Subsidieregeling beurzenprogramma DELTA

De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen,
overwegende dat het wenselijk is dat internationale samenwerking in het hoger onderwijs wordt bevorderd en dat de concurrentiepositie van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs op de internationale onderwijsmarkt wordt versterkt,
overwegende dat het tevens wenselijk is dit doel te bevorderen door aan Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs subsidie te verstrekken ten behoeve van het verstrekken van beurzen ter verhoging van de internationale mobiliteit van studenten, zoals geformuleerd in de beleidsbrief "Kennis: geven en nemen. Internationalisering van het onderwijs in Nederland", aangeboden aan de Tweede Kamer van de Staten-Generaal op 28 september 1999,
gelet op artikel 4, tweede en derde lid, van de Wet overige OCenW-subsidies,

Besluit

1

Inleidende bepalingen

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    minister: de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

  • b.

    doelgebieden: Indonesië, China, Taiwan en Zuid-Afrika,

  • c.

    instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of een instelling voor hoger onderwijs in een van de doelgebieden,

  • d.

    instellingsbestuur: instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onder j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

  • e.

    hoger onderwijs: hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs, waaronder mede wordt verstaan het doen van promotieonderzoek,

  • g.

    NESO: Netherlands Education Support Office,

  • h.

    Nuffic: stichting Nuffic, Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs,

  • i.

    student: iemand die hoger onderwijs volgt,

  • j.

    studiejaar: tijdvak dat begint op 1 september van enig kalenderjaar en eindigt op 31 augustus daaropvolgend.

Artikel

2

Doelomschrijving

Artikel

3

Aanpassing doelgebieden

Artikel

4

Subsidieaanvrager

Subsidie wordt slechts verleend aan instellingen als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel

5

Vaststelling subsidieplafond

Artikel

6

Subsidiebedrag per subsidieontvanger

De subsidie wordt berekend volgens de berekening opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

2

Subsidieaanvraag

Artikel

7

Subsidieaanvraag en vereisten

Artikel

8

Termijn indiening

De subsidieaanvraag wordt ingediend voor 1 april voorafgaand aan het studiejaar waarvoor subsidie wordt verstrekt.

Artikel

9

Beslissing op subsidieaanvraag

De minister beslist voor 15 mei voorafgaand aan het studiejaar waarvoor subsidie wordt verstrekt, op de subsidieaanvraag.

3

Subsidieverlening

Artikel

10

Criteria subsidieverlening voor het volgen van hoger onderwijs in Nederland

Artikel

11

Criteria subsidieverlening voor het volgen van hoger onderwijs in de doelgebieden

Artikel

12

Tijdvak subsidieverlening

Subsidie wordt telkens verleend voor een studiejaar.

Artikel

13

Niet vervullen begrotingsvoorwaarde

In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van artikel 4 verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

4

Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel

14

Informatieplicht subsidieontvanger

De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid tot versterking van de internationale concurrentiepositie van instellingen.

Artikel

15

Tussentijdse verslaglegging

Artikel

16

Nadere eisen gegevensverstrekking

De minister kan nadere eisen stellen aan de wijze waarop de voor de uitvoering van deze regeling benodigde gegevens, bedoeld in de artikelen 7, 14, 15, eerste lid, en 18, worden aangeleverd.

5

Subsidievaststelling

Artikel

17

Aanvraag tot subsidievaststelling

Artikel

18

Verslaglegging

6

Betaling

Artikel

19

Voorschotten

De minister verleent de subsidieontvanger in september een voorschot van 40%, in december een voorschot van 20% en in februari een voorschot van 30% van het verleende subsidiebedrag. Het resterende bedrag wordt betaald na vaststelling van de subsidie, uiterlijk op 1 februari in het jaar na het studiejaar waarvoor subsidie is verleend.

7

Uitvoering door de Nuffic

Artikel

20

Taken van de Nuffic onder deze regeling

De Nuffic heeft tot taak:

  • a.

    het in naam van de minister verstrekken van de subsidie, bedoeld in artikel 2, eerste lid,

  • b.

    het in naam van de minister nemen van de besluiten, bedoeld in de artikelen 15, tweede lid, en 16,

  • c.

    het doen van onderzoekingen naar de effecten van de mobiliteit van studenten op de internationale concurrentiepositie van de subsidieontvangers,

  • d.

    het evalueren van de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel

21

Informatieplicht Nuffic

Artikel

22

Onkostenvergoeding

Artikel

23

Rekening en verantwoording

8

Slotbepalingen

Artikel

24

Bekendmaking

De regeling wordt met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel

25

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze regeling wordt geplaatst en vervalt vijf jaar na inwerktreding, met dien verstande dat met betrekking tot de op dat tijdstip nog niet vastgestelde of uitgekeerde bedragen de regeling van toepassing blijft.

Artikel

26

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling beurzenprogramma DELTA.

Bijlage

bij artikel 6

1

Verdeling subsidieplafond over de subsidieaanvragers

Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs, zoals bedoeld in artikel 4, komen op basis van een conform artikel 7 onderbouwde aanvraag - indien is voldaan aan de criteria van de artikelen 10 en 11 - in aanmerking voor een subsidiebedrag dat bestaat uit twee gedeeltes:

  • Een vast gedeelte dat wordt verleend op basis van de relatieve prestaties van de instelling. Het hiervoor in totaal beschikbare bedrag beslaat tweederde van de jaarlijks door de minister in het kader van deze regeling beschikbaar gestelde middelen (het subsidieplafond);

  • Een variabel gedeelte dat wordt verdeeld op basis van de ambities, in samenhang met het behaalde rendement op de investering van de instelling ten opzichte van de andere instellingen. Het hiervoor in totaal beschikbare bedrag beslaat eenderde van het jaarlijks vast te stellen subsidieplafond. Dit variabele deel van het subsidiebedrag per subsidieontvanger kan naar aanleiding van de tussentijdse verslaglegging, bedoeld in artikel 15, worden gewijzigd.

