Artikel
1
1
Het aanbrengen van een merkteken op een aap, hond of kat vindt plaats voordat het dier wordt gespeend, op de minst pijnlijke wijze en door middel van een individueel en blijvend merk.
2
Wanneer een aap, hond of kat, vóór het spenen, van een instelling als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de dierproeven naar een andere zodanige instelling wordt overgebracht en het merk niet vooraf kan worden aangebracht, moeten alle gegevens over het betrokken dier, met name de identiteit van de moeder, door de ontvangende instelling worden bewaard totdat het dier is gemerkt.