De minister kan aan een aanvrager subsidie verstrekken in de kosten van een project ter bevordering van internationale samenwerking op het terrein van milieubeheer, dat bijdraagt aan:
-
a.
het proces van toetreding van landen die door de Raad van de Europese Unie als toetreders tot de Europese Unie zijn aangemerkt, de totstandkoming van een Zesde Milieu Actie Programma, zoals aangegeven in de `Staat van Europese Unie - de Europese Agenda 1999-2000 vanuit Nederlands perspectief' die bij brief van 24 september 1999 door de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aangeboden (Kamerstukken II 1999/2000, 26 580, nr. 2), of de tenuitvoerlegging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen of de aanpassing of tenuitvoerlegging van het Verdrag betreffende de Europese Unie;
-
b.
de bevordering van de bilaterale betrekkingen van Nederland met Bulgarije, Hongarije, Litouwen, Oekraïne, Polen, Roemenië, Russische Federatie, Slowakije of Tsjechië, door uitwerking dan wel uitvoering van de werkprogramma's, die onder de met deze landen gesloten samenwerkingsovereenkomsten ressorteren;
-
c.
de bevordering van de bilaterale betrekkingen van Nederland met Letland of Georgië op het gebied van de toetreding tot de Europese Unie, respectievelijk de implementatie en handhaving van duurzaam afvalbeheer;
-
d.
de uitwerking en concretisering van initiatieven en werkprogramma's van en uitgevoerd door de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, het Regionaal Milieu Centrum, de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties of de Organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling ter voorbereiding van de Paneuropese Milieuconferentie in Kiev in 2002;
-
e.
de bevordering van de bilaterale betrekkingen van Nederland met Aruba, Canada, China, Indonesië, de Nederlandse Antillen, Verenigde Staten, Zuid-Afrika of Zuid-Korea, in het bijzonder door uitwerking dan wel uitvoering van de werkprogramma's die onder de met deze landen gesloten samenwerkingsovereenkomsten ressorteren;
-
f.
het duurzaam beheer en gebruik van bossen en biodiversiteit;
-
g.
het bereiken van milieudoelen bij internationale afspraken over handel en investeringen, zoals die zijn aangegeven in de notitie `Ambities voor een nieuwe ronde' die bij brief van 12 november 1999 van de Staatssecretaris van Economische Zaken aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aangeboden (Kamerstukken II 1999/2000, 25 074, nr. 31);
-
h.
de uitwerking en concretisering van de resultaten van de United Nations Conference on Environment and Development in het kader van Agenda 21 en de verklaring van Rio de Janeiro, alsmede het verankeren van de doelstellingen van de United Nations Conference on Environment and Development in de Nederlandse samenleving, of
-
i.
de uitvoering van één van de volgende verdragen:
-
1º.
het op 13 november 1979 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (Trb. 1980, 21);
-
2º.
het op 25 juni 1998 totstandgekomen Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieu-aangelegenheden (Trb. 1998, 289);
-
3º.
het op 25 februari 1991 totstandgekomen Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband (Trb. 1997, 298);
-
4º.
het op 22 juni 1993 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende het voorkomen van zware industriële ongevallen (Trb. 1996, 185);
-
5º.
het op 17 maart 1992 te Helsinki totstandgekomen Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren (Trb. 1996, 299);
-
6º.
het op 22 maart 1989 te Bazel totstandgekomen Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (Trb. 1996, 81);
-
7º.
het op 22 maart 1985 te Wenen totstandgekomen Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag (Trb. 1996, 79);
-
8º.
het op 9 mei 1992 te New York totstandgekomen Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1999, 53);
-
9º.
het op 10 september 1998 te Rotterdam totstandgekomen Verdrag van Rotterdam inzake voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van gevaarlijk chemicaliën en pesticiden in de internationale handel (Trb. 1999, 30);
-
10º.
het op 5 juni 1992 te Rio de Janeiro totstandgekomen Verdrag inzake biologische diversiteit (Trb. 1996, 86).