Artikel
1
Onbemande luchtvaartuigen voor observatiedoeleinden
Met betrekking tot het uitvoeren van vluchten met door de Minister van Defensie ingevolge de Wet luchtvaart aangewezen onbemande luchtvaartuigen voor observatiedoeleinden vanuit de lucht, gelden de volgende regels ter beperking van de geluidhinder:
-
a.
vluchten worden uitgevoerd in het gebied met de aanduiding EHR 3 (Oldebroek);
-
b.
vluchten worden niet uitgevoerd tussen 0.00 uur lokale tijd en het aanbreken van de uniforme daglichtperiode, noch op vrijdagen na 16.00 uur, noch op zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen;
-
c.
de locatie van het startpunt ligt binnen het oefengebied op minimaal 350 m van woonbebouwing en wordt zodanig gekozen dat ten alle tijde binnen de grenzen van het oefengebied de minimum vlieghoogte kan worden bereikt;
-
d.
de startrichting wordt zodanig gekozen dat tot aan het bereiken van de minimum vlieghoogte niet boven woonbebouwing wordt gevlogen;
-
e.
met uitzondering van de start en de landing en onverminderd het overige in deze regeling bepaalde, bedraagt de minimum vlieghoogte 300 m (1000 voet); boven bebouwing bedraagt de minimum vlieghoogte ten minste 300 m (1000 voet) boven de hoogste hindernis gelegen binnen een afstand van 600 m van het onbemande luchtvaartuig;
-
f.
vanaf de start wordt zo snel mogelijk naar de minimum vlieghoogte geklommen, waarna, zo mogelijk met verminderd klimvermogen, wordt doorgeklommen naar de operationele vlieghoogte;
-
g.
de standaard operationele vlieghoogte bedraagt 3000 m (9000 voet);
-
h.
het onbemande luchtvaartuig vliegt circuitpatronen, bestaande uit rechte lijnstukken en bochten; de bochtstraal bedraagt minimaal 500 m;
-
i.
beëindiging van de vlucht vindt plaats door een landing aan een parachute bij uitgeschakelde motor; de landing wordt ingezet op een hoogte van minimaal 300 m en zodanig dat op een veilige wijze binnen de begrenzing van het oefengebied wordt geland; daarbij worden woonbebouwingen vermeden.