voor de identificatie van het monster;
de gevolgde methode van monsterneming, indien bekend;
het resultaat volgens hoofdstuk 8;
eventuele bijzonderheden die tijdens de bepaling zijn waargenomen die het resultaat kunnen hebben beïnvloed.
NEN-EN ISO 10272.:1995 Microbiology of food and animal feeding stuffs - Horizontal method for the detection of thermotolerant Campylobacter + technical corrigenda (ISO10272:1995/Cor.1:1996(E) and ISO 10272:1995/Cor:1997(E).
Jacobs-Reitsma, W.F. (1994). Epidemiology of Campylobacter in Poultry. Thesis Agricultural University Wageningen, The Netherlands.
Jacobs-Reitsma W., M. van der Wal, R. Achterberg and J. Wagenaar. Comparative studies on Campylobacter isolation methods from fresh poultry products. Posterpresentation at the 12th International Workshop on Campylobacter, Helicobacter and Related Organisms, september 2003, Aarhus, Denmark.
PVE Branchemethode (MSRV) voor het aantonen van Salmonella in dons, faeces, vellen en eindproduct afkomstig van pluimvee (inclusief 5 bijlagen), d.d. 20-07-01 Vb. Bo. nr. 31.
Beschikbare latex agglutinatie testen voor bevestiging van thermotolerante Campylobacter zijn onder andere:
DryspotCampylobacterTest , Oxoid DR 150M
Oxoid ltd., Basingstoke Hampshire, England
|
In NL via : |
Oxoid |
|
|
Pieter Goedkoopweg 38 |
||
|
Postbus 490, 2000 AL Haarlem |
||
|
Tel: |
023 5319173 |
|
|
Fax: |
023 5310543 |
INDX® - Campy (jcl)™ 50 test kit Catalog # 2200-01-50
(voorheen Meritec™-Campy (jcl), #203050, Meridian Diagnostics)
Integrated Diagnostics, Inc.
Baltimore, MD 21227 USA
|
in NL via: |
Biotrading |
|
|
Postbus 254 |
||
|
3640 AG Mijdrecht |
||
|
Tel: |
0297 286848 |
|
|
Fax: |
0297 287570 |
Microscreen ®Campylobacter , M46
Microgen Bioproducts Ltd. (voorheen Mercia Diagnostics)
1, Admiralty Way, Camberley, Surrey GU15 3DT, UK
|
In NL via: |
Lucron bioproducts BV. |
|
|
Postbus 57 |
||
|
6590 AB Gennep |
||
|
Tel: |
0485 511675 |
|
|
Fax: |
0485 512052 |
Voor de eerstelijnscontrole van de methode dienen te worden meegenomen:
Indien op het laboratorium monsters eindproduct worden opgehoopt in Preston bouillon, dan wordt een ongeënte Preston-buis (of -zakje) gebruikt als blanco controle. Deze controle buis wordt afgeënt op een mCCDA-plaat. Na incubatie volgens de beschreven procedure mag er geen groei zijn op de mCCDA-plaat.
Indien een hoeveelheid (blindedarm)mest direct met behulp van een swab wordt geënt op een mCCDA-plaat, dan wordt een onbeënte mCCDA-plaat gebruikt als blanco controle. Na incubatie volgens de beschreven procedure mag er geen groei zijn op deze mCCDA-plaat.
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een referentiestam van C. jejuni . (bijvoorbeeld ATCC 29428).
Indien op het laboratorium monsters eindproduct worden ingezet, dan wordt een Preston-buis (of -zakje) aangeënt met de referentiestam en gebruikt als positieve controle. Deze positieve controle buis wordt afgeënt op een mCCDA-plaat. Na incubatie volgens de beschreven procedure moet op de mCCDA-plaat groei te zien zijn met de typische morfologische kenmerken.
Indien op het laboratorium monsters (blindedarm)mest worden ingezet, dan wordt een mCCDA- plaat aangeënt met de referentiestam en gebruikt als positieve controle. Na incubatie volgens de beschreven procedure moet op de mCCDA-plaat groei te zien zijn met de typische morfologische kenmerken.
Tevens kan deze referentiestam gebruikt worden als positieve controle bij de uitvoering van de oxidase test, de microscopie en eventueel de agglutinatie test en/of TSI-buis.
Voor de ingangscontrole van een batch dienen te worden meegenomen:
Positieve controle
zie boven
Negatieve controle
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een referentiestam van E. coli (bijvoorbeeld ATCC 25922). Deze controlestam mag op een mCCDA-plaat geen ‘verdachte’ kolonies te zien geven.
Indien geen ingangscontrole wordt uitgevoerd, maar alleen eerstelijnscontrole, dan moet bij deze eerstelijnscontrole altijd een blanco, een positieve én een negatieve controle meegenomen worden.
Alleen indien de controles een juiste uitslag geven mag de uitslag van de monsters afgegeven worden.
