Artikel
1
1
De directeur-generaal Openbare Orde en Veiligheid is, met uitzondering van hetgeen is opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage, bevoegd tot het nemen van besluiten, het vaststellen en ondertekenen van stukken en het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn hoedanigheid van beheerder van het Korps landelijke politiediensten, met betrekking tot:
-
a.
het beheer van het Korps landelijke politiediensten, bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Politiewet 1993;
-
b.
de taken en bevoegdheden ten aanzien van de persoonsregistraties en politieregisters die bij het Korps landelijke politiediensten worden gehouden.
2
Ten aanzien van de regels die op basis van de Politiewet 1993 bij of krachtens algemene maatregelen van bestuur zijn gesteld en die op het Korps landelijke politiediensten van toepassing respectievelijk van overeenkomstige toepassing zijn, zijn het mandaat en de volmacht slechts van toepassing voorzover de bevoegdheden toekomen aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als bevoegd gezag over of beheerder van het Korps landelijke politiediensten.