Uitvoeringsregeling BSE 2001-II

De Minister van Economische Zaken,
Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 3, tweede lid, 5, en 6, eerste lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's;

Besluit:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

4

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling BSE 2001-II.

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.

`s-Gravenhage
De Minister van Economische Zaken, A.Jorritsma-Lebbink

Bijlage 1

Programma energiebesparing door innovatie

A

Doel, afbakening

In het kader van het Besluit subsidies energieprogramma's wordt via diverse programma's subsidie verleend voor activiteiten op het gebied van energiebesparing en duurzame energie. Het aantal programma's wordt teruggebracht om de transparantie te vergroten en het overheidsbeleid op het gebied van energiebesparing te stroomlijnen.

Het doel van het Programma energiebesparing door innovatie (hierna: het programma) is het realiseren van energiebesparing in de in Nederland gevestigde industrie, dienstverlenende bedrijven en instellingen.

Om dit doel te realiseren is het programma gericht op de ontwikkeling van nieuwe technologie, de toepassing hiervan, of de nieuwe toepassing van bestaande technologie.

In het kader van het programma is verstrekking van subsidie mogelijk voor de volgende typen projecten (nadere omschrijving in artikel 1 van het Besluit subsidies energieprogramma's):

  • haalbaarheidsprojecten;

  • kennisoverdrachtprojecten;

  • onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten;

  • praktijkexperimenten;

  • demonstratieprojecten;

  • marktintroductieprojecten.

Projecten in de primaire agrarische sector (BIK 1995, secties 01, 02 en 05), projecten gericht op het besparen van energie benodigd voor transport, anders dan intern transport dat plaatsvindt binnen een bepaalde locatie, en projecten gericht op het opwekken of toepassen van duurzame energie, komen in het kader van dit programma niet voor subsidie in aanmerking.

Toelichting

Het doel van het programma is niet de vermindering van productievolume, maar de vermindering van de energiebehoefte per eenheid product of per geleverde dienst. De herkomst van de energie (bijv. fossiele brandstoffen, afval, duurzame energie) wordt buiten beschouwing gelaten.

Onder duurzame energie wordt verstaan (combinaties van) windenergie, fotovoltaïsche zonne-energie, thermische zonne-energie, aardwarmte, energieopslag, omgevingswarmte, waterkracht, afval en biomassa.

Ook non-profitinstellingen kunnen van dit programma gebruikmaken.

Terreinen waarop projecten kunnen worden ingediend zijn bijvoorbeeld het verbeteren van het rendement van procesapparatuur, het verbeteren van de besturing van productieprocessen, procesintegratie, dematerialisatie, optimalisatie van energiestromen, conversie van energie, of energiegerichte geïntegreerde ketenaanpak.

B

Beoordeling

1

Aanvragen die niet voldoen aan het Besluit subsidies energieprogramma's en het gestelde in onderdeel A van dit programma, worden door de minister afgewezen.

2

Aanvragen betreffende haalbaarheids- en kennisoverdrachtprojecten, die voldoen aan de voorschriften van het Besluit subsidies energieprogramma's en het gestelde in onderdeel A van dit programma, worden door de minister getoetst aan de voorwaarden van onderdeel C van dit programma.

3

De minister wint omtrent de aanvragen betreffende onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten, die voldoen aan de voorschriften van het Besluit subsidies energieprogramma's en het gestelde in onderdeel A van dit programma, advies in bij de Adviescommissie energiebesparing door innovatie.

4

De commissie geeft de minister een negatief advies over de aanvragen, bedoeld onder 3 van dit onderdeel, die op grond van onderdeel C van dit programma niet voor subsidie in aanmerking komen.

5

De commissie geeft inzake de aanvragen, waarover de commissie geen negatief advies als bedoeld onder 4 van dit onderdeel heeft gegeven, een advies over de volgorde van rangschikking aan de hand van de criteria, bedoeld in onderdeel D van dit programma.

6

De minister kan afwijken van een advies van de commissie, indien een advies van de commissie in strijd is met het Besluit subsidies energieprogramma's dan wel op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

C

Voorwaarden

Geen subsidie wordt verstrekt, indien:

  • 1.

    het project niet bijdraagt aan de doelstelling van het programma;

  • 2.

    het project niet is gericht op de ontwikkeling van een nieuwe technologie, de toepassing hiervan, of de nieuwe toepassing van bestaande technologie;

  • 3.

    projectkosten zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag;

  • 4.

    onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project;

  • 5.

    er onvoldoende vertrouwen in bestaat dat de beoogde baten van het project in termen van energiebesparing de kosten van het project zullen overtreffen;

  • 6.

    het onaannemelijk is dat een haalbaarheids- of kennisoverdrachtproject binnen een jaar, dan wel een van de overige soorten projecten binnen drie jaar na subsidieverlening kan worden voltooid.