2

Berekening vaste gedeelte van het subsidiebedrag per subsidieontvanger

Het vaste gedeelte wordt toegekend op basis van de relatieve prestaties van de instelling. Het vaste gedeelte wordt als volgt berekend.

Per subsidieaanvrager wordt gekeken naar het aantal studenten, zowel studenten uit de doelgebieden als Nederlandse studenten, dat in het studiejaar voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, hoger onderwijs in respectievelijk Nederland en de doelgebieden hebben gevolgd. Dit wordt uitgedrukt in het aantal maanden dat hoger onderwijs is gevolgd (studentmaanden). De beschikbare middelen worden op basis van het aantal studentmaanden naar rato over de instellingen die subsidie hebben aangevraagd, verdeeld. De bijbehorende formule ziet er als volgt uit:

aantal studentmaanden per subsidieaanvrager

vaste deel per subsidieaanvrager

=

---------------------------------------------------------------------

X

tweederde van het subsidieplafond

aantal studentmaanden alle subsidieaanvragers

3

Berekening variabele gedeelte van het subsidiebedrag per subsidieontvanger

Het variabele gedeelte wordt verleend op basis van de ambities, in samenhang met het behaalde rendement op de investering van de subsidieaanvrager ten opzichte van de andere subsidieaanvragers. Hiermee wordt beoogd instellingen te stimuleren zo effectief mogelijk met de verkregen middelen om te gaan, wat ook wil zeggen aanvulling met eigen middelen en werving van zelfbetalers. Budgetten worden op deze wijze over de jaren heen herverdeeld in de richting van effectief opererende instellingen, waardoor het totaal aantal gerealiseerde studentmaanden als geheel zal toenemen.

3.1

Berekening bij aanvraag

Het variabele gedeelte wordt bij aanvraag verleend op grond van de aanvraagbescheiden, waarin subsidieaanvragers hun voornemens omtrent beursverstrekking in het komende studiejaar kenbaar kunnen maken.

Voor de verlening bij aanvraag wordt per subsidieaanvrager uitgegaan van het aangevraagde subsidiebedrag, blijkens de ingediende begroting. Dit wordt gecorrigeerd door het rendement dat de instelling in het voorafgaande studiejaar heeft behaald. Het rendement van een instelling is het aantal studentmaanden gedeeld door het aan de instelling verstrekte subsidiebedrag. Het totaal beschikbare variabele gedeelte wordt naar rato over de instellingen die subsidie hebben aangevraagd, verdeeld. De bijbehorende formules zien er als volgt uit:

aantal studentmaanden in voorafgaand studiejaar per subsidieaanvrager

rendement

=

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

in voorafgaand studiejaar verstrekt subsidiebedrag per subsidieaanvrager

wegingsfactor per subsidieaanvrager

=

aangevraagde subsidie

X

rendement

wegingsfactor per subsidieaanvrager

variabel deel per subsidieaanvrager

=

----------------------------------------------------

X

eenderde van het subsidieplafond

som van de wegingsfactoren

3.2

Berekening tussentijdse wijziging

Wijziging van het bij aanvraag verleende variabele gedeelte kan plaatsvinden naar aanleiding van de tussentijdse verslaglegging, bedoeld in artikel 15. Hierbij wordt uitgegaan van een bijstelde verwachting omtrent de beursverstrekking door de subsidieontvanger, die vooral berust op de tot dan toe gerealiseerde studentmaanden. Dit wordt opnieuw gecorrigeerd aan de hand van het in het voorafgaande studiejaar behaalde rendement. De bijbehorende formules zien er als volgt uit:

aantal studentmaanden in voorafgaand studiejaar per subsidieaanvrager

rendement

=

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

in voorafgaand studiejaar verstrekt subsidiebedrag per subsidieaanvrager

wegingsfactor per subsidieaanvrager

=

aantal gerealiseerde studentmaanden

X

rendement

wegingsfactor per subsidieaanvrager

variabel deel per subsidieaanvrager

=

----------------------------------------------------

X

eenderde van het subsidieplafond

som van de wegingsfactoren

3.3

Berekening variabele deel in het studiejaar

2001/2002 Om ook instellingen die nog niet actief zijn in de doelgebieden, in de gelegenheid te stellen te participeren in het beurzenprogramma is de verdeling van het subsidieplafond voor het eerste studiejaar (2001/2002) gedeeltelijk aangepast. De aanpassing heeft betrekking op de verdeling van het variabele gedeelte. De berekening van het vaste gedeelte blijft in het eerste studiejaar ongewijzigd. Het variabele gedeelte zal in het eerste studiejaar worden berekend op basis van de studentenpopulatie van de subsidieaanvragers. De bijbehorende formule ziet er als volgt uit:

studentenpopulatie per subsidieaanvrager

variabel deel per subsidieaanvrager

=

------------------------------------------------------------

X

eenderde van het subsidieplafond

som van de studentenpopulaties van alle subsidieaanvragers