Dit protocol beschrijft een methode voor het aantonen van thermotolerante Campylobacter spp. (in dit protocol verder als Campylobacter aangeduid) in verse pluimveeproducten. De methode is gevalideerd ten opzichte van de door de branche opgestelde en door de Raad voor Accreditatie goedgekeurde analyse methode.
NEN-EN-ISO 6887-1:1999 , Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders; Voorbereiding van het monster en bereiding van verdunningen door microbiologisch onderzoek; Deel 1: Algemene regels voor de bereiding van de primaire verdunning en verdere decimale verdunningen.
NEN-EN-ISO 6887-2:2002, Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders; Voorbereiding van monsters en bereiding van verdunningen voor microbiologisch onderzoek; Deel 2: Specifieke werkwijze voor vlees en vleesproducten.
NEN-ISO 7218:1996, Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders - Algemene regels voor microbiologische onderzoeken.
NVN-ENV-ISO 11133-1:2000, Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders; Richtlijnen voor de kwaliteitsborging en productie van kweekmedia; Deel 1: Algemene richtlijnen voor kwaliteitsborging van de voorbereiding van kweekmedia in het laboratorium
Campylobacter : Campylobacter spp., dat wil zeggen alle typen Campylobacter waarvan de specifieke antigenen met behulp van de Enzyme Linked Fluorescent Assay (ELFA) techniek worden aangetoond, wanneer wordt getest volgens de beschreven werkwijze.
Door de selectieve ophoping te incuberen bij 41,5 ± 1º C wordt geselecteerd op alleen de thermotolerante Campylobacter species.
Detectie van Campylobacter : bepalen van de aan- of afwezigheid van deze micro- organismen als het onderzoek wordt uitgevoerd volgens de beschreven werkwijze.
VIDAS CAM is een enzym immunoassay voor de detectie van Campylobacter antigenen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de ELFA methode en die geautomatiseerd wordt uitgevoerd op het VIDAS analyse apparaat.
Pluimveeproducten (bijvoorbeeld vel van de borstkap of filet) worden in porties van 25 gram gedurende 1 minuut gestomacherd met 100 ml selectief ophopingsmedium (Preston). Hierna wordt het monstermateriaal verwijderd en alleen het ophopingsmedium gedurende 48 uur bebroed bij 41,5°C. Vervolgens wordt de VIDAS CAM assay uitgevoerd. Het test resultaat van deze aantoningsstap is na ca. 70 minuten beschikbaar. Verdere bevestiging van positieve uitslagen is niet noodzakelijk.
Gebruik materialen die voldoende zuiver zijn.
Gebruik gedestilleerd of op een andere wijze gedemineraliseerd water. Het water mag geen voor micro-organismen giftige bestanddelen bevatten.
Voor een goede reproduceerbaarheid van de resultaten verdient het aanbeveling uit te gaan van in de handel verkrijgbare droge ingrediënten of geschikt bevonden droge voedingsmedia. De instructies van de fabrikant voor de bereiding moeten nauwgezet worden gevolgd.
Gebruik voor de meting van de pH een pH-meter; referentietemperatuur 25°C.
Indien het voedingsmedium niet direct wordt gebruikt, moet dit in het donker tussen 1°C en 5°C worden bewaard en onder omstandigheden waarbij geen veranderingen in de samenstelling optreden. Bewaar het voedingsmedium niet langer dan een maand, tenzij elders in dit protocol anders wordt aangegeven.
Er mag ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commerciëel verkrijgbaar zijn.
|
Vleesextractpoederaook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutirënt Broth No. 2 |
10,0 |
g |
|
Peptonaook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutirënt Broth No. 2 |
10,0 |
g |
|
Natrium chlorideaook tezamen kant-en-klaar verkrijgbaar onder de naam Nutirënt Broth No. 2 |
5,0 |
g |
|
Natrium pyruvaatbook tezamen verkrijgbaar als supplement (zgn. "groeisupplement" of FBP supplement) |
0,25 |
g |
|
Natrium metabisulfietbook tezamen verkrijgbaar als supplement (zgn. "groeisupplement" of FBP supplement) |
0,25 |
g |
|
Ijzer (II) sulfaatbook tezamen verkrijgbaar als supplement (zgn. "groeisupplement" of FBP supplement) (FeSO4.7H2O) |
0,25 |
g |
|
Water |
1000 |
ml |
Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting). Stel de pH zo in dat deze na sterilisatie 7,5 ± 0,2 bedraagt bij 25ºC. Steriliseer gedurende 15 minuten bij (121 ± 1)ºC.
|
Polymyxine-B |
5000 |
IU |
|
Rifampicine |
0,01 |
g |
|
Trimethoprim lactaat |
0,01 |
g |
|
Amphotericine-B |
0,01 |
g |
|
Water |
4 |
ml |
OPMERKING
Deze antibiotica zijn ook tezamen verkrijgbaar als Preston supplement. Let op, ook het “vroeger” gebruikte Preston supplement, met cycloheximide in plaats van amphotericine-B, is nog steeds verkrijgbaar. De voorkeur wordt echter gegeven aan gebruik van supplement met amphotericine-B.
