Handhavingsvoorschrift luchtvaartterrein Midden-Zeeland

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
gelet op artikel 30a van de Luchtvaartwet,
gezien het advies van de Commissie ex artikel 28 van de Luchtvaartwet voor het luchtvaartterrein Midden-Zeeland van 20 december 2000,

Besluit:

Deel 1. Algemeen (betreffende elk klein luchtvaartterrein)

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Hoofdstuk

2

Verzameling van gegevens

Artikel

2

Artikel

3

Indien de exploitant de in artikel 2 bedoelde gegevens over de feitelijke opgetreden geluidsbelasting niet tijdig heeft verstrekt, vordert de Inspecteur-Generaal, binnen een door hem te bepalen termijn doch uiterlijk binnen vier weken, dat de exploitant deze gegevens alsnog verstrekt.

Artikel

4

Artikel

5

De Inspecteur-Generaal bewaart de door hem verkregen gegevens ten minste 5 jaar.

Hoofdstuk

3

Relevante actoren

Artikel

6

Over de periode vanaf de aanvang van de gebruiksplanperiode tot de in artikel 2, tweede lid, van toepassing zijnde periode toetst de Inspecteur-Generaal de door de exploitant verstrekte gegevens volgens artikel 2, eerste lid, aan de gegevens over dezelfde periode die betrekking hebben op de verwachte geluidsbelasting van het luchtvaartterrein in het vastgestelde gebruiksplan.

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Indien uit de op grond van artikel 2, derde lid, verstrekte gegevens, dan wel uit de in artikel 6 genoemde toets, blijkt, dat op enig moment gedurende het gebruiksplanjaar in enig netwerkpunt de feitelijk opgetreden geluidsbelasting groter is dan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting stelt de Inspecteur-Generaal de Minister en de exploitant daarvan onmiddellijk in kennis en zendt een afschrift van deze mededeling aan de Minister van VROM en aan de voorzitter van de Commissie-28.

Hoofdstuk

4

Beperken van hinder

Artikel

10

De Inspecteur-Generaal toetst of de tijdstippen waarop de vliegtuigbewegingen plaatsvinden niet in strijd zijn met de bepalingen en voorschriften die bij het aanwijzingsbesluit zijn gesteld.

De Inspecteur-Generaal toetst ook de naleving van de bepaling dat uitsluitend met vrije ballonnen van het luchtvaartterrein mag worden opgestegen nadat toestemming is verkregen van de exploitant.

Artikel

11

Indien de Inspecteur-Generaal constateert dat door de exploitant, de gezagvoerder of anderen niet is gehandeld conform de bepalingen en voorschriften in het aanwijzingsbesluit, onderzoekt de Inspecteur-Generaal de oorzaak daarvan, maakt hiervan binnen twee weken na het constateren van het voorval rapport op en zendt dit aan de Luchtvaartpolitie en in afschrift aan de Minister, de Minister van VROM, de exploitant en aan de voorzitter van de Commissie-28.

Hoofdstuk

5

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Dit handhavingsvoorschrift is van overeenkomstige toepassing op de voorschriften van een krachtens artikel 25f van de Luchtvaartwet gegeven ontheffing.

Artikel

15

De Inspecteur-Generaal geeft met reden aan indien hij is afgeweken van een voorschrift van dit handhavingsvoorschrift. De Inspecteur-Generaal deelt zijn besluit af te wijken van een voorschrift uiterlijk binnen één week mee aan de Minister, de Minister van VROM en de voorzitter van de Commissie-28.

Deel

2

Specifiek voor het luchtvaartterrein Midden-Zeeland

Hoofdstuk

6

Specifieke bepalingen

Artikel

16

Dit handhavingsvoorschrift treedt in werking met ingang van de eerste dag na publicatie hiervan in de Staatscourant.

Artikel

17

Dit handhavingsvoorschrift wordt aangehaald als: Handhavingsvoorschrift Midden-Zeeland.

Dit handhavingsvoorschrift zal zonder toelichtingen en bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,T. Netelenbos