De in artikel 1, onderdeel c, van de Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren mond- en klauwzeer 2001 aangewezen militairen van de krijgsmacht verlenen bijstand aan de politie ter uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 1993.
2
De bijstand, bedoeld in het eerste lid, strekt niet verder dan de taken die worden uitgevoerd in het kader van het toezicht op de naleving van een regeling.
3
De bijstand, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend op, aan of in de directe nabijheid van de grens van een in of als bijlage bij een regeling aangewezen toezichtsgebied, of gebied waarvoor een vervoersbeperking geldt.
4
In afwijking van het tweede en derde lid kan de bijstand tevens worden verleend in de vorm van verrichten van logistieke werkzaamheden in of rondom een gebied als bedoeld in het derde lid.
Artikel
3
De militair van de krijgsmacht oefent de bijstand uit ter assistentie, volgens instructie en onder begeleiding van een ambtenaar van politie.
Artikel
4
De militair van de krijgsmacht verleent de bijstand zonder bewapening.
Artikel
5
Deze regeling treedt in werking met ingang van 13 april 2001.
Artikel
6
De Regeling bijstand krijgsmacht mond- en klauwzeer wordt ingetrokken.
Artikel
7
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bijstand krijgsmacht mond- en klauwzeer II.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.G. deVries
Overeenkomstig het door de minister genomen besluit,
De directeur-generaal voor Openbare orde en Veiligheid, A.H.C.Annink