Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende vaststelling van de in luchtvaartuigen aanwezige navigatie- en telecommunicatie-installaties en de voor die installaties geldende eisen en gebruiksregels (Regeling navigatie- en telecommunicatie-installaties)

Regeling boorduitrusting

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie;

Besluit:

Begripsbepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

ADF:

een automatische richtingzoeker aan boord van een luchtvaartuig om de richting naar een NDB te bepalen (automatic direction finder);

ADS-B:

een middel waarmee luchtvaartuigen, voertuigen op luchtvaartterreinen en andere objecten automatisch gegevens kunnen versturen of ontvangen, zoals identificatie-, positie- en aanvullende gegevens, voor zover van toepassing, in zendmodus via een datalink (Automatic dependent surveillance-broadcast);

ADS-B Out:

de apparatuur waarmee ADS-B-surveillancegegevens worden verzonden aan een luchtvaartuig;

ASR:

hoogtemeter-instellingsgebied (Altimeter Setting Region);

Commercieel luchtvervoer:

vluchtuitvoering met een luchtvaartuig waarbij tegen betaling passagiers, vracht of post wordt vervoerd;

DME:

een installatie die aan boord van een luchtvaartuig de directe afstand bepaalt tussen een luchtvaartuig en een grondbaken (distance measuring equipment);

ELT:

noodradiobaken met een zendfrequentie van 406 MHz. (emergency locator transmitter);

ELT(S):

een ELT die van een luchtvaartuig verwijderbaar is, zodanig opgeborgen dat deze in geval van nood direct te gebruiken is, en handmatig geactiveerd kan worden door overlevenden (Emergency Locator Transmitter/Survival);

ft:

voet, de lengte gelijk aan 0,3048 m (feet);

GAT:

vluchten die worden uitgevoerd overeenkomstig de ICAO-regelgeving en -procedures (General Air Traffic);

General aviation:

vluchtuitvoering met een luchtvaartuig, anders dan commercieel luchtvervoer of luchtwerk;

GNSS:

wereldwijd positie- en tijdbepalingsysteem bestaande uit één of meer satellietconstellaties, vliegtuigontvangers en controlemiddelen op systeemintegriteit, waar nodig uitgebreid om de vereiste navigatieperformance te ondersteunen voor de voorgenomen operatie (Global Navigation Satellite System);

grondkoers:

projectie op het aardoppervlak van de vliegbaan van een luchtvaartuig waarvan de richting op enig punt wordt uitgedrukt in graden ten opzichte van het ware (T), het magnetische (M) of het kaartnet-noorden (G);

hoogte:

verticale afstand tussen een vlak, een punt of een als punt te beschouwen voorwerp en een referentievlak, referentiepunt of als referentiepunt te beschouwen voorwerp;

Minister:

Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

Mode S/EHS:

een Mode S/ELS SSR-transponder waarbij aanvullend vliegtuigkenmerken via een gegevensverbinding naar luchtverkeersleidingssystemen en grondsystemen worden verstuurd (Enhanced Surveillance);

Mode S/ELS:

een SSR-transponder waarbij aan ieder luchtvaartuig een uniek ICAO 24-bits adres wordt toegekend dat gebruikt wordt voor selectieve ondervraging waarbij onder andere de vluchtidentificatie via een gegevensverbinding naar luchtverkeersleidingssystemen en grondsystemen wordt verstuurd (Elementary Surveillance);

NDB:

een rondomstralend radiobaken op de grond met een vaste antenne (non directional beacon);

NSA Amsterdam:

luchtverkeersgebied als opgenomen in hoofdstuk ENR 6-2.5, van de luchtvaartgids;

overgangshoogte:

hoogte boven gemiddeld zeeniveau waarop en waar beneden de vlieghoogte wordt uitgedrukt in hoogte boven gemiddeld zeeniveau;

overgangsniveau:

laagst beschikbare vliegniveau boven de overgangshoogte;

QFE:

atmosferische druk op het aardoppervlak;

QNH:

QFE herleid tot gemiddeld zeeniveau in de ICAO-standaardatmosfeer;

radiaal:

de richting vanuit een VOR-grondbaken ten opzichte van het magnetisch noorden ter plaatse van het grondbaken;

RNAV:

een navigatiemethode die het vliegtuig toestaat elk gewenst vliegpad te volgen dat binnen het bereik van de grondnavigatie-apparatuur of binnen het bereik van de systemen aan boord van het vliegtuig ligt;

RVSM luchtruim:

het luchtruim vanaf FL290 tot en met FL410 waarin een reductie van de verticale separatie van 2000 naar 1000 voet tussen vliegtuigen wordt toegepast (reduced vertical separation minimum);

SSR-transponder:

een radarbeantwoordingssysteem met informatie over de identiteit en eventueel de hoogte van het luchtvaartuig (secondary surveillance radar-transponder);

Verordening (EU) nr. 1079/2012:

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1079/2012 van de Commissie van 16 november 2012 tot vaststelling van de eisen voor de kanaalafstand bij mondelinge communicatie in het gemeenschappelijke Europese luchtruim (pbEU 2012, L 320);

VOR:

een op de grond geplaatst zendsysteem dat het mogelijk maakt om een vanuit het vliegtuig geselecteerde radiaal te onderscheppen of te volgen door middel van fasevergelijking (very high frequency omnidirectional range).

