Artikel
1
Ten aanzien van vluchten met militaire jachtvliegtuigen, waarbij door het doel van de vlucht niet kan worden voldaan aan de bij en krachtens artikel 28 van het Luchtverkeersreglement gestelde regels met betrekking tot het voeren van luchtvaartuiglichten, gelden de volgende nadere regels:
-
a.
de noodzaak tot het uitvoeren van een deel van de vlucht met gedoofde luchtvaartuiglichten blijkt uit de vluchtopdracht,
-
b.
het uitvoeren van het deel van de vlucht met gedoofde luchtvaartuiglichten vindt uitsluitend plaats in het bijzondere luchtverkeersgebied EHR-4A tot en met 4D of in een temporary reserved airspace (TRA),
-
c.
bij het uitschakelen van de luchtvaartuiglichten wordt de nachtzichtapparatuur ingeschakeld, en
-
d.
het jachtvliegtuig is uitgerust met een functionerend radar beantwoordingsysteem (SSR-transponder) met 4096 code mogelijkheden in mode A en automatische hoogterapportering in mode C.