Los de antibiotica op in het water en steriliseer door middel van filtratie (0,22 μm filter).
|
Basismedium |
1000 |
ml |
|
Antibiotica oplossing |
4 |
ml |
Koel het basismedium af tot onder de 45ºC.
Voeg op aseptische wijze de antibiotica oplossing toe en meng zorgvuldig.
OPMERKING
In de originele beschrijving van Preston ophopingsmedium (en in daarop volgende beschrijvingen in bijvoorbeeld ISO) wordt paardenbloed gebruikt. In dit NEN voorschrift wordt echter geen paardenbloed toegepast, omdat uit recent onderzoek is gebleken dat dat voor onderhavige monstermatrix niet noodzakelijk is (Jacobs-Reitsma et al ., 2003).
Gebruikelijke toestellen en steriel glaswerk voor microbiologische laboratoria (zie ook NEN- ISO 7218) en in het bijzonder de onderstaande:
Broedstoof voor het bebroeden bij (41,5 ± 1) ° C.
Suspendeertoestel, Stomacher
Geschikte apparatuur en hulpmiddelen om te bebroeden in een micro-aërobe atmosfeer (ca. 6% zuurstof, 10% kooldioxide en 84% stikstof). Voor het verkrijgen van micro-aëroob milieu kan gebruik gemaakt worden van commerciële systemen (‘gas- zakjes’), bijvoorbeeld:
GenBox micro-aërofiel (10 zakjes, ref. 96125, bioMérieux).
VIDAS of mini VIDAS analyser (bioMérieux).
VIDAS CAM assay (30 testen, ref. 30111, bioMérieux)
OPMERKING
Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.
Monstername is geen onderdeel van de methode zoals beschreven in deze norm. PVE heeft de procedure voor de monstername in een apart besluit vastgelegd.
Bederfelijke pluimveeproducten zoals borstvellen en filet dienen gekoeld (1-4° C) te worden aangeleverd. Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage IX van het gewijzigde Besluit Protocollen Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij (PVE, 2004-I). Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd in de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden, dan dient het laboratorium hierover schriftelijk een opmerking te maken richting opdrachtgever.
Campylobacter is zeer gevoelig voor invriezen en daarom is het invriezen van monsters niet toegestaan.
Monsters dienen binnen 48 uur na monstername te worden ingezet.
Breng 25 gram ± 1 gram van het monster, bijvoorbeeld een stuk huid van de borstkap of filet, in een stomacherzak en voeg 100 ml Preston bouillon toe. Stomacher gedurende 1 minuut en scheidt het monstermateriaal van de ophopingsbouillon (bijvoorbeeld door het verwijderen van de binnenzak van de stomacherzak met daarin het monstermateriaal of door overschenken van de ophopingsvloeistof in een schoon steriel flesje).
Incubeer de ophopingsbouillon (48 ± 2) uur bij (41,5 ± 1)°C in micro-aëroob milieu.
Indien geïncubeerd wordt in flesjes of (stomacher)-zakken met weinig kopruimte (d.w.z. = 2 cm), kan zonder eisen aan het milieu geïncubeerd worden.
OPMERKING
In tegenstelling tot de branchemethode is de incubatietijd in dit voorschrift 48 uur.
Meng het ophopingsmedium na incubatie en breng 2 ml over in een eppendorfbuisje. Sluit de buisjes en verhit gedurende 15 minuten in een kokend waterbad. Voer vervolgens de VIDAS CAM test uit volgens de gebruiksaanwijzing. Runtime VIDAS CAM test bedraagt ongeveer 70 minuten.
OPMERKING
Indien de VIDAS CAM test niet direct kan worden uitgevoerd is het mogelijk de ophoping (of een deel ervan) in te vriezen voor maximaal 48 uur. Na ontdooien moet de ophoping opgekookt worden en kan bovenstaande werkwijze worden gevolgd.
Resultaten worden beoordeeld conform de gebruiksaanwijzing van de VIDAS CAM test. Deze zijn gebaseerd op metingen van de fluorescentie en worden gestandaardiseerd naar een zogenaamde Test Value (TV). Resultaten met een TV onder de 0,1 betreffen monsters waarin Campylobacter antigenen niet aantoonbaar waren. Resultaten met een TV = 0,1 worden als Campylobacter -positief gerapporteerd.
De in dit voorschrift beschreven VIDAS CAM methode is een detectie methode. Verdere confirmaties zijn niet nodig.
De VIDAS CAM test kit bevat een positieve en een negatieve VIDAS reagens controle en een bijbehorende standaard. Deze worden meegenomen in de bepalingen zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de VIDAS CAM test.