Toelichting

Ad 4. Bij de beoordeling van de haalbaarheid van een project kunnen worden betrokken de belemmeringen en mogelijkheden voortvloeiend uit regelgeving, normen of certificatie. Daarnaast zal een projectuitvoerder moeten beschikken over de noodzakelijke financiële middelen en de benodigde organisatorische en technisch-wetenschappelijke kwaliteiten.

D

Criteria rangschikking

1

Rangschikking vindt plaats op grond van de volgende criteria:

  • a.

    de potentiële energiebesparing van het project in relatie tot de gevraagde subsidie;

  • b.

    de innovativiteit van het project.

2

Voor de rangschikking weegt criterium a twee keer zo zwaar als criterium b.

Toelichting

Ad 1a. De potentiële energiebesparing wordt beoordeeld in relatie tot de gevraagde subsidie. Hiermee wordt een zo effectief mogelijke inzet van de subsidie gerealiseerd. Aspecten die meespelen bij de beoordeling van de potentiële energiebesparing zijn met name de omvang van de besparing bij de toepassing van het resultaat van dit project, het herhalingspotentieel van het project en de kans dat dit wordt benut, de mate van kennisoverdracht, de mogelijke spin-off effecten van het project en de economische terugverdientijd van het project. Bij de berekening van de energiebesparing worden de volgende equivalenten toegepast:

  • 1 kWh elektrische energie komt overeen met 0,28 m3 aardgas;

  • 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 m3 aardgas;

  • 1 ton stookolie komt overeen met 1300 m3 aardgas;

  • 1 ton steenkool komt overeen met 925 m3 aardgas;

  • 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 m3 aardgas.

Ad 1b. Bepalend is in hoeverre de projecten innovatief zijn ten opzichte van de huidige stand der techniek binnen de branche.

E

Subsidiepercentages en maximumbedragen

1

Haalbaarheidsproject: 50 procent van de projectkosten, maar niet meer dan f 100.000,00 per project.

2

Kennisoverdrachtproject: 90 procent van de projectkosten, maar niet meer dan f 100.000,00 per project.

3

Onderzoeks- of ontwikkelingsproject:

  • a.

    in het geval, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, onder 1°, van het Besluit subsidies energieprogramma's, 90 procent van de projectkosten, maar niet meer dan f 2.000.000,00 per project;

  • b.

    in het geval, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, onder 2°, van het Besluit subsidies energieprogramma's, 60 procent van de projectkosten, maar niet meer dan f 2.000.000,00 per project;

  • c.

    in de overige gevallen 50 procent van de projectkosten, maar niet meer dan f 2.000.000,00 per project.

4

Praktijkexperiment: 50 procent van de projectkosten, maar niet meer dan f 1.000.000,00 per project.

5

Demonstratieproject:

  • a.

    40 procent van de projectkosten, voorzover de projectkosten niet meer dan f 1.000.000,00 bedragen;

  • b.

    25 procent van de projectkosten, voorzover de projectkosten meer dan f 1.000.000,00 bedragen, maar niet meer dan f 2.500.000,00 per project.

6

Marktintroductieproject: 25 procent van de projectkosten, maar niet meer dan f 1.500.000,00 per project.

F

Subsidieplafond

De subsidieplafonds voor het in 2001 verlenen van subsidies op grond van het Programma energiebesparing door innovatie bedragen:

  • a.

    voor aanvragen inzake haalbaarheids- en kennisoverdrachtprojecten, ontvangen in de periode, bedoeld in onderdeel G, onder 1, van dit programma, f 2.000.000,00;

  • b.

    voor aanvragen inzake onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratie- en marktintroductieprojecten, ontvangen in de periode, bedoeld in:

    • 1º.

      onderdeel G, onder 2a, van dit programma, f 21.500.000,00;

    • 2º.

      onderdeel G, onder 2b, van dit programma, f 20.000.000,00.

G

Aanvraagperiode

1

Aanvragen op grond van het Programma energiebesparing door innovatie voor haalbaarheids- en kennisoverdrachtprojecten moeten worden ontvangen in de periode van 12 februari 2001 tot en met 31 december 2001.

2

Als perioden na afloop waarvan de aanvragen op grond van het Programma energiebesparing door innovatie voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratie- en marktintroductieprojecten, die in die perioden zijn ontvangen, worden behandeld, worden vastgesteld:

  • a.

    12 februari 2001 tot en met 13 april 2001;

  • b.

    17 april 2001 tot en met 14 september 2001.

De aanvragen moeten worden ingediend bij: Senter, Grote Marktstraat 43, Den Haag

Postbus 30732, 2500 GS Den Haag

Voor informatie: 070-3610909

www.senter.nl