Regeling impuls beroeponderwijs voor instellingen 2000

De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen,
Gelet op artikel 2.2.3, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de minister:

    de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

  • b.

    wet:

    de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • c.

    instelling:

    een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet, een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet en een hogeschool als bedoeld in artikel 12.3.9 van de wet;

  • d.

    een project:

    een samenhangend geheel van werkzaamheden gericht op de doelstellingen, bedoeld in artikel 2;

  • e.

    vmbo:

    voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs verzorgd aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, dan wel een scholengemeenschap waarvan in elk geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt als bedoeld in artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • f

    bo:

    het beroepsonderwijs, bedoeld in de wet;

  • g

    Bve Raad:

    de Bve Raad, bedoeld in de Kaderregeling subsidiëring BVE Raad.

Artikel

2

Doel

Het doel van de regeling is het verlenen van aanspraak op een aanvullende vergoeding aan instellingen ten behoeve van projecten met als doelstelling:

  • a.

    het verbeteren van de programmatische aansluiting tussen vmbo en bo;

  • b.

    het verbeteren van de pedagogisch didactische aansluiting tussen vmbo en bo;

  • c.

    het verbeteren van de voorlichting en begeleiding van de deelnemers die vanuit het vmbo doorstromen naar het bo.

Artikel

3

Hoogte van de aanvullende vergoeding instellingen

Artikel

4

Voorwaarden

Artikel

5

Verantwoording

Het bevoegd gezag verantwoordt de aanvullende vergoeding door middel van:

  • a.

    een inhoudelijke verantwoording bestaande uit de eindrapportage, bedoeld in het artikel 4, tweede lid onder b, die uiterlijk 1 mei 2001 aan de minister wordt gezonden;

  • b.

    een financiële verantwoording op de wijze zoals omschreven in de Regeling Financieel jaarverslag (jaarrekening) voor instellingen/ organen in de bve-sector met ingang van het verslagjaar 2000.

Artikel

6

Terugvordering

De aanvullende vergoeding, bedoeld in artikel 3, kan geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van een aanvrager, indien:

  • a.

    er uiterlijk 1 mei 2001 geen eindrapportage die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, is ingediend bij de minister;

  • b.

    de aanvrager onjuiste, niet tijdige of voor de beoordeling van de uitvoering van de regeling onvolledige gegevens heeft verstrekt;

  • c.

    het project niet is gestart, aanzienlijk is vertraagd of voortijdig wordt beëindigd;

  • d.

    de ontvanger van de aanvullende vergoeding heeft gehandeld in strijd met de verplichtingen die aan de aanvullende vergoeding zijn verbonden, of

  • e.

    de ontvanger van de aanvullende vergoeding kennelijk in strijd met het doel van de aanvullende vergoeding heeft gehandeld.

Artikel

7

Bekendmaking

Deze regeling zal met toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel

8

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na dagtekening van Uitleg OCenW-Regelingen waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

9

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling impuls beroeponderwijs voor instellingen 2000.

De Minister van onderwijs, cultuur en wetenschappenDrs. L. M. L. H.A. Hermans