Voor de eerstelijnscontrole van de methode dienen te worden meegenomen (bijlage):
Blanco controle
Positieve controle
Negatieve controle (indien een ingangscontrole per batch wordt toegepast, kan deze negatieve controle komen te vervallen)
Geef het resultaat op als ‘aan- of afwezigheid van Campylobacter in het betreffende monstermateriaal’ als Campylobacter al dan niet is aangetoond volgens 8 (werkwijze).
Prestatiekenmerken zijn vooralsnog niet voorhanden.
Vermeld in het verslag:
de gevolgde methode;
de gegevens die noodzakelijk zijn voor de identificatie van het monster;
de gevolgde methode van monsterneming, indien bekend;
het resultaat volgens hoofdstuk 8;
eventuele bijzonderheden die tijdens de bepaling zijn waargenomen die het resultaat kunnen hebben beïnvloed.
PVE Branchemethode voor het aantonen van thermotolerante Campylobacter. Bijlage VI van het Besluit tot wijziging van het besluit protocollen hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 (2004-I) (Verordeningenblad Bedrijfsorganisaties).
PVE Acceptatie criteria, Opmerkingen opdrachtgever bij aanleveren afwijkende monsters, Bijlage IX van het Besluit tot wijziging van het besluit protocollen hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 (2004-I) (Verordeningenblad Bedrijfsorganisaties).
Jacobs-Reitsma, W., M. van der Wal, E. Samuëls and J. Wagenaar. Evaluation of the VIDAS Campylobacter Assay for detection of Campylobacter in fresh poultry products after various enrichment methods. Posterpresentation A-18 at 12th International Workshop on Campylobacter, Helicobacter and Related Organisms, september 2003, Aarhus, Denmark. International Journal of Medical Microbiology, Vol. 293 Suppl. 35, p. 6.
Jacobs-Reitsma, W., M. van der Wal, R. Achterberg, J. Wagenaar. Comparative studies on Campylobacter isolation methods from fresh poultry products. Posterpresentation A-21 at 12th International Workshop on Campylobacter, Helicobacter and Related Organisms, september 2003, Aarhus, Denmark. Ìnternational Journal of Medical Microbiology, Vol. 293 Suppl. 35, p. 6-7.
Samuëls, E.L.A.M. en W. Jacobs-Reitsma, Validatierapport van de Campylobacter bepaling in de matrix pluimveevlees met behulp van de VIDAS CAM methode. (Onderzoek in het kader van het PVE Plan van Aanpak/Actieplan 2000+ Salmonella en Campylobacter in de pluimveesector), april 2004.
Eerstelijnscontrole van de methode
Voor de eerstelijnscontrole van de methode dienen te worden meegenomen:
Indien op het laboratorium monsters eindproduct worden opgehoopt in Preston bouillon, dan wordt een ongeënte Preston-buis (of -zakje) gebruikt als blanco controle. Deze controle wordt getest met de VIDAS CAM test en dient negatief te zijn
Blanco controle
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een referentiestam van C. jejuni (bijvoorbeeld ATCC 29428).
Positieve controle
Indien op het laboratorium monsters eindproduct worden ingezet, dan wordt een Preston- buis (of -zakje) aangeënt met de referentiestam en gebruikt als positieve controle. Deze positieve controle wordt getest met de VIDAS CAM test en dient positief te zijn
Voor de ingangscontrole van een batch dienen te worden meegenomen:
Positieve controle
zie boven
Negatieve controle
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een referentiestam van E. coli (bijvoorbeeld ATCC 25922). Deze negatieve controlestam wordt getest met de VIDAS CAM test en dient negatief te zijn.
Indien geen ingangscontrole wordt uitgevoerd, maar alleen eerstelijnscontrole, dan moet bij deze eerstelijnscontrole altijd een blanco, een positieve én een negatieve controle meegenomen worden.
Alleen indien de controles een juiste uitslag geven mag de uitslag van de monsters afgegeven worden.
Dit protocol beschrijft een 24-uurs methode voor het aantonen van Salmonella met behulp van de iQ Check™ Salmonella kit (Bio-Rad Laboratories b.v.) in dons, mest en vlees afkomstig van pluimvee. De methode is gevalideerd ten opzichte van de door de branche opgestelde en door de Raad voor Accreditatie goedgekeurde analyse methode MSRV dan wel analyse methode Probelia™.
Salmonella: Salmonella spp., d.w.z. alle typen Salmonella waarvan het DNA aan de hand van de Polymerase Chain Reactie (PCR) wordt aangetoond, wanneer wordt getest volgens de beschreven werkwijze.
Uit een voorophopingsmedium wordt, na voorincubatie, het DNA van Salmonella geïsoleerd. Met behulp van de real-time polymerase chain reaction (PCR) worden Salmonella- specifieke DNA sequenties gelijktijdig vermenigvuldigd en gedetecteerd middels fluorescente probes.
Inclusief voorophoping wordt een positieve of negatieve uitslag verkregen binnen 24 uur.
