Regeling vermogenswaardering Ioaz

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

b.
lijfrente:

een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vierde lid, van de Invorderingswet 1990. Onder een lijfrente wordt mede verstaan de aanspraak op winstuitkeringen voorzover die uitkeringen verband houden met een lijfrente;

c.
pensioenregeling:
d.
levensverzekering:

een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Indien bezittingen in het zicht van de beëindiging van het bedrijf of beroep zijn verkocht of overgedragen en dit, gelet op de aard en strekking van de wet, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, stellen burgemeester en wethouders de waarde van deze bezittingen vast op basis van de waarde in het economisch verkeer bij verkoop zonder bezwaring.

Artikel

12

Burgemeester en wethouders kunnen artikel 8, derde lid, buiten toepassing laten, indien toepassing van die waardering zal leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel

13

Het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 juni 1987, houdende nadere regels voor de vaststelling van de waarde van het eigen vermogen bij beëindiging van het bedrijf of beroep (Stcrt. 122) wordt ingetrokken.

Artikel

14

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel

15

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vermogenswaardering Ioaz.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

`s-Gravenhage
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W.A.Vermeend