Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001

De Staatssecretaris van Financiën;
Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Hoofdstuk

2

Milieu-bedrijfsmiddelen

Artikel

2

Artikel

3

De termijn bedoeld in artikel 3.31, vierde lid, van de wet waarbinnen het verzoek ter zake van een bedrijfsmiddel dat bestemd is om te worden gebruikt buiten Nederland, moet zijn ingediend, wordt gesteld op de in artikel 2 gestelde termijn. Bij dit verzoek worden tevens de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van het bedrijfsmiddel aangemeld.

Artikel

4

Artikel

5

Met betrekking tot milieubedrijfsmiddelen die op grond van artikel 3.42a, zevende lid, van de wet worden aangemeld voor de milieu-investeringsaftrek en waarop de belastingplichtige tevens willekeurig wil afschrijven, kan de aanmelding voor willekeurige afschrijving, bedoeld in artikel 3.36, eerste lid, van de wet, worden opgenomen in de aanmelding voor de milieu-investeringsaftrek.

Artikel

5a

Artikel

5b

Hoofdstuk

3

Bedrijfsmiddelen in het belang van de arbeidsomstandigheden

Artikel

6

Vervallen

Hoofdstuk

4

Andere aangewezen bedrijfsmiddelen

Paragraaf

1

Investeringen door startende ondernemers

Artikel

7

Artikel

8

Op de aanschaffings- of voortbrengingskosten, bedoeld in artikel 7, kan willekeurig worden afgeschreven voor zover het gezamenlijke bedrag van die kosten in het kalenderjaar niet uitgaat boven het in de tabel van artikel 3.41, tweede lid, van de wet opgenomen maximum bedrag waarover kleinschaligheidsinvesteringsaftrek kan worden verkregen. De eerste volzin vindt geen toepassing op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen waarop uit andere hoofde willekeurig wordt afgeschreven.

Artikel

9

De periode bedoeld in artikel 3.38 van de wet wordt gesteld op vijf jaar, aanvangende met het begin van het kalenderjaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt.

Paragraaf

2

Zeeschepen

Artikel

11

De willekeurige afschrijving op bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 10 bedraagt per kalenderjaar ten hoogste 20% van de af te schrijven aanschaffings- of voortbrengingskosten. De willekeurige afschrijving kan slechts worden toegepast voor zover de berekening van de winst uit zeescheepvaart bedoeld in 3.22, vierde lid en vijfde lid, van de wet zonder die afschrijving tot een positief bedrag leidt. Indien de afschrijving - willekeurig of op grond van artikel 3.30, eerste lid, van de wet - in een jaar minder bedraagt dan het bedrag dat op grond van de eerste volzin ten hoogste willekeurig kan worden afgeschreven, wordt het verschil toegevoegd aan het bedrag dat in het volgende jaar ten hoogste willekeurig kan worden afgeschreven.

Artikel

12

Met betrekking tot bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 10 wordt de periode, bedoeld in artikel 3.38 van de wet, gesteld op tien jaar, aanvangende met het begin van het kalenderjaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingingskosten zijn gemaakt.

Paragraaf

3

Investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling

Artikel

13

Artikel

14

Voor zover de belastingplichtige ter zake van de aanschaffing of voortbrenging van aangewezen bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 13 verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt in het kalenderjaar 2023 kan eenmalig ten hoogste 50% van de af te schrijven aanschaffings- of voortbrengingskosten willekeurig worden afgeschreven in het jaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt.

Artikel

15

Voor de toepassing van artikel 3.38 van de wet eindigt de periode waarin het bedrijfsmiddel moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 13 op 31 december 2025. Ingeval met betrekking tot het bedrijfsmiddel artikel 13, derde lid, toepassing vindt, wordt de periode verlengd met het aantal dagen van de verschuiving, bedoeld in artikel 13, derde lid.

Paragraaf

4

Investeringen op het continentaal plat

Artikel

16

Vervallen

Artikel

17

Vervallen

Paragraaf

5

Film

Artikel

18

Vervallen

Artikel

19

Vervallen

Artikel

20

Vervallen

Paragraaf

6

Nieuwe gebouwen in aangewezen gemeenten

Artikel

21

Vervallen

Artikel

22

Vervallen

Artikel

23

Vervallen

Artikel

24

Vervallen

Hoofdstuk

5

Slotbepalingen

Artikel

25

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel

26

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Staatssecretaris van Financiën, W. J. Bos.