Niet-selectief voorophopingsmedium
|
gebufferd pepton water (BPw) |
Bio-Rad code 356-4684 (500 g) of Bio-Rad code 355-4170 (225 ml) |
|
iQ Check™ Salmonella kit |
Bio-Rad code 35 7-8100 |
De iQ Check™ Salmonella kit bestaat uit kant-en-klare reagentia.
De samenstelling en bereiding van medium en kit is opgenomen in resp. bijlage 1 en bijlage 2.
De gebruikelijke apparatuur voor een moleculair/microbiologisch laboratorium en de voor de iQ Check™ Salmonella test benodigde apparatuur en verbruiksmaterialen, zoals onderstaand vermeld:
iCycler Thermal Cycler met 96-wells reactiemodule (Bio-Rad cat. #: 170-8720)
iCycler iQ Optical Module (Bio-Rad cat. #: 170-8740)
iCycler iQ Filter set Texas Red/ Rox Dyes (Bio-Rad cat. #: 170-8781)
Stomacher
Broedstoof voor het bebroeden bij 37 ± 1°C
Verhittingsblok voor 1,5 ml buizen (100 ± 1°C)
Tafelcentrifuge (maximaal 12.000 rpm, voor 1,5 ml buizen)
Vortex
Magnetische roerder
20 μl, 200 μl and 1000 μl micropipetten
Combi-tips pipetten
Opmerking: Het gebruik van een universal power source (UPS) in combinatie met de iCycler iQTM wordt aanbevolen.
iCycler iQ 96-well PCR platen (Bio-Rad cat. #: 223-9441)
iCycler iQ Optical sealing tape (Bio-Rad cat. #: 223-9444)
200 ml 8-strip tubes (Bio-Rad cat. #: 223-9469)
200 ml 8-strip caps for 200 μl tubes (Bio-Rad cat. #: 223-9472)
Stomacher zakken met filter
1 ml en 10 ml pipetten
Steriele filtertips, passend op 20 μl, 200 μl en 1000 μl micropipetten
1,5 ml Eppendorf SafeLock buisjes
Combi-tips tips, steriel, individueel verpakt
2 ml and 5 ml steriele buizen of flesjes
Poeder-vrije handschoenen
Milli-Q of gedestilleerd steriel water
Ethanol 96% of NaOH 5%
Opmerking: Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.
De test dient te worden uitgevoerd door op juiste wijze getraind personeel.
Monsters en kweken dienen te worden behandeld en afgevoerd als potentieel infectieus materiaal.
De kwaliteit van de resultaten is afhankelijk van een strikte uitvoering conform Good Laboratory Practice, in het bijzonder aangaande PCR:
Gebruik specifieke, gescheiden sets laboratorium benodigdheden zoals pipetten en buizen voor bijvoorbeeld DNA extractie en de bereiding van PCR mix.
Het is van groot belang dat gebruik wordt gemaakt van een positieve en negatieve controle in elke serie van amplificatie reacties ('PCR run').
Gebruik geen reagentia waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken.
Homogeniseer reagentia voorafgaand aan gebruik.
Controleer regelmatig de nauwkeurigheid en precisie van alle pipetten en apparatuur.
Verwissel handschoenen met enige regelmaat, vooral indien contaminatie wordt verondersteld.
Voer periodieke reiniging uit van de werkplaats met tenminste 5% bleekmiddel.
Vermijdt gebruik van latex handschoenen met poeder. Voorkom vingerafdrukken op het optisch sealing tape.
Schrijf niet op de dopjes van PCR-buizen. In beide gevallen zal de real-time data- acquisitie hinder ondervinden.
Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage V van Besluit Protocollen Hygiënevoorschriften Pluimveeverwerkende industrie 1999 (PPE, 2004-II).
De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na de datum van monstername is verstreken.
Ophopingsmedium dient op incubatie temperatuur (37°C) te zijn voorafgaand aan gebruik.
Homogenizeer 25 g monster in 225 ml gebufferd pepton water, in een stomacher zak met filter.
Incubeer zonder schudden gedurende 18-20 uur bij 37 °C.
Opmerking: Bij verwerking van borstvel ten behoeve van de verdunning dient zo min mogelijk onderhuids vet meegesneden te worden; een overmaat vet kan de isolatie van DNA bemoeilijken en inhibitie van de PCR-reactie veroorzaken. Mest en dons vergen geen bijzondere voorbehandeling.
Pipetteer 1 ml ophoping met een disposable pipet in een 1,5 ml Eppendorf buis (voorkom pipetteren van grote fragmenten van monsterresten). Schudt de ophoping niet voorafgaand aan het pipetteren van het monster.
De overige stappen voor de DNA extractie worden uitgevoerd zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de iQ Check™ Salmonella testkit (Bio-Rad, 2004).
Opmerking : In geval van ophopingen met een vettig supernatant, neem het monster juist onder deze vetlaag.