Communicatie- en navigatieapparatuur

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

3a

Artikel

3b

Artikel

4

Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht, een gecontroleerde VFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam of een VFR-vlucht in de NSA Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met telecommunicatie-installaties die ten minste voldoen aan de eisen, gesteld in bijlage 10 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.

Artikel

5

Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met navigatie-installaties die ten minste voldoen aan de eisen, gesteld in bijlage 10 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.

Artikel

5a

Voor het uitvoeren van een IFR-kruisvlucht in de NSA Amsterdam van en naar mijnbouwinstallaties op de Noordzee waarbij een helikopter ten behoeve van navigatie gebruik maakt van GNSS, is de helikopter uitgerust met GNSS apparatuur die voldoet aan eisen gebaseerd op EASA AMC20-4.

Artikel

6

Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het RVSM-luchtruim in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig niet zijnde een staatsluchtvaartuig uitgerust met navigatie-apparatuur die voldoet aan de eisen gesteld in JAA temporary guidance leaflet no 6, revision 1, blijkende uit een goedkeuring van het luchtvaartuig voor het gebruik er van in het RVSM luchtruim.

Artikel

7

Artikel

7a

Artikel

7b

Gebruik van transponders

Artikel

8

In afwijking van deel 13 van de bijlage bij verordening (EU) nr. 923/2012 geldt de verplichting tot het inschakelen van de SSR-transponder gedurende de gehele vlucht, indien het luchtvaartuig is voorzien van een bruikbare SSR-transponder, ongeacht of het luchtvaartuig zich binnen luchtruim bevindt waar de SSR-transponder is voorgeschreven, niet voor gezagvoerders van militaire luchtvaartuigen behorende tot de Nederlandse en bondgenootschappelijke krijgsmachten, mits:

Artikel

9

Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam wordt, tenzij door de betreffende verlener van luchtverkeersdiensten een andere opdracht is verstrekt of afwijkende voorschriften van toepassing zijn door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht, een SSR-transponder als volgt gebruikt:

  • a.

    de SSR-transponder wordt onmiddellijk voorafgaande aan de opstijging in werking gesteld en in werking gehouden tot de landing;

  • b.

    de SSR-transponder wordt ingesteld op de individuele identificatiecode die laatstelijk is verstrekt door de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten;

  • c.

    zolang geen individuele identificatiecode is verstrekt, wordt mode A code 2000 ingesteld;

  • d.

    indien voor het vertrek blijkt dat de SSR-transponder niet of niet goed werkt en niet voor vertrek kan worden hersteld, wordt

    • de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en

    • een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10;

  • e.

    indien na het vertrek blijkt dat de SSR-transponder niet of niet goed werkt, wordt rekening gehouden met beperkingen bij de uitvoering van het vliegplan;

  • f.

    na de landing wordt al het mogelijke verricht om de SSR-transponder te laten herstellen of vervangen voor de volgende vlucht; g. Indien herstel of vervanging ter plaatse niet mogelijk is, wordt

    • de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en

    • een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10.

Artikel

10

Artikel

10a

Artikel

11

Artikel

12

Vervallen

Artikel

13

Gebruik hoogtemeter

Artikel

13a

Artikel

13b

Het KNMI stelt elk uur het overgangsniveau, bedoeld in artikel 13a, tweede lid, vast en meldt dit zo snel mogelijk aan de desbetreffende verlener van luchtverkeersdiensten.

Artikel

13c

Artikel

13d

Artikel

13e

Tijdens een vlucht op een kruishoogte op of beneden de overgangshoogte wordt ten minste één drukhoogtemeter ingesteld op de regionale QNH.

Artikel

13f

Artikel

13g

Artikel

13h

Strafbepaling

Slotartikelen

Artikel

15

Vervallen

Artikel

16

Het Besluit navigatie- en communicatie-installaties voor IFR-vluchten en de Regeling SSR-transponder worden ingetrokken.

Artikel

17

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

18

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling boorduitrusting.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, T.Netelenbos