Regeling geweldsinstructie justitiële jeugdinrichtingen

De Minister van Justitie,
Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming van 30 mei 2000, kenmerk 5032390/C/TH/JMO;

Besluit:

Paragraaf

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

b.
eenheid:

een eenheid bij de Landelijke Bijzondere Bijstandsverlening van de Dienst Justitiële Inrichtingen;

c.
meerdere:

de medewerker van de eenheid die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel geeft over de taakuitvoering;

d.
geweld:

elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken;

e.
aanwenden van geweld:

het gebruiken van geweld of het dreigen met geweld, waaronder niet wordt begrepen het uit voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen;

f.
vrijheidsbeperkende middelen:
g.
geweldsmiddel:
  • 1.

    de semi-automatische uitvoering van het merk Heckler en Koch MP 5, type A2 en type A3, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;

  • 2.

    een semi-automatisch pistool van het merk Walther P5, kaliber 9 maal 19 millimeter;

  • 3.

    een korte of lange wapenstok van een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type;

  • 4.

    CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen van een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type.

h.
het gebruik van een vuurwapen:

het trekken, het uit voorzorg ter hand nemen, het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruik van een vuurwapen.

Paragraaf

2

Aanwenden geweldsmiddelen en vrijheidsbeperkende middelen door personeelsleden of medewerkers

Artikel

2

Een personeelslid of medewerker kan ten aanzien van een jeugdige, ten behoeve van het vervoer of interne overplaatsing, een broekstok of handboeien aanleggen.

Artikel

3

Het is een personeelslid of medewerker niet toegestaan de in artikel 1, onder g, genoemde geweldsmiddelen aan te wenden.

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

In afwijking van artikel 3 kunnen de in artikel 1, onder g, sub 1 en 2 genoemde geweldsmiddelen met toestemming van de directeur of de selectiefunctionaris uitsluitend worden toegepast door personeelsleden of medewerkers:

  • a.

    aan wie dat geweldsmiddel rechtens is toegekend en,

  • b.

    voor zover zij optreden ter uitvoering van de taak met het oog waarop het geweldsmiddel hen is toegekend en,

  • c.

    die in het gebruik van dat geweldsmiddel zijn geoefend.

Paragraaf

3

De eenheid

Artikel

7

Artikel

8

Paragraaf

4

Het gebruik van een vuurwapen

Artikel

9

Het gebruik van een vuurwapen is slechts geoorloofd:

  • a.

    om een jeugdige aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;

  • b.

    tot het beteugelen van onrust, indien er sprake is van een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;

  • c.

    ter afwending van direct gevaar voor het leven van personen.

Artikel

10

Het personeelslid of de medewerker die krachtens artikel 6 bevoegd is tot het gebruik van een vuurwapen, mag in verband met zijn eigen veiligheid of die van anderen slechts uit voorzorg een vuurwapen ter hand nemen, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een situatie ontstaat waarin hij bevoegd is het vuurwapen te gebruiken. Zodra blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het vuurwapen terstond opgeborgen.

Artikel

11

Paragraaf

5

Meldplicht

Artikel

12

Paragraaf

6

Slotbepalingen

Artikel

13

Deze regeling treedt in werking op 1 september 2001.

Artikel

14

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geweldsinstructie justitiële jeugdinrichtingen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Justitie, A.H.Korthals