Apparatuur en software gebruik, uitvoering PCR en data analyse worden allen uitgevoerd zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de iQ Check™ Salmonella testkit (Bio-Rad, 2004).
Resultaten worden geïnterpreteerd middels analyse van de Ct-waarden (threshold cycle) van elk monster.
Een positief Salmonella monster dient een Ct-waarde = 10 voor de FAM fluorophore te hebben. Indien de Ct-waarde lager dan 10 is, dient het verloop van de amplificatiecurve gecontroleerd te worden via de "Background subtracted" mode; de curve dient een vlakke basislijn te vertonen, gevolgd door een geleidelijke toename van fluorescentie. Indien de curve correct is, kan het monster positief voor Salmonella worden bevonden. Indien geen Ct-waarde (Ct=N/A) voor FAM is toegekend aan een monster, of de curve een niet-kenmerkend verloop vertoont, moet deinterne controle van dat monster worden geanalyseerd. Wanneer geen Ct-waarde (Ct=N/A) wordt verkregen voor FAM, dan is de uiteindelijke interpretatie van het resultaat afhankelijk van de interne controle:
Een monster wordt negatief beschouwd voor Salmonella indien geen Ct-waarde voor FAM is toegekend, en de interne controle (Texas Red) een Ct-waarde > 10 heeft.
Indien de interne controle ook geen Ct-waarde is toegekend (Ct = N/A), dan is interpretatie van het resultaat onmogelijk. Een dergelijk resultaat kan een indicatie zijn van remming van de PCR reactie. In dit geval dient het monster (DNA-extract) 1/10 verdund te worden in steriel gedestilleerd water en moet de PCR reactie worden herhaald.
Interpretatie van monsterresultaten:
|
Salmonella detectie (FAM-490) |
Interne controle detectie (Texas Red-575) |
Resultaat |
|
Ct=10 |
Niet van belang |
Positief |
|
Ct = N/A |
Ct > 10 |
Negatief |
|
Ct = N/A |
Ct = N/A |
Inhibitie*Wanneer zowel Salmonella als interne controle detectie een Ct = N/A oplevert, dient het monster opnieuw getest te worden middels een 1/10 verdunning van het DNA-extract. |
Voor een positief resultaat geldt: Salmonella aangetoond. Voor een negatief resultaat geldt: Salmonella niet aangetoond.
Verdere bevestiging van positieve uitslagen verkregen met de iQ Check™ Salmonella test is ter beoordeling van de gebruiker maar is niet vereist.
Echter in die gevallen waarin volgens het Plan van Aanpak/Actieplan 2000+ nadere serotypering van de Salmonella bevinding is vereist, dient met dezelfde BPw-voorophoping als waaruit de PCR is uitgevoerd alsnog een isolatie met MSRV en BGA uitgevoerd te worden (PVE Branche methode MSRV, PPE, 2004-II).
In bijlage IV van Besluit Protocollen Hygiënevoorschriften Pluimveeverwerkende industrie 1999, wijziging 2004-II, is het werkvoorschrift voor serotypering van isolaten opgenomen (PPE 2004-II).
De iQ Check™ Salmonella test kit bevat een positieve en een negatieve controle. Een additionele interne controle in elk monster bepaald de efficiëntie van de PCR-reactie en is een indicator voor vals-negatieve reacties. Genoemde controles worden in elke test meegenomen.
Ten behoeve van de validatie van het gehele experiment dienen de controles te voldoen aan de volgende eisen, weergegeven in onderstaande tabel. Is dit niet het geval, dan moet de PCR reactie worden herhaald.
|
Salmonella detectie (FAM-490) |
Interne Controle detectie (Texas Red-575) |
|
|
Negatieve controle |
Ct = N/A*De software geeft een Ct waarde 'N/A (not applicable)' indien de fluorescentie van een monster niet significant boven de achtergrond ruis uitkomt en dus de threshold niet snijdt. |
30 < Ct < 40 |
|
Positieve controle |
26 < Ct < 36 |
Niet van belang |
Voor de eerstelijnscontrole van de methode als geheel dienen te worden meegenomen:
Positieve controle
Negatieve controle (indien een ingangscontrole per batch wordt toegepast, kan deze negatieve controle komen te vervallen)
Blanco controle
Het resultaat wordt opgegeven als 'Salmonellaaangetoond dan wel niet aangetoond in het betreffende monstermateriaal' alsSalmonellaal dan niet is aangetoond volgens dit protocol.
Indien bij het aanleveren van de monsters door de opdrachtgever afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden, dan dient het laboratorium hierover schriftelijk een opmerking te maken richting de opdrachtgever (zie bijlage V van Besluit Protocollen Hygiënevoorschriften Pluimveeverwerkende industrie 1999, wijziging 2004-II (PPE, 2004-II).
AFNOR Validation Certificate, iQ Check™ Salmonella, attest BRD-07/06-07/04.
Bio-Rad Laboratories b.v., Gebruiksaanwijzing van de iQ Check™ Salmonella Test. 30 augustus 2004, Veenendaal, NL.
European Standard NF EN ISO 6579. Microbiology of food and animal feeding stuffs - Horizontal method for the detection of Salmonella spp. December 2002.
Miras I., Hermant N., Arricau N., Popoff M.Y. Nucleotide sequence of lagA and lagB genes involved in invasion of HeLa cells by Salmonella enterica subsp. Enterica ser. Typhy. Research in Microbiology, Vol. 146 (1): 17-20 (1995).
Productschap Pluimvee en eieren (PPE). Verzamelband Actieplan Salmonella en Campylobacter in de pluimveevleessecor 2000+ (zie ook: www.pve.nl) .
Productschap Pluimvee en eieren (PPE). Opmerkingen opdrachtgever bij aanleveren afwijkende monsters, Acceptatiecriteria. Bijlage V bij Besluit Protocollen Hygiënevoorschriften Pluimveeverwerkende industrie 1999, wijziging 2004-II (d.d. 09-09-2004). Vb. Bo. Nr. 61, d.d. 08-10-2004. (ook via: www.pve.nl)
Productschap Pluimvee en eieren (PPE). PVE Branche methode MSRV voor het aantonen van Salmonella in dons, faeces, vellen en eindproduct afkomstig van pluimvee. Bijlage II bij Besluit Protocollen Hygiënevoorschriften Pluimveeverwerkende industrie 1999, wijziging 2004-II (d.d. 09-09-2004). Vb. Bo. Nr. 61, d.d. 08-10-2004. (ook via: www.pve.nl)
Productschap Pluimvee en eieren (PPE). Serologische bevestiging en serotypering. Bijlage IV bij Besluit Protocollen Hygiënevoorschriften Pluimveeverwerkende industrie 1999, wijziging 2004-II (d.d. 09-09-2004). Vb. Bo. Nr. 61, d.d. 08-10-2004. (ook via: www.pve.nl)
Tyagi, S. and Kramer, F.R. Molecular Beacons: Probes that fluoresce upon hybridization. Nature Biotechnology 14: 303-308 (1996).
Voorophopingsmedium: Gebufferd pepton water (BPw)
Samenstelling:
|
Pepton |
10,0 g |
|
NaCI |
5,0 g |
|
Na2HPO4 |
3,5 g |
|
KH2PO4 |
1,5 g |
|
Water |
1000 ml |
Bereiding:
Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting)
Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,2 ± 0,2 bedraagt bij 25 °C
Verdeel het medium over de daartoe geschikte flessen
Steriliseer in een autoclaaf (15 minuten, 121 °C)
Samenstelling
|
ID |
Reagens |
Verstrekte hoeveelheid |
|
A |
Lysis reagens |
1 fles (22 ml) |
|
B |
Fluorescente probes |
1 buis (0.550 ml) |
|
C |
Amplificatie mix |
2 buizen (2 x 2.25 ml) |
|
D |
PCR negatieve controle |
1 buis (0.5 ml) |
|
E |
PCR positieve controle |
1 buis (0.250 ml) |
De iQ-Check™ Salmonella kit bevat reagentia ten behoeve van 96 testen.
Monsters die in de pluimveevlees- en eiersector worden genomen voor bacteriologisch onderzoek:
Het laboratorium bepaalt of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in inlegvellen’.
Cloacaswabs 4 weken:
Het laboratorium bepaalt of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in swabs’.
Het laboratorium bepaalt of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in swabs’.
Het laboratorium bepaalt of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in dons’.
Swabs:
Het laboratorium bepaalt of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in swabs’.
Overschoentjes:
Het laboratorium bepaalt of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in overschoentjes’.
Het laboratorium bepaalt of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in blindedarmmest’.
Het laboratorium bepaalt of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in vellen’.
Het laboratorium bepaalt of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in eindproduct’.
Het laboratorium bepaalt of Salmonella aan- dan wel afwezig is. Indien Salmonella is aangetoond dan is de uitslag ‘aanwezigheid van Salmonella in swabs’.
Breng op een objectglas een druppel zoutoplossing (0,85% NaCl).
Breng met een steriele entnaald een beetje materiaal van de te onderzoeken kolonie in de druppel zodat een troebeling ontstaat.
Beweeg gedurende 30-60 seconden het objectglas heen-en-weer (druppel laten zwenken).
Beoordeel het resultaat tegen een donkere achtergrond (met een vergrootglas). De aanwezigheid van klontjes in het preparaat duidt op auto-agglutinatie van de onderzochte stam. De stammen die auto-agglutinatie vertonen worden niet onderzocht met polyvalent O-serum.
Agglutineer van Salmonella-verdachte kolonies met polyvalent serum A t/m E of A t/m G; indien negatief vervolgen met polyvalent serum A t/m S.
Breng op een objectglas een druppel antiserum.
Breng met een steriele entnaald een beetje materiaal van de te onderzoeken kolonie in de druppel zodat een lichte troebeling ontstaat.
Beweeg gedurende 30-60 seconden het objectglas heen-en-weer (druppel laten zwenken).
Beoordeel het resultaat tegen een donkere achtergrond (met een vergrootglas). De aanwezigheid van klontjes in het preparaat duidt op een positieve reactie van de onderzochte stam.
Agglutineer van Salmonella-verdachte kolonies eerst met serum A t/m E of A t/m G; indien negatief vervolgen met polyvalent serum A t/m S.
Bij een positieve agglutinatie met polyvalent A t/m G wordt geagglutineerd met de groepssera B, C (C1 en C2), D en E (1 t/m 5).
Indien positief met B, dan wordt vervolgens geagglutineerd met flagellair antiserum H-i. Hiertoe wordt een schuine agar (bijvoorbeeld nutriëntenagar) beënt (middels ladderen) met de te agglutineren Salmonella en wordt 1 druppel fysiologisch zout (0,85% NaCl) aan deze buis toegevoegd. Na 24 ± 2 uur incuberen bij 37 ° C wordt cultuur van de vochtige schuine zijde genomen voor de agglutinatie met H-i serum.
Indien H-i positief dan heeft men een Salmonella typhimurium.
Indien H-i negatief dan is het een Salmonella B groep.
Indien positief met D, dan wordt vervolgens geagglutineerd met flagellair antiserum H-m.
Indien H-m positief dan heeft men een Salmonella enteritidis.
Indien H-m negatief dan heeft men Salmonella D groep.
Salmonella die alleen met polyvalent A t/m S agglutineren, kunnen, indien gewenst, voor typering opgestuurd worden naar het RIVM, t.a.v. Infectieziekten, Diagnostiek en Screening laboratorium. Dit geldt tevens voor alle niet-serotypeerbare Salmonella.
Indien afwijkingen in de voorgeschreven kwaliteit en wijze van aanleveren van monsters zijn geconstateerd, moet in ieder geval bij de volgende punten richting de opdrachtgever een opmerking worden gemaakt, waaruit blijkt dat er in de procedure van monstername en inzenden een afwijking is geconstateerd en om welke afwijking het gaat.
Indien er tussen de datum van monstername en de datum van ontvangst op het laboratorium meer dan 48 uur is verstreken.
Indien bij de inzending één van de volgende gegevens ontbreekt: monsterdatum, stalnummer en KIP-nummer.
Indien monsters zodanig zijn verpakt dat lekkage is opgetreden en zodanig zijn geadresseerd dat voor transporteur en laboratorium verwarring kan ontstaan.
Indien onvoldoende inlegvellen worden aangeleverd.
Indien de monsters inlegvellen onvoldoende groot zijn.
Indien de monsters inlegvellen niet duidelijk met mest zijn besmeurd.
Indien de monsters inlegvellen niet worden aangeleverd in een plastic monsterpot of -zak.
Indien het monster niet minimaal 25 gram dons bevat.
Indien het monster geen natte dons bevat.
Indien het monster niet in een monsterpot of -zak wordt aangeleverd.
Swabs:
Indien onvoldoende swabs worden aangeleverd.
Indien de swabs onvoldoende met mest zijn besmeurd.
Indien de swabs niet tot twee mengmonsters zijn gepoold (tenzij de swabs individueel zijn verpakt).
Indien de swabs niet in monsterpotten worden aangeleverd.
Overschoentjes:
Indien onvoldoende paar overschoentjes zijn aangeleverd.
Indien de overschoentjes niet duidelijk met mest zijn besmeurd.
Indien de overschoentjes niet in monsterzakken worden aangeleverd.
Indien elk paar overschoentjes niet in een aparte monsterzak is verpakt.
Indien onvoldoende blindedarm monsters zijn genomen.
Indien de blindedarm monsters van onvoldoende formaat zijn.
Indien de blindedarm monsters niet in kunststofbakjes zijn aangeleverd.
Indien het monster vel van de borstkap niet minimaal 25 gram weegt.
Indien het monster niet gekoeld ( 0 – 4 °C) getransporteerd en bewaard is.
Indien het monster eindproduct niet minimaal 25 gram weegt.
Indien het monster niet gekoeld ( 0 – 4 °C) getransporteerd en bewaard is.
Voor de controle op de naleving van de Verordening zijn de navolgende instanties aangewezen:
INDAS, Inspectie en dienstverlening Agrarische Sector B.V.
B.V. Controle Bureau Dierlijke Sector, gevestigd te Utrecht
Lloyd's Register Nederland B.V., gevestigd te Rotterdam
Internationale Controle Maatschappij B.V. (SGS AgroControl)
K.B.B.L. Franchise B.V. (ISA Nederland)
Quality Partner N.V., gevestigd te Herstal, Belgie
B.V. Deltacon ISC.